Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3357

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444909 / FA RK 26-718
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening partneralimentatie en gebruik echtelijke woning na scheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 24 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorziening in een familierechtelijke zaak tussen een vrouw en een man, beiden woonachtig in de gemeente Halderberge. De vrouw verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en een maandelijkse partneralimentatie van €2.091. De man verzocht eveneens om het uitsluitend gebruik van de woning en voerde aan dat hij geen alternatieve woonruimte heeft en zijn bedrijf vanuit de woning drijft.

De rechtbank overwoog dat de situatie in de woning onhoudbaar is, maar dat geen van partijen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen alternatieve woonruimte hebben. De vrouw kon niet concreet toelichten waarom zij niet tijdelijk bij haar ouders kan verblijven, terwijl de man slechts stelde dat hij geen betaalbare huurwoning kan vinden. Het belang van de man om in de woning te blijven, mede vanwege zijn bedrijf aan huis, woog zwaarder dan dat van de vrouw. Daarom werd het verzoek van de vrouw tot uitsluitend gebruik van de woning afgewezen.

Ten aanzien van de partneralimentatie stelde de rechtbank vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op circa €2.663 per maand ligt, terwijl haar eigen netto-inkomen €1.375 bedraagt. De man heeft een netto draagkracht van ongeveer €3.358 per maand. Gezien de actuele situatie en het tijdelijke karakter van de maatregel werd de partneralimentatie vastgesteld op €948 per maand, te voldoen bij vooruitbetaling. De rechtbank benadrukte dat een diepgravend onderzoek naar de financiële situatie en verdiencapaciteit in deze voorlopige procedure niet aan de orde is en dat dit in de bodemprocedure verder zal worden uitgewerkt.

Uitkomst: Verzoek uitsluitend gebruik woning afgewezen; partneralimentatie vastgesteld op €948 per maand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444909 / FA RK 26-718
datum uitspraak 24 maart 2026
beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [plaats] , gemeente Halderberge,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K. Beumer,
en
[de man],
wonende in [plaats] , gemeente Halderberge,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Th. Kremers.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 5 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen van de man;
- de brieven van mr. Beumer van 5 maart en 9 maart 2026, beide brieven met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 10 maart 2026. Gelijktijdig is behandeld de zaak met zaaknummer C/02/444882 / FA RK 26-701. Bij deze mondelinge behandeling waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. Daarnaast was aanwezig mevrouw [persoon] in haar hoedanigheid als advocaat-stagiaire verbonden aan het kantoor van mr. Beumer.

2.Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat,
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 2.091,= per maand.

