Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3354

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444575 / JE RK 26-180
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009. De minderjarige verblijft sinds eind 2025 in een jeugdhulpaccommodatie, maar voelt zich daar niet op zijn plek en staat niet open voor hulpverlening. De moeder heeft een geschiedenis van alcoholproblematiek, maar het contact met de minderjarige verloopt momenteel goed en veilig.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk blijven omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd. De minderjarige heeft een belast verleden en kampt met emotionele problemen die behandeling vereisen, maar hij staat niet open voor hulp. De thuissituatie bij de moeder is te onstabiel om terugkeer mogelijk te maken. Er is onvoldoende samenwerking tussen de ouders en de jeugdbeschermer.

De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. Tevens worden aangepaste doelen gesteld voor de ondertoezichtstelling, gericht op rust, stabiliteit, verwerking van trauma’s en veilig contact met de moeder. De GI wordt opgedragen om alternatieve woonplekken te onderzoeken, waaronder een mogelijke plaatsing bij de oma van de vriendin van de minderjarige.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor zes maanden wegens blijvende ontwikkelingsbedreiging en onstabiele thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444575 / JE RK 26-180
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
Aan [minderjarige] is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 27 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026. Tevens is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 19 november 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 november 2025 en tot 27 maart 2026.
2.4.
Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] momenteel bij [woongroep] in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] geeft aan dat hij weg wil bij [woongroep] . Hij voelt zich niet fijn, heeft stress, blowt veel en heeft een hoog absentiepercentage op school. [minderjarige] zou graag, in ieder geval vanaf zijn achttiende, terug bij zijn moeder gaan wonen. Daarvoor is het belangrijk dat de moeder goede hulpverlening krijgt. [minderjarige] is nu bijna zeventien en is door stage, school en vrienden minder thuis dan vroeger. Hierdoor is de kans kleiner dat het mis gaat tussen de moeder en [minderjarige] . Hij geeft daarnaast aan dat er mogelijkheden zijn om tijdelijk bij vrienden of bij de oma van zijn vriendin te wonen. Een gezinshuis is ook een optie, mits het zich op een voor hem praktische locatie bevindt. [minderjarige] staat op dit moment niet open voor hulpverlening. Hij heeft hulpverlening al vaker een kans gegeven, maar het heeft niet gewerkt voor hem. Verder heeft [minderjarige] geen contact meer met zijn vader. Met de jeugdbeschermer is op dit moment ook weinig tot geen contact, hetgeen [minderjarige] betreurt.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar het verzoekschrift van 28 januari 2026. Het doel van de GI is dat [minderjarige] op een andere plek dan [woongroep] gaat wonen. Er is een aanmelding gedaan voor gezinshuizen. Het is momenteel afwachten waar een plek beschikbaar komt. Met de oma van de vriendin van [minderjarige] is al eens contact geweest, maar een concrete plaatsing van [minderjarige] bij de oma is nog niet besproken. De GI wil [minderjarige] graag helpen, maar ziet dat [minderjarige] dat anders ervaart. Op dit moment zit [minderjarige] in de puberteit en is hij bezig met zijn grenzen bepalen. Ook heeft hij moeite met gezag. Het zou goed zijn voor [minderjarige] als hij open gaat staan voor hulpverlening om aan zichzelf te werken. Het is belangrijk dat [minderjarige] voorbereid wordt op meerderjarigheid en gaat toewerken naar zelfstandigheid.
4.3.
