Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3358

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444557 / FA RK 26-523
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 822 RvArt. 824 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen toewijzing zorg en gebruik woning na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd en hebben drie minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om toewijzing van de kinderen aan haar, het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en een voorlopige zorgregeling. De man verzocht om gezamenlijke zorg en gezamenlijk gebruik van de woning (bird nesting).

De rechtbank oordeelt dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd, mede vanwege de autisme van twee kinderen en de behoefte aan stabiliteit. De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen, waarbij de man de woning uiterlijk 6 april 2026 moet verlaten. De man krijgt een zorgregeling van elke zaterdag van 9.00 tot 19.00 uur in de woning, buiten aanwezigheid van de vrouw.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €70 per kind per maand, rekening houdend met de draagkracht van partijen en de zorgkorting. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een voorspelbare en veilige zorgregeling. De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is niet mogelijk.

Uitkomst: De vrouw krijgt de kinderen toegewezen, het uitsluitend gebruik van de woning en de man een wekelijkse zorgregeling met kinderalimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/444557 / FA RK 26-523
datum uitspraak: 24 maart 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] , maar feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. V.C. Serrarens te Middelburg,
en
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. drs. N. Wouters te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 29 januari 2026 ontvangen verzoekschrift voorlopige voorzieningen met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Serrarens van 24 februari 2026 met bijlagen;
- het op 3 maart 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Wouters van 4 maart 2026 met bijlage;
- het F-formulier van mr. Serrarens van 5 maart 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. Tijdens de zitting was met toestemming van alle aanwezigen ook aanwezig mevrouw [persoon] , mediator, in verband met de pilot “piketmediator op zitting” bij deze rechtbank.
1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. In de op 20 februari 2026 door de rechtbank ontvangen keuzeformulieren hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangegeven niet op gesprek bij de kinderrechter te komen. [minderjarige 2] heeft op dit keuzeformulier wel haar mening geschreven. In de door de rechtbank op 24 februari 2026 ontvangen keuzeformulieren hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsnog aangegeven wel op gesprek bij de kinderrechter te komen. [minderjarige 1] heeft vervolgens op 5 maart 2026 een kindgesprek gehad met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft voorafgaand aan het gesprek aangegeven toch geen gesprek met de kinderrechter te willen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 14 september 2018 met elkaar gehuwd.
2.2.
Partijen hebben de navolgende, nu nog minderjarige, kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
De vrouw heeft op 11 januari 2026 met de minderjarigen de echtelijke woning te [plaats 1] verlaten en verblijft sindsdien met de kinderen bij haar moeder en stiefvader in [plaats 2] . De man verblijft tot op heden in de echtelijke woning in [plaats 1] .

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking voor de duur van het geding en met ingang van heden:
te bepalen dat de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] , en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] , aan haar zullen worden toevertrouwd;
te bepalen dat zij voorlopig bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke huurwoning aan [adres] te [plaats 1] met bevel aan de man deze woning te verlaten en deze niet meer te betreden met ingang van 15 februari 2026 dan wel een datum die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
te bepalen dat de man zal zijn gehouden een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] , en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] , te betalen van € 300,= per kind per maand bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en vraagt de rechtbank deze
verzoeken af te wijzen.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
primair:
a. de kinderen aan geen van de partijen worden toevertrouwd maar dat partijen gezamenlijk in de woning mogen blijven wonen in afwachting van de definitieve beslissing in de echtscheidingsprocedure, waarbij als regeling qua verdeling van zorg- en opvoedtaken geldt dat de vrouw van maandag na schooltijd t/m donderdag tot 17.00 uur de zorg over de kinderen draagt en de man de zorg over de kinderen draagt van donderdag 17.00 uur t/m maandag voor schooltijd;
subsidiair:
zover de kinderen wel aan de vrouw worden toevertrouwd, de man dan een zorgregeling heeft van donderdag vanaf 17.00 uur t/m maandag voor schooltijd, waarbij verzocht wordt expliciet te bepalen dat deze zorgregeling mag worden uitgevoerd in de echtelijke woning;
meer subsidiair:
dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Toevertrouwing minderjarigen, uitsluitend gebruik woning en voorlopige zorgregeling
4.1.
