Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3378

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/446474 / JE RK 26-520
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 RvArt. 1:257 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens acuut gevaar

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 25 maart 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van drie maanden. De moeder, die samen met de minderjarige en diens broer in een moeder-kind huis woonde, verliet dit huis tegen afspraken in, ondanks een verbod van de jeugdzorgwerker, en vertrok naar een onbekende locatie. De vader van de minderjarige vertoont gewelddadig gedrag en mishandelde de moeder tijdens haar zwangerschap.

De kinderrechter stelde vast dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd. De fysieke en emotionele veiligheid van de minderjarige is in het geding, mede door het contact van de moeder met de gewelddadige vader. Daarom werd de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een periode van twee weken, met ingang van 25 maart 2026.

De minderjarige wordt geplaatst in een gezinsgerichte voorziening waar ook zijn broer verblijft. Tijdens deze periode wordt de opvoedsituatie onderzocht om te bepalen of terugkeer naar de moeder verantwoord is. De beslissing is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot een zitting waarbij alle betrokkenen worden gehoord. De moeder krijgt kosteloze rechtsbijstand toegewezen.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor twee weken wegens acuut gevaar voor de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446474 / JE RK 26-520
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO HAAGLANDEN,
locatie Den Haag,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2026 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
in de Basisregistratie Personen (BRP) sinds 20 december 2023 opgenomen in de “Registratie Niet Ingezetenen” (RNI) met onbekend adres in het buitenland.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de Raad van 25 maart 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 26 maart 2026.
2.
De feiten
2.1.
De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De kinderrechter gaat er vooralsnog vanuit dat de ouders samen belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De moeder heeft naast [minderjarige 1] nog een andere zoon, genaamd [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats 2] . [minderjarige 2] heeft een andere vader dan [minderjarige 1] . [minderjarige 2] staat onder toezicht van de GI.
2.3.
De moeder woont sinds september 2025 in een moeder-kind huis in [woonplaats] . Zij verblijft daar samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling van het verzoek op zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.2.
Op grond van de door de Raad mondeling gegeven informatie, zoals ook weergegeven in de schriftelijke bevestiging daarvan, stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de behandeling van de verzoeken van de Raad op zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] .
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
Op 25 maart 2026 heeft de moeder aan de jeugdzorgwerker die betrokken is vanuit de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] kenbaar gemaakt dat zij het moeder-kind huis samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaat verlaten en dat zij de nacht gaat doorbrengen bij oma moederszijde. Daarop heeft de jeugdzorgwerker contact opgenomen met oma moederszijde, die heeft aangegeven dat de moeder pas de volgende dag, op 26 maart 2026, naar haar zou komen. Hierdoor was onduidelijk waar de moeder met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de nacht van 25 op 26 maart 2026 zou gaan verblijven. De jeugdzorgwerker heeft de moeder verboden om samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weg te gaan uit het moeder-kind huis vanwege zorgen over hun veiligheid. Bekend is dat de moeder weer contact heeft met de vader van [minderjarige 1] , die gewelddadig gedrag laat zien. De moeder heeft desondanks aangegeven haar eigen plan te trekken, en heeft samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] het moeder-kind huis verlaten. Nadien was onbekend waar de moeder samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verbleef.
4.4.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] acuut en ernstig wordt bedreigd. Er zijn grote zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] bij de moeder en over zijn fysieke en emotionele veiligheid. Door het moeder-kind huis te verlaten, tegen alle afspraken in, handelt de moeder niet in het belang van [minderjarige 1] , waarbij zij [minderjarige 1] bloot stelt aan potentieel gevaar. De moeder staat (weer) in contact met de vader, die bekend is met gewelddadig gedrag en de moeder heeft mishandeld tijdens haar zwangerschap van [minderjarige 1] . Het risico dat [minderjarige 1] opnieuw getuige en/of slachtoffer is van (ernstig) huiselijk geweld is dan ook zeer groot. Dit terwijl [minderjarige 1] als pasgeboren baby zeer kwetsbaar is en volledig afhankelijk is van zijn verzorgers. Daar kan en mag geen enkel risico mee worden genomen. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] weg te nemen. [minderjarige 1] zal daarom op grond van artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) voorlopig onder toezicht worden gesteld van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, te weten met ingang van 25 maart 2026 tot 8 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
4.5.
Ook is het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige 1] in het belang van zijn verzorging en opvoeding met spoed uit huis wordt geplaatst (artikel 1:265b lid 1 BW) zodat direct in zijn veiligheid wordt voorzien. [minderjarige 1] kan vooralsnog terecht in het gezinshuis waar zijn broer [minderjarige 2] langere tijd heeft verbleven. Belangrijk is dat tijdens het verblijf van [minderjarige 1] in dit gezinshuis meer zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige 1] bij de moeder en dat onderzocht wordt wat er nodig is om [minderjarige 1] veilig en verantwoord bij de moeder terug te laten keren of dat een plaatsing van [minderjarige 1] elders meer in zijn belang moet worden geacht. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening zal eveneens worden verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 25 maart 2026 tot 8 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
4.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.7.
Verdere beslissingen op de verzoeken van de Raad zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden. Daarbij behoudt de kinderrechter zich iedere verdere beslissing voor. De Raad, de moeder, de vader en de GI worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zitting.
4.8.
Op basis van de pilot kosteloze rechtsbijstand zal aan de moeder een advocaat worden toegewezen om aan haar rechtsbijstand te verlenen voor de verzoeken van de Raad.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 25 maart 2026 tot 8 april 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 25 maart 2026 tot 8 april 2026;
5.3.
verklaart de beslissing tot uithuisplaatsing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van de verzoeken van de Raad voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de moeder, de vader en de GI op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10 te Breda op
[datum] 2026 om [uur] bij mr. De Jong, teneinde te worden gehoord;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de Raad, de moeder en de GI. Verder wordt bepaald dat de vader, vanwege een onbekende woon- en verblijfplaats, een aparte oproep/bericht voor die zitting dient te krijgen;
5.7.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven op 25 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en schriftelijk vastgelegd in deze beschikking en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.