ECLI:NL:RBZWB:2026:3361

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
11874289 RR25-15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • Van Spronssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:261b BWArt. 7:218 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder moet volledige waarborgsom terugbetalen na onterecht inhouden

Partijen sloten een huurovereenkomst voor een appartement van 1 april 2024 tot 31 maart 2026, waarbij de huurder een waarborgsom van €975 betaalde. De huurovereenkomst eindigde voortijdig op 31 juli 2025, waarna de huurder de sleutels inleverde. De verhuurder betaalde slechts de helft van de borg terug, met verwijzing naar vermeende schade aan de wasmachine, bank en andere zaken.

De huurder stelde dat de verhuurder onterecht de helft van de borgsom inhoudt en vorderde het resterende bedrag van €487,50. De verhuurder voerde aan dat de huurder zich niet aan de opleverafspraken had gehouden en dat de borg daarom mocht worden verrekend met de herstelkosten.

De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder de waarborgsom niet mocht verrekenen met schade aan de wasmachine en bank, omdat deze goederen buiten de huurovereenkomst vielen en het gebruik daarvan kosteloos was verstrekt. Daarnaast was er geen beginstaat van het gehuurde opgemaakt, waardoor werd aangenomen dat de staat bij aanvang gelijk was aan die bij oplevering, behalve voor het bevestigingsmateriaal van hondenhekjes. Het inhouden van de helft van de borgsom was niet proportioneel en de verhuurder had de huurder eerst de gelegenheid moeten geven om de restanten te verwijderen.

De kantonrechter veroordeelde de verhuurder tot terugbetaling van het resterende bedrag van €487,50 en tot betaling van de proceskosten van €140.

Uitkomst: De verhuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van €487,50 en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11874289 RR25-15
Vonnis van 18 februari 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats 1]
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats 2]
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij]
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
De regelrechter komt in deze zaak tot het oordeel dat [gedaagde partij] het bedrag van € 487,50 – het resterende bedrag aan waarborgsom – moet terugbetalen. [gedaagde partij] mocht de waarborgsom niet inhouden. Dat [gedaagde partij] de waarborgsom mocht verrekenen met eventuele gebreken aan het gehuurde, is nergens uit gebleken.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 5 september 2025 ontvangen aanvraagformulier met bijlagen 1 tot en met 3;
- het reactieformulier met bijlagen 1 tot en met 3;
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026.
2.2.
Aan het slot van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een huurovereenkomst gesloten voor een appartement aan [adres] in [plaats 2] (hierna: ‘de woning’) voor de duur van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2026. [eisende partij] heeft op 22 maart 2024 een waarborgsom betaald van € 975,00.
3.2.
De huurovereenkomst is geëindigd op 31 juli 2025. [eisende partij] heeft op 23 juli 2025 de sleutels van de woning ingeleverd.
3.3.
[gedaagde partij] heeft [eisende partij] op 27 juli 2025 bericht dat de helft van de borgsom wordt terugbetaald:

Na een grondige inspectie van het appartement was ik onaangenaam verrast, hierbij de lijst van zaken waarvoor ik een gedeelte van je borg houd.
- de binnenkant van het rubber van de wasmachine is zwart van de schimmel
- de toiletbril in de badkamer is kapot
- de douchecabine en wasbak zit vol met kalk
- de bank heeft zwarte vlekken
- er zitten nog zwarte rubbers op de posten afkomstig van de hekjes voor je hond
De vraag is of ik de wasmachine nog gereinigt krijg en aangezien er aanstaande dinsdag foto's gemaakt worden voor de verkoop heb ik een schoonmaakster laten komen. Hierbij laat ik je weten per omgaande de helft van de borg a.d. € 487,50 aan je over te maken.”
3.4.
[gedaagde partij] heeft de helft van de borgsom van € 487,50 op 27 juli 2025 terugbetaald.
3.5.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 15 augustus 2025 een ingebrekestelling gestuurd voor het restant van de borgsom.

