Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3356

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/429723 / FA RK 24-5829
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en verwijzing naar hulpverlening voor omgangsregeling na raadsonderzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak over omgang en gezag tussen een vrouw, een man en hun minderjarige kind. De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en adviseerde het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen vanwege slechte communicatie en het risico dat het kind klem komt te zitten tussen de ouders. De Raad adviseerde tevens professionele hulpverlening om de omgang te verbeteren.

Tijdens de zitting kwamen de standpunten van partijen naar voren. De vrouw maakte zich zorgen over het drankgebruik van de man en de kwaliteit van de omgang, terwijl de man het rapport van de Raad als eenzijdig bestempelde en zich neerlegde bij de wens van het kind om geen contact te hebben. De rechtbank bevestigde het advies van de Raad en besloot het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen.

De omgangsregeling blijft voorlopig van kracht met een uitbreiding van een wekelijks belmoment. Partijen en het kind worden verwezen naar een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulp Aanbod om de communicatie en omgang te verbeteren. De rechtbank houdt de beslissing over schorsing van omgang en de voorgestelde zorgverdeling aan tot na het hulpverleningstraject. De Raad wordt verzocht een vervolgonderzoek te doen indien het traject niet leidt tot verbetering.

Uitkomst: Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen en partijen worden verwezen naar een hulpverleningstraject om de omgang te verbeteren.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/429723 / FA RK 24-5829
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Nadere beschikking over wijziging gezag en omgang
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] , gemeente Halderberge,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld in Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci in Rijswijk,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015,
hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad
voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank (nader) over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1
Bij voormelde beschikking van 25 april 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in die beschikking vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man en [minderjarige] voorlopig recht hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken op zaterdag of zondag, nader tussen partijen te bepalen, van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en de vrouw hem weer terugbrengt. De behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing zijn aangehouden.
1.2
Op 25 september 2025 heeft de rechtbank het rapport van de Raad, met bijlagen, ontvangen.
1.3
Op 12 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de verzoeken voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. De vrouw werd ondersteund door mevrouw [persoon 1] , tolk in de Poolse taal (Wtbv-nummer [nummer 1] ) en de man werd door de heer [persoon 2] , tolk in de Poolse taal (Wtbv-nummer [nummer 2] ). Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.4
Voor deze zitting heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De (aangehouden) verzoeken

2.1
Aan de orde zijn nog:
- het verzoek van de vrouw om het recht van de man op omgang met [minderjarige] te schorsen;
- het verzoek van de man om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
- het verzoek van de man om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarin zijn contact met [minderjarige] op structurele wijze wordt geregeld. De man stelt de volgende verdeling voor:
- éénmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- drie aaneengesloten weken gedurende de zomervakantie, nader in onderling overleg te bepalen;
- gedurende de kerstvakantie in de oneven jaren in de eerste week en in de even jaren in de tweede week;
- in de overige schoolvakanties blijft de reguliere contactregeling van kracht, tenzij één van partijen het voornemen heeft om met [minderjarige] op vakantie te gaan. In dat geval treden partijen met elkaar in overleg;
- de man draagt zorg voor het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] bij de vrouw.