Ter onderbouwing van haar verzoeken heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De man werkt fulltime en kan doordeweeks niet voor de kinderen zorgen. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw altijd zorg gedragen voor de kinderen. De vrouw maakt zich zorgen over de psychische gesteldheid en het alcoholprobleem van de man. De man blijft de vrouw lastigvallen. Hij appt en belt haar voortdurend. De vrouw maakt zich, mede gelet op het alcoholprobleem van de man en de inhoud van de berichten die de man appt en post op Facebook, zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Primair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de Raad eerst onderzoek moet doen naar een passende zorgregeling voordat er omgang plaatsvindt tussen de man en de kinderen. Subsidiair stelt de vrouw dat een zorgregeling van een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties op dit moment het meest haalbaar is. Ook de vrouw wil graag twee weekenden per maand met de kinderen kunnen doorbrengen. Dit is niet mogelijk als de door de man verzochte zorgregeling wordt toegewezen. De vrouw is in staat om voor de kinderen te zorgen; zij werkt niet elk weekend. De vrouw heeft zich onlangs op advies van haar werkgever ziek gemeld op haar werk, omdat zij haar werk nu niet aan kan. De vrouw kan niet voor langere tijd bij haar moeder en stiefvader (blijven) wonen gezien hun gezondheidssituatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben autisme. Zij hebben baat bij regelmaat en structuur en willen graag terug naar de voor hen veilige en vertrouwde echtelijke woning. Op dit moment moeten de kinderen iedere dag vanuit [plaats 2] met de auto naar school in [plaats 1] gebracht worden. Dit is belastend voor de vrouw. De man kan tijdelijk bij zijn zus in [plaats 3] verblijven, aangezien de zus van de man een gastenverblijf heeft. In dat geval zou ook uitvoering kunnen worden gegeven aan een zorgregeling van een weekend per veertien dagen. Er moet duidelijkheid komen voor de kinderen. De vrouw ziet geen mogelijkheid voor een regeling van bird nesting zoals door de man verzocht. Dit zal tot meer strubbelingen tussen partijen leiden gezien de slechte onderlinge communicatie. De vrouw staat open voor mediation maar pas nadat in deze procedure uitspraak is gedaan.
4.2.
Ter onderbouwing van zijn verzoeken voert de man het volgende aan. Partijen hebben de zorg voor de kinderen tijdens het huwelijk altijd gezamenlijk gedragen. De man wil graag tot een situatie komen waarbij beide partijen 50% van de zorg voor de kinderen op zich nemen. Hij kan dit regelen met zijn werk en door inschakeling van buiten- en voorschoolse opvang. De man is goed in staat om voor de kinderen te zorgen. Daarom verzoekt de man primair een co-ouderschapsregeling in combinatie met een regeling van bird nesting, waarbij partijen om beurten in de echtelijke woning verblijven totdat één van hen zelfstandige vervangende woonruimte heeft gevonden. Inmiddels is de man, anders dan door hem primair verzocht, van mening dat het geen goede optie meer is dat partijen voorlopig samen in de echtelijke woning verblijven. De man erkent vroeger een alcoholprobleem te hebben gehad, maar betwist dat dit nog steeds het geval is. Erkend wordt dat de inhoud van de appberichten die hij aan de vrouw heeft gestuurd niet goed zijn geweest, maar de man handelde uit emotie. De man is onverwachts verlaten door de vrouw en de vrouw komt de regeling omtrent de kinderen niet na. Dit frustreert de man. Het frustreert de man vooral dat hij vragen stelt over de kinderen maar geen enkel antwoord krijgt van de vrouw. Partijen moet leren met elkaar te communiceren over de kinderen op het niveau van ex-partners. De man vindt het moeilijk dat hij de kinderen weinig ziet. Hij heeft de kinderen een paar weken geleden voor de laatste keer gezien. Dat omgangsweekend verliep, behoudens het ophaalmoment, goed. Een regeling van bird nesting zou een goede optie zijn. De kinderen kunnen dan altijd in de echtelijke woning blijven. De man heeft geen alternatieve woonruimte. Hij kan niet tijdelijk bij zijn ouders wonen en weet ook niet of hij bij zijn zus terecht kan. Bovendien kan hij in het gastenverblijf van zijn zus niet de kinderen ontvangen. Daar staat tegenover dat de vrouw op dit moment wel vervangende woonruimte heeft. De man wil graag zo snel mogelijk beginnen met een mediationtraject.