3.De beoordeling

Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
3.1
Nu in deze procedure en in de hiervoor onder r.o. 1.2. genoemde procedure door partijen over en weer verzoeken zijn gedaan tot het uitsluitend gebruik van de woning, zullen twee beschikkingen worden gewezen. Voor beide verzoeken wordt dezelfde belangenafweging gemaakt, die daarom in beide beschikkingen in dezelfde bewoordingen zal zijn terug te lezen.
Standpunt van de vrouw
3.2
De vrouw motiveert haar belang bij het uitsluitend gebruik van de woning als volgt. De man heeft zich schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag richting haar, onder andere door haar te beledigen, te intimideren en dreigende uitlatingen te doen. De spanningen tussen partijen zijn hierdoor dusdanig opgelopen dat zij niet meer met de man in de woning kan verblijven. Zij verdient te weinig voor een particuliere huurwoning. Zij heeft een huisvestingsvergunning aangevraagd, maar op korte termijn is er geen sociale huurwoning beschikbaar. Daarnaast is het voor haar niet mogelijk om voor een langere periode bij haar ouders te verblijven; zij zijn op leeftijd zijn en hebben gezondheidsklachten. Verblijf bij vriendinnen is evenmin mogelijk. Bovendien is zij voor haar werk gebonden aan [plaats] . Het gedrag van de man en het gebrek aan een alternatieve oplossing maakt volgens de vrouw dat haar belang bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder moet wegen dan dat van de man. De man heeft bovendien de mogelijkheid om elders te verblijven.
Standpunt van de man
3.3
De man voert aan dat hij het meeste belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning. De situatie in de woning is onhoudbaar geworden door spanningen en ruzies tussen partijen. Hij voelt zich getergd en uitgedaagd door de vrouw. Hij beschikt niet over alternatieve huisvesting. Op dit moment verblijft hij noodgedwongen in een caravan, maar dit is niet langer te doen. Zijn ouders wonen in een appartement waarin voor hem geen ruimte is. Hij heeft geen financiële middelen om, naast een deel van de woonlasten van de echtelijke woning, ook nog de lasten van alternatieve woonruimte te betalen. Verder is van belang dat hij zijn bedrijf aan huis heeft. Hij heeft een kantoorruimte, verricht metingen met daarvoor bestemde apparatuur en ontvangt daar klanten en ook worden goederen op het adres van de woning geleverd. Dat kan hij niet zo maar vanaf een andere plaats doen. Tot slot stelt hij dat de vrouw elders kan verblijven, bijvoorbeeld bij haar ouders die in een eengezinswoning wonen op korte afstand van de echtelijke woning en het werk van de vrouw.
Inhoudelijke beoordeling
3.4
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de situatie waarin zij samen in de woning verblijven onhoudbaar is. Dat betekent dat één van partijen de woning zal moeten verlaten. Omdat beide partijen verzoeken het uitsluitend gebruik van de woning aan hem of haar toe te delen zal de rechtbank een afweging moeten maken tussen de belangen van de vrouw en die van de man bij het uitsluitend gebruik van de woning.
Beide partijen geven aan dat de ander alternatieve woonruimte heeft en beide partijen betwisten dit standpunt van de ander. De rechtbank is van oordeel dat geen van partijen voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat zij niet over alternatieve woonruimte kunnen beschikken. Zo heeft de vrouw aangevoerd dat zij niet bij haar ouders kan verblijven vanwege hun gezondheidsklachten en hun leeftijd, maar desgevraagd heeft zij geen nadere concrete toelichting gegeven waarom deze omstandigheden maken dat zij daar niet tijdelijk kan verblijven. Onbetwist is gesteld dat de woning van haar ouders een eengezinswoning betreft en dat zich daarin een vrijstaande kamer bevindt. Ook is niet betwist dat de woning 800 meter van de echtelijke woning is gelegen, waardoor de vrouw vanuit deze plek naar haar werk kan blijven gaan. De man heeft evenmin voldoende toegelicht waarom hij geen alternatieven heeft. Het blijft bij de blote stelling dat hij een huurwoning in de particuliere sector niet kan betalen. Ook dat is zonder nadere toelichting echter niet voldoende aannemelijk geworden. Dit betekent dat het belang dat (een van) partijen niet over alternatieve huisvesting kunnen beschikken niet de doorslag geeft.
De vrouw heeft aangevoerd dat de man door zijn gedrag heeft gezorgd dat de spanningen zo hoog zijn opgelopen dat een voorziening met betrekking tot het gebruik van de woning nodig is. Hoewel de vrouw hiertoe onderliggende stukken in het geding heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat, naast het feit dat haar stelling in het kader van deze procedure, ook gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, niet kan worden vastgesteld, dit ook geen belang is dat in het kader van de belangenafweging een rol speelt.