3.De nadere beoordeling

Het rapport van de Raad
3.1
Het rapport van de Raad is op 25 september 2025 bij de rechtbank ontvangen. Hierin komt, samengevat, het volgende naar voren.
3.1.1
De Raad heeft het onderzoek heeft uitgebreid naar een beschermingsonderzoek en een extra onderzoeksvraag heeft toegevoegd. Na onderzoek concludeert de Raad dat er geen ondertoezichtstelling nodig is voor [minderjarige] . Er zijn geen zorgen vastgesteld over onveiligheid van [minderjarige] en er is op dit moment geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De Raad meent wel dat het inzetten van hulpverlening noodzakelijk is. Nu dit nog niet eerder is geprobeerd, kan dit in het vrijwillige kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA) plaatsvinden.
3.1.2
De Raad adviseert om het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen en het eenhoofdig gezag door de vrouw in stand te laten. Er zijn geen situaties voorgekomen dat het eenhoofdig gezag een belemmering is geweest in de zorg voor [minderjarige] . Tussen partijen is nu geen sprake van een behoorlijke onderlinge communicatie. Zij staan beiden niet open voor hulpverlening gericht op verbetering van de oudercommunicatie. Ondanks het wettelijk uitgangspunt om gezamenlijk gezag uit te oefenen acht de Raad acht op dit moment gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . Naar verwachting zal hij dan klem komen te zitten tussen partijen.
3.1.3
Gelet op de zorgen over het contact tussen de man en [minderjarige] acht de Raad professionele hulpverlening noodzakelijk om het contact te verbeteren en de zorgen weg te nemen. Van daaruit dient bekeken te worden hoe het contact tussen de man en [minderjarige] er uiteindelijk uit moet zien en kunnen er afspraken worden gemaakt. De Raad adviseert daarom om partijen te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het UHA en de beslissing over de omgangsregeling aan te houden in afwachting van de resultaten vanuit de hulpverlening. Nu het hulpverleningstraject nog moet starten is van belang dat de voorlopige omgangsregeling door blijft lopen.
De nadere standpunten
3.2
Tijdens de zitting hebben partijen en de vertegenwoordiger van de Raad het volgende verklaard.
3.2.1
Door en namens de vrouw is aangevoerd dat de zelfstandige verzoeken van de man moeten worden afgewezen. Uit het rapport van de Raad blijkt dat het voor de man moeilijk is om aan te sluiten op de behoeften van [minderjarige] . [minderjarige] heeft daar last van. Verder is het voor [minderjarige] lastig dat de man alcohol gebruikt. Het is aan de man om daar tijdens de omgangsmomenten op te anticiperen. In de raadsrapportage wordt bevestigd dat de man niet veel tijd met [minderjarige] doorbrengt. De man verwijt de vrouw dat zijn contact met [minderjarige] niet zo goed is. De man toont hierin geen zelfreflectie. De vrouw gunt [minderjarige] zijn vader, maar gezien de weerstand van [minderjarige] is het lastig om [minderjarige] te motiveren voor de omgang met de man. [minderjarige] heeft er last van als hij naar de man moet. Ook na terugkomst duurt het enkele dagen voordat hij van de omgang met de man hersteld is. Gezien de weerstand van [minderjarige] kunnen er in ieder geval geen overnachtingen plaatsvinden. De man moet aan zichzelf werken en er moet gewerkt worden aan de verhouding tussen de man en [minderjarige] . De vrouw is niet tegen omgang maar zij maakt zich ernstige zorgen over de kwaliteit van de omgang en het drankgebruik van de man.
De vrouw sluit aan bij het advies van de Raad over gezamenlijk gezag. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . De communicatie van partijen is ronduit slecht. Volgens de vrouw is er niets veranderd in de situatie sinds het rapport van de Raad. Zij ziet geen beweging bij de man om de situatie te verbeteren. De vrouw twijfelt aan de effectiviteit van de hulpverlening.
3.2.2
Van de zijde van de man is naar voren gebracht dat het raadsrapport eenzijdig is opgesteld. Niet onderbouwd is dat er sprake is van (problematisch) alcoholgebruik door de man. Er zijn geen meldingen hiervan en er wordt geen concreet voorbeeld gegeven van het alcoholgebruik. De vrouw en [minderjarige] zijn heel close met elkaar. [minderjarige] is erg loyaal richting de vrouw. In de ogen van de man verloopt het contact met [minderjarige] goed. Er is niet onderbouwd dat [minderjarige] onveilig is (geweest) bij hem. [minderjarige] is lang en vaak bij de vrouw, waardoor bepaalde zaken in zijn hoofd zijn gaan zitten. [minderjarige] geeft nu duidelijk aan dat hij niet naar de man toe wil. Enerzijds kan worden nagedacht over het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] en voor de man en [minderjarige] , zodat zij hun relatie anders kunnen vormgeven. Aan de andere kant wil de man niet meer terug naar de rechtbank en wil hij zich neerleggen bij de wens van [minderjarige] om niet naar de man te gaan.
Als het gezamenlijk gezag niet wordt toegewezen, blijft de afstand bestaan en krijgt de man geen betrokkenheid in het leven van [minderjarige] . De man hoopt dan dat als [minderjarige] ouder is, hij weet dat hij er voor hem is en dat het contact mogelijk op dat moment kan worden uitgebreid. De man wil onder geen beding met de vrouw om de tafel.
3.2.3
