Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3359

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
12094162 VV EXPL 26-13 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming bedrijfspanden wegens huurachterstand en belangenafweging

Eiseressen [eiser 1] en [eiser 2] vorderen in kort geding de ontruiming van twee bedrijfspanden waarin een hotel wordt geëxploiteerd door gedaagde, wegens niet-nakoming van huurbetalingen en oplopende huurachterstanden. De huurachterstanden betreffen zowel eerdere maanden als de maanden na de verstekvonnissen die reeds een betalingsverplichting bevestigden.

Gedaagde voert verweer met onder meer het betwisten van de hoogte van de huurachterstand vanwege een vermeende huurkorting en wijst op gebreken aan de gehuurde panden, die aanleiding zouden geven tot huurprijsvermindering in een bodemprocedure. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de huurkorting juist is toegepast en dat de gebreken niet zijn hersteld, maar dat hierover in kort geding geen definitieve uitspraak kan worden gedaan.

De rechtbank stelt vast dat er te veel onzekerheid bestaat over de uitkomst van een bodemprocedure omtrent de ontbinding van de huurovereenkomsten en de exacte huurachterstand. Daarnaast weegt de rechtbank het belang van gedaagde om de exploitatie van het hotel voort te zetten, zeker met het oog op het toeristenseizoen, zwaarder dan het belang van eiseressen bij onmiddellijke ontruiming.

Daarom worden de vorderingen afgewezen en worden eiseressen veroordeeld in de proceskosten. Dit vonnis is een voorlopig oordeel en laat de definitieve beoordeling over aan een bodemprocedure.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de bedrijfspanden wordt afgewezen vanwege onvoldoende vaststelling van de huurachterstand en een belangenafweging die het voortzetten van de exploitatie van het hotel zwaarder laat wegen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 12094162 VV EXPL 26-13
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