4.3.
De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren
gebracht. De Raad maakt zich, gelet op dat wat in de stukken en tijdens de zitting naar voren
is gebracht, zorgen over de minderjarigen. Het is belangrijk voor de kinderen dat er
duidelijkheid komt en dat zij terug kunnen naar de voor hen vertrouwde en veilige omgeving
van de echtelijke woning. Een regeling van bird nesting zal nog lange(re) tijd zorgen voor
een onrustige situatie voor de kinderen en is daarmee geen fijne regeling voor de kinderen.
De kinderen worden dan (weer) geconfronteerd met de onrust en spanningen tussen hun
ouders. Een regeling van bird nesting vergt een goed contact tussen de ouders. Het
ontbreekt hier echter aan een goede communicatie tussen partijen. De Raad ziet het dan ook
niet gebeuren dat partijen tot afspraken komen over de wijze van invulling van een regeling
van bird nesting. De Raad is geschrokken van de appberichten die in de groepsapp van het
gezin van partijen zijn gestuurd en die de kinderen, in ieder geval [minderjarige 1] , dus hebben
kunnen lezen. Dit is erg belastend voor de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat
zij weer contact hebben met hun vader en dat zij weten wanneer en op welke wijze dit
contact plaatsvindt. Het is ook in het belang van de kinderen dat het contact tussen hen en de
man op een veilige manier plaatsvindt en de man niet onder invloed van alcohol is op de momenten dat hij zorg draagt voor de kinderen. De Raad adviseert een zorgregeling waarbij de kinderen wekelijks contact met de man hebben, zonder overnachting, zodat de kinderen tot rust kunnen komen en een fijn contact met de man kunnen vervaren. De vraag hoe deze regeling er precies uit moet komen te zien hangt echter af van de beslissing van de rechtbank over het gebruik van de woning.
Toevertrouwing minderjarigen
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen de minderjarigen te worden toevertrouwd aan de vrouw. De kinderen verblijven sinds hun vertrek met de vrouw uit de echtelijke woning op 11 januari 2026 bij de vrouw en hebben de man (op het moment van de zitting) al twee weken niet gezien. Dit betekent dat de minderjarigen eraan gewend zijn dat zij bij hun moeder zijn en dat hun moeder voor hen zorgt. Het is met name in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat in deze situatie geen verandering teweeg wordt gebracht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben autisme en hebben daarom behoefte aan stabiliteit, regelmaat en voorspelbaarheid. Bovendien is de vrouw op dit moment ook het meest beschikbaar om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De man werkt immers fulltime en dus vijf volledige (doordeweekse) dagen per week, terwijl de vrouw een flexibel rooster heeft van 30 uur per week en met name in de avonden en weekenden werkt. Op dit moment is de vrouw zelfs volledig beschikbaar voor de kinderen, omdat zij zich vanwege de echtscheidingsperikelen in overleg met haar leidinggevende voorlopig heeft ziekgemeld op haar werk. Daarbij komt dat de man zelf niet om toevertrouwing van de minderjarigen aan hem heeft verzocht. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de kinderen aan haar zal worden toegewezen en het (deel van het) primaire verzoek van de man om te bepalen dat de minderjarigen aan geen van partijen worden toevertrouwd, welk verzoek overigens niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en reeds daarom voor afwijzing gereed ligt, zal worden afgewezen.