De vertegenwoordiger van de Raad heeft toegelicht dat het wettelijk uitgangspunt gezamenlijk gezag is. Er is echter geen sprake van communicatie tussen partijen en zij zijn niet bereid om deze met hulpverlening te verbeteren. Om die reden is in het raadsrapport gekomen tot het advies om het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen. De Raad blijft bij dit advies. Partijen hebben zich binnen het raadsonderzoek wel bereid verklaard om te werken aan de omgang tussen de man en [minderjarige] . Dit is waarom de Raad heeft geadviseerd om partijen te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Binnen dat traject kan ondersteuning worden ingezet, zodat duidelijk kan worden waarom [minderjarige] de omgang met de man zo beleeft, wat de man kan doen waardoor de omgang prettig verloopt en hoe de vrouw dit kan ondersteunen. Van belang is dat [minderjarige] veiligheid bij de man kan gaan ervaren. Daarnaast kan een kindbehartiger voor [minderjarige] worden aangesteld. Voorkomen moet worden dat de huidige situatie tot duurzaam contactverlies leidt. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij de omgang veranderd wil zien, wat impliceert dat hij bij verandering daarvan plezier kan hebben in het contact met de man. Daarbij geeft de Raad mee dat het voor [minderjarige] fijn is als de man probeert rekening te houden met [minderjarige] en activiteiten met [minderjarige] onderneemt, zoals bijvoorbeeld samen buiten voetballen. Ook kan de man rekening houden met [minderjarige] door in zijn bijzijn geen alcohol te nuttigen.
De overwegingen
3.3
De rechtbank overweegt als volgt.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.4
In voornoemde beschikking van 25 april 2025 heeft de kinderrechter vastgesteld dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is en dat op de verzoeken Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank constateert thans dat de omstandigheden die hebben geleid tot dit oordeel sindsdien niet gewijzigd zijn, zodat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de aangehouden verzoeken.
Omgang
3.5
Sinds de beschikking van 25 april 2025 hebben de man en [minderjarige] voorlopig recht op omgang met elkaar éénmaal per twee weken op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur. In het gesprek dat de rechter kort voor de zitting met [minderjarige] voerde, is heel duidelijk naar voren gekomen dat [minderjarige] niet op een onbelaste manier het contact met de man kan ervaren. Dit is uitgegroeid naar weerstand van [minderjarige] tegen omgang met de man, zozeer dat de rechtbank nu vreest voor contactverlies. Om dat te voorkomen, schaart de rechtbank zich achter de visie van de Raad dat hulpverlening voor partijen en [minderjarige] noodzakelijk is. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij met zijn beide ouders onbelast contact kan hebben. Dat vraagt inzet van alle betrokkenen. Daarnaast is het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] van belang, bijvoorbeeld in de vorm van een kindbehartiger. [minderjarige] bevindt zich in een ingewikkelde situatie. Bij de vrouw is sprake van een groot wantrouwen in de man, terwijl het belang van [minderjarige] vraagt dat hij van zijn moeder emotionele toestemming en ruimte ervaart om vrijelijk contact met zijn vader te hebben. De omgangsregeling vraagt in de huidige situatie veel van de draagkracht van [minderjarige] . De rechtbank heeft sterk de indruk dat [minderjarige] door zijn beide ouders in bepaalde mate belast wordt en het nodige meekrijgt van de strijd en de spanningen die tussen partijen spelen. Zo wordt [minderjarige] door zijn vader aangesproken op dingen die hij bij de Raad heeft verteld, en zijn er aanwijzingen dat [minderjarige] er wetenschap van heeft als de kinderalimentatie niet op tijd betaald wordt. Dit zijn signalen dat het partijen niet lukt om [minderjarige] uit hun onderlinge strijd te houden. Hiervoor moet aandacht bestaan binnen de hulpverlening.
Uniform Hulpaanbod
3.6
De rechtbank stelt vast dat het partijen samen niet lukt de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverlenings-traject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben, na een korte schorsing van de behandeling voor overleg, tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
3.7
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het volgende resultaat:
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
3.8
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
3.9
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een nadere zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
3.1
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
3.11
Partijen zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
3.12
Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken van partijen met betrekking tot het contact tussen de man en [minderjarige] , maar houdt zij de beslissing daarover aan tot na te noemen pro forma datum. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
3.13
De rechtbank brengt verder onder de aandacht dat partijen en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben. Pools sprekende hulpverlening, bijvoorbeeld vanuit het [hulpverlening] , kan passend zijn. Wanneer er geen passende Pools sprekende hulpverlening beschikbaar is, is in gesprekken met partijen de beschikbaarheid en aanwezigheid van een tolk vereist.
3.14