De man heeft tot slot aangevoerd dat hij zijn bedrijf vanuit de woning drijft. In dit verband is gebleken dat in de woning een kantoorruimte is ingericht, waarin zich onder andere voor zijn werk benodigde meetapparatuur bevindt. Ook nu hij sinds enige tijd in een caravan verblijft, komt de man, zo heeft hij onbetwist aangevoerd, dagelijks naar de woning om vanuit het kantoor te werken. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat hij in verband met deze werkzaamheden in het kantoor af en toe klanten ontvangt en dat bij de woning met enige regelmaat goederen worden afgeleverd, zoals samples, maar ook pallets met producten, waarbij zijn tussenkomst in verband met de doorlevering/overlading vereist is. De rechtbank gaat gelet op het voorgaande voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man de werkzaamheden gemakkelijk elders kan uitvoeren. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de man om in de woning te blijven, gelet hierop groter is dan het belang van de vrouw om in de woning te blijven. De man moet voor de uitvoering van zijn bedrijf, welke zorgt voor de inkomstenbron waar partijen nu samen van leven, dagelijks in de echtelijke woning zijn.
3.5
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af, onder verdere verwijzing naar de beslissing in de zaak met zaaknummer C/02/444882 / FA RK 26-71.
Partneralimentatie
3.6
De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud van € 2.091,= per maand. Zij heeft behoefte aan een bijdrage, omdat zij slechts een beperkt inkomen heeft. De man voert gemotiveerd verweer.
3.7
Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een tijdelijke maatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daarin voldoende inzicht heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Huwelijksgerelateerde behoefte
3.8
Bij de berekening van de partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, de zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de hofnorm. De hofnorm gaat ervan uit dat ieder van partijen 60% van het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen nodig heeft om na het uiteengaan van te leven, omdat partijen hun kosten niet meer met elkaar kunnen delen.
3.9
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het becijferen van de huwelijksgerelateerde behoefte wordt aangesloten bij de hiervoor genoemde hofnorm, zodat ook de rechtbank hierbij aansluit.
3.1
Partijen zijn het er ook over eens dat bij het hanteren van de hofnorm moet worden aangesloten bij het netto gezinsinkomen in het peiljaar 2025. Ook zijn partijen het er over eens dat voor het inkomen van de vrouw wordt uitgegaan van een bruto jaarloon als vermeld op haar jaaropgaaf 2024, te weten € 16.224,=. Uit de door partijen ingediende berekeningen volgt een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.307,= per maand, zodat de rechtbank hierbij zal aansluiten.
3.11
De man is enig aandeelhouder (dga) van [bedrijf] B.V en betaalt zichzelf een salaris uit vanuit deze onderneming.
3.12
Voor het becijferen van zijn netto inkomen sluit de man aan bij een bruto jaarinkomen van € 48.000,= in 2025. Hij verwijst naar de door hem ingediende loonstroken, waaruit een bruto maandinkomen volgt van € 4.000,= per maand. Van enig ander inkomen in de vorm van dividend is geen sprake geweest. Er zijn weliswaar enkele opnames in rekening-courant gedaan, maar deze zijn niet ten goede gekomen aan het gezin.
3.13
De vrouw geeft aan dat moet worden aangesloten bij het gebruikelijk loon voor een dga. Voor 2025 is dit loon vastgesteld op een bedrag van € 56.000,=. Gezien de resultaten binnen de onderneming is er geen aanleiding geweest voor de man om een lager inkomen uit te keren dan het gebruikelijke loon. Daarnaast stelt de vrouw dat partijen meer hadden om van te leven en verzoekt zij in dat verband rekening te houden met een dividenduitkering van € 30.000,= per jaar.
3.14
Bij het berekenen van de huwelijksgerelateerde behoefte gaat de rechtbank uit van wat partijen
feitelijktijdens hun huwelijk als inkomen hadden. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met het inkomen van de man van € 4.000,= bruto per maand, zoals blijkt uit de ingediende loonstroken. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de welstand van partijen hoger was, omdat partijen naast het salaris van de man ook hebben geleefd vanuit de rekening-courant of anderszins oordeelt de rechtbank dat deze procedure zich niet leent voor een diepgravend onderzoek. Het debat hierover zal verder moeten worden uitgediept in de bodemprocedure. Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van het netto inkomen van de man geen rekening houdt met een dividenduitkering of met opnames uit