Uitsluitend gebruik woning
4.5.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toewijzen. Dat betekent dat de man de echtelijke woning moet verlaten en zonder toestemming van de vrouw niet meer mag betreden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Nog los van het feit dat ook hier heeft te gelden dat het (deel van het) primaire verzoek van de man om te bepalen dat partijen gezamenlijk in de woning blijven wonen niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv Pro en reeds daarom voor afwijzing gereed ligt, is de rechtbank evenals de Raad op grond van de stukken en dat wat tijdens de zitting is besproken van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarigen is dat partijen voorlopig (weer) samen in de echtelijke woning verblijven. Op de zitting heeft ook de advocaat van de man verklaard dat dit, ondanks het ingediende verzoek daartoe, op dit moment geen goede optie meer is. De kinderen zullen dan weer worden blootgesteld aan de onrust en spanningen tussen hun ouders. Beide partijen hebben echter voor de langere termijn (nog) geen passende alternatieve woonruimte gevonden. De rechtbank weegt daarom de verschillende belangen van partijen bij het uitsluitend gebruik van de woning tegen elkaar af. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man, omdat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij (weer) in de echtelijke woning verblijven. De echtelijke woning is een vertrouwde en veilige plek voor de minderjarigen en is bovendien vlakbij de school van de kinderen gelegen. Dit geldt temeer nu, zoals hiervoor al overwogen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] autisme hebben en daarom (extra) behoefte hebben aan stabiliteit, regelmaat en voorspelbaarheid. Tussen partijen is overigens ook niet in geschil dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij (weer) in de echtelijke woning verblijven. Dit betekent dat, nu de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd, de vrouw als verzorgende ouder met de kinderen dient terug te keren in de echtelijke woning en de man de woning dient te verlaten. De man heeft overigens niet ook zelf om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning verzocht. De rechtbank neemt daarbij tevens in overweging dat de vrouw ter zitting heeft gesteld dat de man tijdelijk in het gastenverblijf van zijn zus in [plaats 3] kan verblijven, waarop de man - desgevraagd - heeft verklaard deze mogelijkheid nog niet te hebben onderzocht.
4.6.
De rechtbank vindt het echter alleszins redelijk dat degene die de woning moet verlaten een termijn krijgt om andere (tijdelijke) woonruimte te vinden. Gelet hierop zal de rechtbank de man tot 7 april 2026 de tijd gunnen om elders zijn (al dan niet tijdelijke) intrek te nemen. Vanaf die datum zal de vrouw voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning krijgen. Haar verzoek zal in zoverre - en behoudens hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de (uitvoering van de) zorgregeling - worden toegewezen.
Voorlopige zorgregeling
4.7.
Tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw in het kader van voorlopige voorzieningen geen gebruik wilde maken van piketmediation, maar dat partijen overwegen om ten behoeve van de bodemprocedure met elkaar een mediationtraject in te gaan. De rechtbank kan zich voorstellen dat partijen zich, als dat traject niet slaagt, tot het Centrum Jeugd en Gezin van de gemeente wenden voor ouderschapsbemiddeling ter verbetering van hun onderlinge communicatie. Dit maakt dat een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) of een Raadsonderzoek naar de meest passende zorgregeling, zoals door de vrouw primair voorgesteld, op dit moment naar het oordeel van de rechtbank (nog) niet aan de orde is. De rechtbank zal hierna dan ook beslissen op de verzoeken van de man tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling.
4.8.
Nu de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld dat het primaire verzoek van de man om te bepalen de kinderen aan geen van partijen worden toevertrouwd, maar dat partijen gezamenlijk in de woning mogen blijven wonen in afwachting van de definitieve beslissing in de echtscheidingsprocedure, wordt afgewezen, komt de rechtbank ook niet toe aan de beoordeling van de voor die situatie verzochte voorlopige zorgregeling.
