Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3364

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/2198
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag over 2006 en 2008 wegens ontbreken vooringenomenheid

Eiser heeft compensatie gevraagd voor de toeslagjaren 2006 en 2008 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat hij meent dat de terugvorderingen niet rechtsgeldig zijn vanwege het ontbreken van initiële voorschotbeschikkingen. De Dienst Toeslagen heeft dit afgewezen, stellende dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheid van overwegende aard.

De rechtbank stelt vast dat hoewel de initiële voorschotbeschikkingen ontbreken, voldoende andere gegevens beschikbaar zijn die gebruikt zijn voor de beoordeling van de toeslagjaren. De Dienst Toeslagen heeft op basis van deze gegevens geoordeeld dat de terugvorderingen het gevolg zijn van reguliere wijzigingen, zoals een hoger toetsingsinkomen en stopzetting van toeslag bij werkloosheid.

Eiser heeft deze gemotiveerde standpunten niet betwist. De rechtbank concludeert daarom dat de Dienst Toeslagen terecht compensatie heeft geweigerd over de jaren 2006 en 2008. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst compensatie over 2006 en 2008 af wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

de Dienst Toeslagen (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie voor de toeslagjaren 2006 en 2008 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2006 en 2008. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft in 2005 kinderopvangtoeslag aangevraagd. Over de jaren 2005 tot en met 2013 is door Belastingdienst/Toeslagen kinderopvangtoeslag toegekend.
2.1.
Eiser heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan eiseres een bedrag van € 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling [1] .
2.2.
Met het besluit van 16 november 2022 ( [kenmerk 1] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie over de toeslagjaren 2005, 2006, 2008 tot en met 2011 en 2013, omdat geen sprake is van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen.
Met een afzonderlijk besluit van 16 november 2022 ( [kenmerk 2] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij over de toeslagjaren 2005, 2006, 2008 tot en met 2011 en 2013 geen aanspraak kan maken op toepassing van de hardheidsregeling. Enkel over het jaar 2013 bestaat aanspraak op een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming.
Met een ander besluit van 16 november 2022 ( [kenmerk 3] ) is aan eiser medegedeeld dat hij over de toeslagjaren 2007 en 2012 recht heeft op compensatie tot een bedrag van € 29.453,- vanwege vooringenomen handelen. Omdat eiser al € 30.000,- heeft ontvangen, volgt geen nabetaling.
Bij besluit van 21 november 2022 ( [kenmerk 4] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij over het toeslagjaar 2013 recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming van € 6.030,-. Omdat eiser al een bedrag van € 547,- heeft ontvangen via de Catshuisregeling, volgt een nabetaling van € 5.483,-.
2.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
2.4.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit III gegrond verklaard en wel in die zin dat eiser over de jaren 2007 en 2012 recht heeft op meer rentevergoeding, immateriële en aanvullende schadevergoeding (1%). Uit de berekening volgt een totaalbedrag aan vergoedingen van € 32.458,-, waardoor eiser een nabetaling van € 2.458,- ontvangt. De bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I, II en IV worden ongegrond verklaard.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens de Dienst Toeslagen mr. V. Huurman en mr. F. van de Kamp.

Standpunt van eiser

3. Eiser voert in beroep aan dat de Dienst Toeslagen hem ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008. Volgens eiser is het ongeloofwaardig dat alle of een aantal toeslagbeschikkingen en (veel) meer documenten, zoals jaaropgaven, over die toeslagjaren niet meer te vinden zijn in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen. Bij gebreke van deze beschikkingen zijn de terugvorderingen niet rechtsgeldig en dient hij hiervoor te worden gecompenseerd. De verwijzing naar de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen, de Sas-overzichten en RKT-bestanden, wat die feitelijk en juridisch bewijsrechtelijk ook mogen betekenen, is te weinig om te concluderen dat hij geen recht heeft op compensatie.
Ter zitting heeft eiser zijn grond over het toeslagjaar 2007 niet langer gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
Heeft eiser recht op compensatie over de toeslagjaren 2006 en 2008?
5.1.
De Dienst Toeslagen heeft stukken overgelegd die zien op de toekenning van (voorschotten) kinderopvangtoeslag en de wijzigingen die hebben plaatsgevonden over de in geschil zijnde toeslagjaren 2006 en 2008. Op basis van deze stukken heeft Dienst Toeslagen beoordeeld of er sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
5.2.
De rechtbank stelt met eiser vast dat de initiële (voorschot)beschikkingen over de door eiser betwiste jaren 2006 en 2008 ontbreken. Uit de wel overgelegde antwoordformulieren van eiser en de uitdraaien uit de computersystemen van de Dienst Toeslagen (RKT-bestanden en Sas-overzichten) blijken echter voldoende gegevens die gebruikt zijn voor en bij totstandkoming van de (voorschot)beschikkingen. Naar het oordeel van de rechtbank mag de Dienst Toeslagen uitgaan van deze wel beschikbare gegevens om te beoordelen of er sprake is van vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel, tenzij eiser deze gegevens gemotiveerd betwist. De enkele stelling van eiser dat de terugvorderingen niet rechtsgeldig zijn omdat de initiële voorschotbeschikkingen ontbreken, is daartoe onvoldoende.
5.3.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat uit de stukken geen aanwijzingen blijken dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over het jaar 2006 heeft stopgezet. De stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 maart 2006 komt overeen met de eigen verklaring van eiser dat hij de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet in de perioden dat hij geen werk had en het ontbreken van inkomsten in de periode van 1 maart tot en met 31 december 2006, zoals uit het RKT-overzicht blijkt.
Uit het door eiser ingevulde antwoordformulier over het toeslagjaar 2008 en de beschikking definitieve berekening blijkt dat de terugvordering over dat jaar het gevolg is van de vaststelling van een hoger toetsingsinkomen dan waarmee bij het voorschot rekening is gehouden. Door dit hogere toetsingsinkomen heeft eiser minder recht op kinderopvangtoeslag.
Daarom was in beide jaren sprake van reguliere wijzigingen.
5.4.
Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen dit gemotiveerde standpunt van de Dienst Toeslagen.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen op basis van de aanwezige stukken heeft kunnen concluderen dat er over de toeslagjaren 2006 en 2008 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geweigerd aan eiser compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2006 en 2008.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen een juist besluit heeft genomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 24 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Stcrt. 2021, 14691