Met partijen en hun advocaten en de vertegenwoordiger van de Raad is tijdens de zitting nog gesproken over de omgang tussen de man en [minderjarige] in aanloop naar en gedurende het in te zetten hulpverleningstraject. Allen kunnen ermee instemmen dat de in de beschikking van 25 april 2025 vastgestelde voorlopige omgangsregeling wordt voortgezet, met ingang van 18 februari 2026 uit te breiden met een vast wekelijks belmoment op woensdag om 18:00 uur. De rechtbank zal de beschikking van 25 april 2025 daarom op dat punt wijzigen als hierna te melden. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat beide partijen deze gewijzigde voorlopige omgangsregeling zullen nakomen totdat hierop definitief is beslist.
Gezag
3.15
Omdat partijen en [minderjarige] zullen worden verwezen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van het UHA, heeft de rechter partijen verzocht zich uit te laten over de gewenste voortgang van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag. De advocaat van de man verzocht het verzoek daartoe aan te houden. De man wil graag betrokken zijn in het leven van [minderjarige] . Hoewel de man aanvankelijk een eindbeschikking wenste, stelt hij zich nu op het standpunt dat na afloop van het in te zetten hulpverleningstraject tijdens een nadere zitting kan worden bezien hoe op zijn verzoek kan worden beslist. Namens de vrouw is verzocht een beslissing op dit verzoek van de man te geven. Voorkomen moet worden dat binnen het in te zetten hulpverleningstraject het onderwerp gezag een rol gaat spelen. Als er een mogelijkheid tot contact tussen partijen ontstaat, kan daar op dat moment op worden ingezet. De vrouw heeft die verwachting echter niet. Ook de Raad adviseert in zijn rapport om te beslissen op het verzoek tot gezamenlijk gezag.
3.16
Zoals hiervoor is overwogen, heeft het in te zetten hulpverleningstraject in het kader van het UHA als belangrijkste doelstelling dat [minderjarige] onbelast contact heeft met zijn beide ouders. Het traject is uitdrukkelijk
nietgericht op verbetering van de oudercommunicatie, omdat er bij beide partijen geen bereidheid ontstaat om daaraan te werken. Het gezag zal daarmee geen onderwerp van gesprek zijn binnen het hulpverleningstraject. De rechtbank ziet mede daarom geen reden tot verdere aanhouding van de beslissing op het verzoek over het gezag.
3.17
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.18
Uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Het verzoek om gezamenlijk gezag wordt dan ook slechts afgewezen als er sprake is van een situatie zoals hiervoor genoemd. Op grond van de ingediende stukken en de behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat bij toewijzing van het verzoek, [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen zijn ouders. Voor een gezamenlijk gezag is vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Tussen partijen is geen sprake van enige vorm van overleg of communicatie. Dat is al lange tijd het geval. Gelet op de weigering, met name bij de man, om over dat onderwerp hulp te aanvaarden, is ook niet te verwachten dat hierin (binnen korte termijn) voldoende verbetering komt. De man heeft immers verklaard dat hij onder geen beding met de vrouw om de tafel wenst te gaan. Er zijn dan ook geen kansen om hulpverlening in te zetten om verbetering in de communicatie te bewerkstelligen. In dat kader is er een onaanvaardbaar risico dat als er beslissingen voor [minderjarige] genomen moeten worden, partijen elkaar niet gaan vinden. Dit brengt een reëel risico met zich mee dat er vertraging ontstaat in de te nemen beslissing en/of dat er spanningen/strijd tussen partijen ontstaat. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Zeker wanneer er een situatie ontstaat dat er snel beslissingen moeten worden genomen, bijvoorbeeld bij het ontstaan van een acute medische situatie, kan dat schadelijk zijn voor [minderjarige] . Ook de Raad heeft na zorgvuldig onderzoek geadviseerd om het eenhoofdig gezag van de vrouw in stand te laten. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag dan ook afwijzen.
3.19
Dit leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
wijzigt voormelde beschikking van 25 april 2025 en bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in het kader van de omgangsregeling
voorlopigrecht hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken op zaterdag of zondag, nader tussen partijen te bepalen, van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en de vrouw hem weer terugbrengt. Met ingang van 18 februari 2026 wordt deze regeling uitgebreid met een vast wekelijks belmoment van de man met [minderjarige] op woensdag om 18:00 uur;
4.2
wijst af het zelfstandig verzoek van de man tot gezamenlijk gezag;
4.3
verwijst partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de in 3.7. genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal partijen en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;
4.4
verzoekt het loket om uiterlijk op
1 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
4.5
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
4.6
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
4.7
verzoekt de Raad, regio West- en Midden-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in 3.10. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
4.8
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
4.9
houdt aan de beslissing op:
- het verzoek van de vrouw om het recht van de man op omgang met [minderjarige] te schorsen;
- het zelfstandig verzoek van de man tot vaststelling van de door hem voorgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
4.1
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven door mr. Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.