4.Het geschil

De vordering
4.1.
[eisende partij] vordert veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 487,50. [eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] de helft van waarborgsom niet mocht inhouden.
Het verweer
4.2.
[gedaagde partij] voert verweer. Volgens [gedaagde partij] mocht hij de helft van de waarborgsom inhouden aangezien [eisende partij] zich niet aan de gemaakte opleverafspraken heeft gehouden, waardoor de wasmachine en het bankstel onherstelbaar zijn beschadigd. Tevens heeft [eisende partij] restanten van hondenhekjes op verschillende deurposten laten zitten, geen melding gedaan van een defecte toiletbril en heeft zij de douchecabine en wastafel in de badkamer niet schoon gehouden. Gedaagde heeft tweemaal de kans gehad om bovengenoemde zaken te herstellen om zo het volledige bedrag van de borg terug te krijgen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 7:261b Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) kan in een huurovereenkomst worden bepaald dat de huurder een waarborgsom is verschuldigd strekkende tot zekerheid van hetgeen in de huurovereenkomst is overeengekomen. In het artikel is bepaald dat de verhuurder de waarborgsom binnen veertien dagen na beëindiging van de huurovereenkomst restitueert, tenzij:
sprake is van schade als bedoeld in artikel 7:218 BW Pro, in welk geval de verhuurder binnen dertig dagen na beëindiging van de huurovereenkomst het restant van de waarborgsom, na verrekening van aantoonbaar gemaakte kosten strekkende tot het herstel van de schade, restitueert;
de huurder de verschuldigde huurprijs, servicekosten of energieprestatievergoeding nog niet heeft voldaan, in welk geval de verhuurder binnen dertig dagen na beëindiging van de huurovereenkomst het restant van de waarborgsom, na verrekening met deze nog door de [eisende partij] verschuldigde kosten, restitueert.
Het artikel bepaalt verder dat de verhuurder de huurder schriftelijk in kennis stelt van een verrekening, waarbij een volledige kostenspecificatie aan de huurder wordt verstrekt.
5.2.
Daarnaast zijn de algemene voorwaarden van toepassing. Artikel 19 van Pro de huurovereenkomst:
Huurder zal het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst aan verhuurder opleveren in de staat zoals beschreven in het proces-verbaal van oplevering, waarbij rekening wordt gehouden met normale slijtage en veroudering.
Partijen zullen tijdig voor het einde van de huurovereenkomst een gezamenlijke voorinspectie uitvoeren. Naar aanleiding hiervan stelt verhuurder de huurder in staat om binnen 2 weken de gebreken die voor rekening van huurder komen, te herstellen.
Na afloop van de periode van 2 weken vindt een gezamenlijke eindinspectie plaats. Deze vindt in ieder geval plaats uiterlijk op de laatste werkdag van de duur van de huurovereenkomst c.q de ontruiming van het gehuurde.
Bij het einde van de huurovereenkomst zal huurder het gehuurde leeg en ontruimd, schoongemaakt en onder afgifte van sleutels opleveren.
Indien huurder niet meewerkt aan de voor- of eindinspectie, kan de verhuurder een eenzijdige inspectie verrichten die bindend is voor de huurder.
Indien huurder de geconstateerde gebreken niet tijdig en volledig heeft hersteld of het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst niet conform de bepaling in lid 4 heeft opgeleverd, is verhuurder gerechtigd deze op kosten van huurder zelf te laten verrichten.
Gebruik van de wasmachine en de bank
5.3.
[gedaagde partij] heeft [eisende partij] het gebruik van de wasmachine en bank om niet verschaft. [eisende partij] mocht deze goederen gebruiken, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond. Het gebruik van deze goederen valt niet onder de huurovereenkomst tussen partijen. [gedaagde partij] kan de waarborgsom dan ook niet verrekenen met eventuele gebreken aan deze goederen.
[gedaagde partij] moet de volledige waarborgsom aan [eisende partij] terugbetalen
5.4.
Het uitgangspunt is dus dat de betaalde waarborgsom na beëindiging van de huurovereenkomst moet worden terugbetaald aan [eisende partij] , tenzij het beroep van [gedaagde partij] op verrekening slaagt. Daarvoor moet eerst worden gekeken of [gedaagde partij] gerechtigd is een deel van de door [eisende partij] betaalde borg te verrekenen met eventuele schade aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:218 BW Pro. Voor beantwoording van deze vraag is onder meer van belang in welke staat [eisende partij] het gehuurde had moeten opleveren.
5.5.
Uit de wet volgt dat een [eisende partij] verplicht is het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst weer ter beschikking van de [gedaagde partij] te stellen. Voor het geval geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt en de staat van het gehuurde bij aanvang van de huur daar dus niet uit volgt, bepaalt de wet dat de [eisende partij] , behoudens tegenbewijs, wordt verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst is. De stelplicht en bewijslast dat de staat van het gehuurde anders was bij aanvang van de huur rust in dat geval op de [gedaagde partij] .
5.6.
Het staat vast dat partijen bij aanvang van de huurovereenkomst geen beschrijving van het gehuurde hebben opgemaakt. Volgens [gedaagde partij] is het appartement netjes opgeleverd, maar partijen hebben de staat van aanvang van de huur niet op de voorgeschreven wijze vastgelegd. Omdat er geen rapport of beginstaat is opgemaakt, kan niet worden vastgesteld dat de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst anders was dan de staat van het gehuurde bij oplevering. Er wordt dan ook aangenomen dat de staat van de toiletbril in de badkamer, de douchecabine en de wasbak bij het einde van de huurovereenkomst hetzelfde was als bij het begin van de huurovereenkomst. Slechts ten aanzien van het bevestigingsmateriaal van de hondenhekjes is vast komen te staan dat deze bij aanvang van de huurovereenkomst niet aanwezig waren.
5.7.
Het verrekeningsverweer van [gedaagde partij] ten aanzien van het bevestigingsmateriaal van de hondenhekjes slaagt niet. Het verwijderen van het bevestigingsmateriaal van de hondenhekjes op de deurposten (welke van rubber zijn en op de deurposten waren vastgeplakt) rechtvaardigt geen verrekening met een gedeelte van de waarborgsom. [gedaagde partij] had [eisende partij] hiervoor eerst in de gelegenheid moeten stellen om deze zelf te verwijderen, alvorens hij eventueel een gedeelte van de waarborgsom kan inhouden. Daarnaast staat het inhouden van de helft van de waarborgsom geenszins in verhouding met het verwijderen van restanten geplakt bevestigingsmateriaal op een aantal deurposten.
5.8.
Op basis van het voorgaande zal de kantonrechter de vordering van [eisende partij] tot betaling van de waarborgsom van € 487,50 toewijzen.
proceskosten
5.9.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- een forfaitair bedrag aan reis-, verblijf- en verletkosten vanwege het verschijnen ter zitting
50,00
Totaal
140,00

6.De beslissing

De kantonrechter als regelrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 487,50,
6.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 140,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u in hoger beroep gaan bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch door een dagvaarding te laten uitbrengen. Dat doet u binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van het vonnis. Voor de hoger beroepsprocedure dient u een advocaat in te schakelen.