rekening-courant, maar enkel aansluit bij het dga-salaris van de man. In de door de man als productie 10 ingebrachte berekening is dit salaris ook als uitgangspunt genomen, zodat de rechtbank deze berekening volgt. Het netto besteedbaar inkomen van de man in deze berekening is € 2.936,= per maand.
3.15
Onder verwijzing naar het bovenstaande bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen in het peiljaar (€ 1.307,= + € 2.936,=) € 4.243,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw volgens de hofnorm berekend op 60% van het beschikbare netto besteedbaar gezinsinkomen. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw becijfert op afgerond € 2.536,= netto per maand in 2025. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu afgerond € 2.663,= per maand.
Aanvullende behoefte van de vrouw
3.16
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van behoeftigheid van de vrouw. Dat is het geval als zij niet voldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien en zij deze inkomsten ook in redelijkheid niet kan verwerven.
3.17
De vrouw is negentien uur per week werkzaam als caissière bij de [winkel] . Voor de bepaling van haar draagkracht gaat de rechtbank uit van de volgende looncomponenten:
- een basissalaris van afgerond € 1.249,= bruto per vier weken exclusief vakantiegeld;
- een premie ouderdomspensioen van afgerond € 42,= bruto per vier weken;
- overige premies (‘pr. WIA hiaat’ en ‘premie PAWW’) van afgerond € 7,= bruto per vier weken.
Dit inkomen volgt uit de door de vrouw als productie 18 ingediende loonstroken. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
3.18
De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de stelling van de man dat uitgegaan moet worden van een hoger inkomen, omdat de vrouw meer kan werken. Zoals eerder overwogen wordt in het kader van deze procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit vergt nader onderzoek waarvoor in deze procedure geen ruimte is. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.
3.19
Uitgaande van bovengenoemd inkomen bedraagt het eigen netto-inkomen van de vrouw € 1.375,= per maand. De netto aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan
(€ 2.663,= minus € 1.375,=) € 1.288,= per maand. De bruto aanvullende behoefte bedraagt
€ 2.319,= per maand.
Draagkracht van de man
3.2
Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de man draagkracht heeft om de verzochte onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen.
3.21
Partijen zijn het er over eens gebleken dat voor het bruto jaarinkomen van de man in deze procedure wordt aangesloten bij een bedrag van € 58.000,=.
3.22
Daarnaast stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man redelijkerwijs een hoger inkomen kan generen door aan zichzelf dividend uit te keren. Uit de ingediende jaarstukken blijkt dat het eigen vermogen ieder jaar is toegenomen en nagenoeg volledig uit overige en vrije reserves bestaat, aldus de vrouw.
3.23
De man betwist dat hij zichzelf een dividend kan uitkeren. In de afgelopen jaren is er nooit een dividenduitkering gedaan. Ook gaat het niet goed met zijn bedrijf en is het niet aan de vrouw of de rechtbank om op de stoel van de ondernemer te gaan zitten.
3.24
De rechtbank overweegt wederom dat deze procedure ziet op het treffen van een tijdelijke ordemaatregel, waarbij wordt aangesloten bij de huidige situatie. Deze procedure leent zich niet voor een diepgravend onderzoek naar de jaarstukken en de mogelijkheid van de man om zichzelf dividend uit te keren. De rechtbank zal daarom in het kader van deze procedure uitgaan van enkel het bruto jaarsalaris van € 58.000,=, zoals hierboven overwogen.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, de verschuldigde inkomstenbelasting en premisvolksverzekeringen.
3.25
De rechtbank houdt geen rekening met een bijtelling eigenwoningforfait en de hypotheekrente, zoals door de vrouw opgenomen in haar berekening. Bij het bepalen van draagkracht voor partneralimentatie wordt rekening gehouden met een forfaitaire woonlast, waardoor het eigenwoningforfait en de hypotheekrente in beginsel buiten beschouwing blijven. Deze posten zijn wel nog relevant in voorkomend geval bij een onverdeelde echtelijke woning die geen hoofdverblijf meer is. Van deze situatie is nog geen sprake.
3.26
Op basis van bovenstaande uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto inkomen van de man op € 3.358,= per maand.
3.27
Op grond van bovenstaande financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 948,= per maand te voldoen in de kosten van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw volledig aan hem toegerekend. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre toegewezen.
Aanhechten berekeningen
3.28
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 948,= (negenhonderdachtenveertig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.2
wijst af het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.