4.9.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de man tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling waarbij de man in de echtelijke woning zorg draagt voor de kinderen van donderdag 17.00 uur t/m maandag voor schooltijd overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat vast dat er contact moet zijn tussen de man en de minderjarigen en dat de minderjarigen daar ook behoefte aan hebben. Daarbij geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit contact op een voor de minderjarigen voorspelbare en gestructureerde, maar bovenal veilige manier moet worden ingevuld. Dit geldt temeer nu er zorgen zijn en, zoals eerder overwogen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanwege hun autisme bovendien behoefte hebben aan stabiliteit, regelmaat en voorspelbaarheid. Ook de Raad adviseert dat er een vorm van voorspelbaar en veilig contact tussen de man en de minderjarigen moet zijn. Het voorgaande betekent in ieder geval dat de man, zoals ook door de Raad ter de zitting benadrukt, tijdens de omgangsmomenten met de minderjarigen geen alcohol gebruikt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat omgangscontacten tussen de man en de minderjarigen plaatsvinden op een voor de minderjarigen vertrouwde en veilige plek. Nu er op dit moment nog geen zicht bestaat op waar de man per 7 april 2026, de datum waarop het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegekend aan de vrouw, al dan niet tijdelijk zal verblijven en of dat een geschikte plek is voor de minderjarigen en partijen ter zitting ook (nog) geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een alternatieve plek voor omgang tussen de man en de minderjarigen, zal de rechtbank bepalen dat het wekelijks contact tussen de man en de minderjarigen voorlopig - ondanks de toekenning van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw - plaatsvindt in c.q. vanuit de echtelijke woning, tot dat partijen in onderling overleg een andere voor de minderjarigen geschikte plek afspreken. De rechtbank begrijpt dat dit geen ideale situatie is, maar is van oordeel dat het belang van de minderjarigen bij duidelijkheid, voorspelbaarheid en veiligheid voorop dient te staan. De rechtbank neemt daarbij tevens in overweging dat eerdere afspraken tussen partijen rondom de overdracht en het vervoer van de minderjarigen de afgelopen periode moeizaam zijn verlopen. De onzekerheid en onduidelijkheid die de minderjarigen hierdoor de afgelopen periode hebben ervaren wordt voorkomen indien zij in de echtelijke woning kunnen blijven tot dat de ouders in staat zijn gebleken om, bijvoorbeeld wanneer er meer duidelijkheid is over de toekomstige (verblijf)plaats van de man, in onderling overleg een andere voor de minderjarigen geschikte plek af te spreken. Partijen worden daarbij dan uiteraard ook geacht het vervoer voor de minderjarigen goed te regelen. Ten aanzien van de frequentie en duur van de thans vast te stellen voorlopige zorgregeling zoekt de rechtbank, gelet op de zorgen die er bestaan en de behoefte van met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan structuur en voorspelbaarheid, aansluiting bij de door de Raad ter zitting geadviseerde voorlopige zorgregeling van één vaste dag per week. De rechtbank acht evenals de Raad een regeling met deze frequentie en duur op dit moment de meest passende regeling om de veiligheid van de minderjarigen te waarborgen én de minderjarigen de structuur en regelmaat te bieden die zij, en met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nodig hebben. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen inhoudende dat de man elke zaterdag van ’s morgens 9.00 uur tot ’s avonds 19.00 uur (inclusief avondeten) zorg draagt voor de minderjarigen, zulks in de echtelijke woning en buiten aanwezigheid van de vrouw, tot dat partijen in onderling overleg een andere voor de minderjarigen geschikte plek afspreken. Gelet op de toekenning van het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw betekent dit dat het de man alleen op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur is toegestaan om in de echtelijke woning te verblijven indien dit in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken die hierna wordt vastgesteld noodzakelijk is.
Kinderbijdrage
4.10.
De vrouw heeft verzocht een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen vast te stellen van € 300,= per kind per maand.
4.11.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en betwist de draagkracht te hebben tot het betalen van de verzochte bijdrage.
4.12.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte minderjarigen
4.13.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
4.14.
Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man ten tijde van de samenleving € 2.473,= per maand bedroeg, zoals door de man berekend in de door hem als productie 4 overgelegde berekening.