De moeder geeft aan dat het op dit moment goed met haar gaat. Ze is gestopt met drinken en heeft hulpverlening voor haar alcoholproblematiek, maar de situatie blijft wisselvallig. Het is elke dag een strijd voor de moeder. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] verloopt nu goed en veilig. Op het moment dat de moeder een terugval heeft zijn er duidelijke afspraken en is er geen contact tussen [minderjarige] en de moeder. Hoewel het nu goed gaat is het niet realistisch dat [minderjarige] terug bij de moeder gaat wonen. Op momenten dat het slechter gaat met de moeder is samenwonen namelijk moeilijk. Dit komt niet ten goede aan [minderjarige] ’s ontwikkeling. Het is wel mogelijk om meer tijd met elkaar door te brengen. De moeder denkt dat het beter is dat [minderjarige] op een andere plek dan [woongroep] gaat wonen. Het is wel van belang dat [minderjarige] zijn houding aanpast zodat hij op een andere plek een fijne tijd kan hebben.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige] goede stappen heeft gezet. Zo heeft [minderjarige] vorig jaar zijn school afgerond en is hij begonnen met de koksopleiding op [opleiding]. Daarnaast loopt [minderjarige] stage en dat gaat naar behoren. Aan de andere kant zijn er nog steeds zorgen over [minderjarige] . Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] niet op zijn plek is bij [woongroep] en daardoor niet lekker in zijn vel zit. Het blowen en de lage aanwezigheid op school geven reden tot bezorgdheid. Daarnaast kent [minderjarige] een belast verleden. Hij is lang geconfronteerd geweest met onrust en onzekerheid als gevolg van de scheiding van zijn ouders. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] een behandeling krijgt om zijn trauma’s te verwerken en om beter met zijn emoties om te leren gaan. Het is echter gebleken dat [minderjarige] niet openstaat voor dergelijke hulpverlening. De kinderrechter wil [minderjarige] meegeven dat het voor zijn eigen toekomst van belang is om aan zichzelf te werken. Op dit moment heeft [minderjarige] geen contact met zijn vader. Het contact met de moeder is de laatste tijd uitgebreid, maar de moeder blijft ondersteuning nodig hebben om dit contact veilig te laten verlopen. Gelet op het voorgaande wordt de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig bedreigd.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat een neutrale regievoerder nodig is om samen met [minderjarige] keuzes te maken voor passende ondersteuning en een passende woonplek. Er is namelijk sprake van twee gezaghebbende ouders die onvoldoende tot consensus kunnen komen over hoe hun zoon zo passend mogelijk ondersteund moet worden door jeugdhulpverlening. Er is bovendien onvoldoende samenwerking tussen de jeugdbeschermer en de gezaghebbende vader.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
5.7.
De kinderrechter vindt het van belang dat, gelet op de recente ontwikkelingen, de doelen voor de ondertoezichtstelling aangepast worden en geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • [minderjarige] ervaart rust, stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid;
  • [minderjarige] ervaart geen last meer van traumatische gebeurtenissen uit het verleden;
  • [minderjarige] kan op een adequate manier uiting geven aan zijn emoties en zoekt hierbij geen uitweg;
  • Er is een duidelijk, voorspelbaar en veilig contact tussen [minderjarige] en de moeder, afgestemd op het tempo en de mogelijkheden van [minderjarige] .
5.8.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] [minderjarige] verblijft sinds eind 2025 bij [woongroep] . De kinderrechter stelt vast dat dat [woongroep] niet de juiste plek is voor [minderjarige] . Er moet daarom worden gezocht naar een vervolgplek voor [minderjarige] . Dit moet een plek zijn die beter aansluit bij de wensen en behoeften van [minderjarige] , waar hij verder kan opgroeien en waar hij zich prettig voelt. Hoe begrijpelijk de wens van [minderjarige] ook is, is het geen realistische optie om terug bij de moeder te gaan wonen. De thuissituatie bij de moeder is vanwege haar alcoholproblematiek te onstabiel, hetgeen niet bevorderlijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige] die zelf ook met de nodige problemen kampt. Het is van belang dat de moeder blijft werken aan haar alcoholproblematiek en ondersteuning zoekt in het contact tussen haar en [minderjarige] . In het gesprek met de kinderrechter komt naar voren dat [minderjarige] zelf naar alternatieve woonplekken zoekt. De oma van zijn vriendin heeft volgens hem aangegeven dat het mogelijk is dat [minderjarige] bij haar komt wonen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat deze optie door de GI wordt onderzocht en in overweging wordt genomen. Nu er op dit moment nog geen alternatief voor handen is, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdaanbieder verlengen voor de verzochte duur van 6 maanden.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 27 september 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.