voorheen genaamd
[bedrijf] B.V.,
te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.H.A. van Namen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2026 met producties 1 tot en met 6;
- de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde] ;
- de aantekeningen van de griffier van de op 27 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, inclusief de door mr. Van Namen overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] heeft per 1 april 2024 aan [gedaagde] verhuurd een bedrijfspand aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 4] waarin een hotel is gevestigd. De huurprijs bedraagt € 6.799,27 (inclusief btw) per maand inclusief een voorschot van € 1.140,- voor gas/elektra.
2.2.
[eiser 2] heeft per 1 april 2024 aan [gedaagde] verhuurd een bedrijfspand aan de [adres 3] te [plaats 4] waarin een hotel is gevestigd. De huurprijs bedraagt
€ 2.102,92 (inclusief btw) per maand inclusief een voorschot van € 280,- voor gas/elektra.
2.3.
Bij verstekvonnissen van 5 november 2025 is [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen respectievelijk € 8.396,90 en € 5.402,46 aan huurachterstand en niet betaalde afrekeningen gas/elektra.
2.4.
[gedaagde] heeft de huur over de maanden december 2025, januari 2026 en februari 2026 niet aan [eiser 1] betaald. De huur over de maanden november 2025, december 2025, januari 2026 en februari 2026 heeft [gedaagde] niet aan [eiser 2] voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis samengevat - na vermindering van eis uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van [eiser 1] :
  • [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het pand aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 4] binnen 48 uur na betekening van het vonnis;
  • [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen € 20.397,81 aan huurachterstand en [gedaagde] ook te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen € 6.799,27 per maand aan huur vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de ontruiming;
Ten aanzien van [eiser 2] :
  • [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het pand aan de [adres 3] te [plaats 4] binnen 48 uur na betekening van het vonnis;
  • [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 2] te betalen € 8.411,68 aan huurachterstand en [gedaagde] ook te veroordelen om aan [eiser 2] te betalen € 2.102,92 per maand aan huur vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de ontruiming;
Ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] :
- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de eventueel te maken ontruimingskosten.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] ernstig en structureel tekort schiet in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomsten. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1.
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij zoveel spoed bij die vordering heeft dat de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft te worden afgewacht. Daarnaast dient te worden beoordeeld of de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomsten wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij. In een kortgedingprocedure is geen plaats voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben het spoedeisend belang bij hun vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt. [gedaagde] komt zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomsten niet na en er is sprake van een (oplopende) huurachterstand.
Huurachterstand
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagde] aangevoerd dat [eiser 1] de huurkorting niet heeft toegepast die is opgenomen in artikel 14 van Pro de huurovereenkomst. Volgens [gedaagde] is de gevorderde huurachterstand dan ook te hoog. [eiser 1] stelt weliswaar dat deze huurkorting is verrekend met de huurprijs maar heeft dit standpunt niet nader onderbouwd. De onderliggende huurfacturen zijn niet in het geding gebracht. Omdat de gevorderde huurbedragen over de maanden december 2025 en januari 2026 even hoog zijn, komt niet vast te staan dat [eiser 1] de overeengekomen huurkorting juist heeft toegepast in haar huurprijsberekening. Onduidelijk is dan ook of de hoogte van de gevorderde huurachterstand klopt.
4.4.
Daar komt bij dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat de gehuurde bedrijfspanden gebreken hebben. Hierover is geruime tijd door [gedaagde] geklaagd maar dit heeft niet geleid tot het herstel van de gebreken. Dit laatste wordt door [eiser 1] en [eiser 2] ontkend. Zij stellen dat de onderhoudsklachten zijn verholpen en dit blijkt volgens hen uit het feit dat [gedaagde] de afgelopen maanden niet meer over de gebreken heeft geklaagd. Dit standpunt wordt door de kantonrechter niet gevolgd. In reactie op een e-mail van [gedaagde] van 20 november 2025 met als onderwerp ‘lekkage linnenkamer en hotelkamers’ schrijft [eiser 2] : ‘
Eerst je schuld betalen dan wordt er pas iets gedaan!!’. Uit deze mededeling kan niet de conclusie worden getrokken dat alle gebreken zijn verholpen. [gedaagde] heeft uit dit bericht wel mogen afleiden dat het niet (langer) zinvol was om klachten over gebreken te blijven melden. De gemachtigde van [gedaagde] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat - gelet op de gebreken - een beroep op huurprijsvermindering door [gedaagde] zal worden gedaan in de bodemprocedure.
4.5.
Op dit moment staat dan ook onvoldoende vast dat in een bodemprocedure de thans gevorderde huurachterstand dienovereenkomstig zal worden toegewezen.
Belangenafweging
4.6.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen stelselmatig niet nakomt waardoor de huurachterstand steeds verder zal oplopen. Daarnaast verwachten [eiser 1] en [eiser 2] dat ze - gezien de financiële positie van [gedaagde] - uiteindelijk hun vorderingen niet kunnen incasseren. Om de schade zoveel mogelijk te beperken, hebben [eiser 1] en [eiser 2] belang bij de ontruiming van de bedrijfspanden op korte termijn. Daartegenover staat het belang van [gedaagde] om de exploitatie van het hotel voort te kunnen zetten. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij juist nu, bij de start van het toeristenseizoen meer inkomen kan gaan genereren om zijn financiën op orde te krijgen. Het nu staken van de exploitatie van het hotel zou ervoor zorgen dat [gedaagde] in het geheel geen inkomsten meer heeft en zijn financiële problemen nog groter worden. Ook [eiser 1] en [eiser 2] zijn hier niet bij gebaat. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij voortzetting van de exploitatie van het hotel thans zwaarder weegt dan het belang van [eiser 1] en [eiser 2] bij ontruiming van de bedrijfspanden.
Conclusie
4.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen zorgt ervoor dat er op dit moment te veel onzekerheid bestaat of in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomsten zal worden uitgesproken. Dit betekent dat daar in deze procedure niet op vooruit kan worden gelopen door [gedaagde] al tot ontruiming van de bedrijfspanden te veroordelen. De vorderingen worden dan ook afgewezen.
Proceskosten
4.8.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af;
5.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.