4.15.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw ten tijde van de samenleving een bruto inkomen had van (afgerond) € 2.460,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. In geschil is tussen partijen of er daarnaast rekening moet worden gehouden met fooiengeld. De man stelt dat de vrouw € 2.730,= netto per jaar aan fooiengeld ontving en nog steeds ontvangt, hetgeen de vrouw betwist. De rechtbank zal, gelet op het feit dat er in deze voorlopige voorzieningenprocedure (slechts) een
ordemaatregel wordt getroffen waarbij diepgaand onderzoek naar de vraag of de vrouw al dan niet structureel fooiengeld ontving c.q. ontvangt niet aan de orde is en - nu de man deze door de vrouw gemotiveerd betwiste stelling niet heeft onderbouwd - geen rekening houden met eventueel door de vrouw te ontvangen fooiengeld. Partijen zijn het erover eens dat voor het overige de door de man overgelegde berekening van het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving kan worden gevolgd. Dit resulteert in een NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving van € 2.529,= per maand.
4.16.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 5.002,= per maand. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Partijen hebben ter zitting verklaard dat het kindgebonden budget op het moment dat partijen uit elkaar gingen
€ 610,= per maand bedroeg. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 5.612,= per maand.
4.17.
Dit NBGI, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.373,= per maand.
Draagkracht onderhoudsplichtigen
4.18.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen
tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht
de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen
tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient
eerst het NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht
wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de
formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI
van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
4.19.
Partijen zijn het erover eens dat voor de draagkracht van de man aansluiting kan worden gezocht bij de door de man als productie 4 overgelegde berekening. Daaruit volgt een NBI van de man van € 2.473,= per maand en een draagkracht van € 256,= per maand.
4.20.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw zijn partijen het er ook over eens dat, behoudens het navolgende, de door de man als productie 4 overgelegde berekening kan worden gevolgd. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat haar inkomen per januari 2026 is gestegen van € 2.460,= bruto per maand naar € 2.521,= bruto per maand, zodat het huidige NBI van de vrouw aan de hand van dit nieuwe hogere inkomen zal worden berekend. Geen rekening zal worden gehouden met fooiengeld. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen zij hierover in r.i. 4.15. heeft overwogen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw thans in aanmerking komt voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 11.773,= op jaarbasis, omdat de kinderen aan haar worden toevertrouwd. Aan de hand van deze uitgangspunten - en voor het overige de door de man als productie 4 overgelegde berekening volgend - becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.576,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 797,= per maand.
4.21.
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen van (€ 256 + € 797 =) € 1.053,= per maand lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen van € 1.373,= per maand.
4.22.
De man heeft één dag per week de zorg voor de minderjarigen, zodat een zorgkorting geldt van 15%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 1.373,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 207,= per maand.
4.23.
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de
behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het
tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de
helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen
bijdrage als volgt wordt berekend: € 256,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 207,=
[bedrag zorgkorting] - € 161,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 210,= per maand
ofwel € 70,= per kind per maand.
4.24.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man met ingang van heden aan
de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen
vaststellen op € 70,= per kind per maand.
Aanhechten berekeningen
4.25.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van
deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel
uit.
Directe werking
4.26.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de vrouw met ingang van 7 april 2026 bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te [plaats 1] , en beveelt de man die woning uiterlijk 6 april 2026 te verlaten en deze verder niet te betreden, behoudens op zaterdagen van ’s morgens 9.00 uur tot ’s avonds 19.00 uur indien dit in het kader van de hierna vastgestelde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken noodzakelijk is;
5.2.
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] ;
5.3.
bepaalt dat de man en voornoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende elke zaterdag van ’s morgens 9.00 uur tot ’s avonds 19.00 uur, welke zorgregeling wordt uitgevoerd in voornoemde echtelijke woning en buiten aanwezigheid van de vrouw, tot dat partijen in onderling overleg een andere voor de minderjarigen geschikte plek afspreken;
5.4.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 70,= per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.