Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3381

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/443624 FA RK 26-19
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen en hulpverlening bij scheiding met toewijzing zorg en alimentatie

In deze zaak verzoekt de vrouw voorlopige voorzieningen in het kader van haar echtscheiding, waaronder de toevertrouwing van de minderjarige kinderen aan haar, het exclusieve gebruik van de echtelijke woning, en vaststelling van alimentatie voor haarzelf en de kinderen. De man verzet zich tegen enkele verzoeken en vraagt om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar zorg- en contactregelingen.

De rechtbank wijst de toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw toe en bepaalt dat zij met ingang van 5 maart 2026 het exclusieve gebruik van de woning krijgt. De man moet de woning verlaten. De rechtbank benadrukt het belang van een spoedige en intensieve hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA) traject, waarbij de kinderen en ouders worden begeleid, met speciale aandacht voor het herstellen van contact tussen de man en de kinderen.

Financieel stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen vast op € 850 per maand per kind en berekent de draagkracht van partijen, waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen uit aanmerkelijk belang van de man. De man wordt veroordeeld tot betaling van € 717 per maand per kind aan kinderalimentatie en € 5.000 per maand aan partneralimentatie. De rechtbank wijst het overige verzoek af en legt een procedure op voor het vervolgtraject, waarbij rapportages en mogelijke onderzoeken door de Raad worden betrokken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorzieningen toe, kent de vrouw de zorg en exclusief gebruik van de woning toe, stelt alimentatie vast en verwijst partijen naar een hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443624 FA RK 26-19
25 maart 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
feitelijk verblijvende op een geheime locatie,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R.M. van Breemen,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.H.J. Plass.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 3 januari 2026 van de vrouw ontvangen verzoekschrift, aangepast op 7 januari 2026, met bijlagen;
- het op 13 februari 2026 van de man ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van Breemen van 13 februari 2026 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van Breemen van 14 februari 2026 met bijlage.
1.2 Zoals op zitting aan partijen is medegedeeld, slaat de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure geen acht op de op 18 februari 2026 door beide partijen ingediende stukken, omdat deze niet uiterlijk drie werkdagen voor de zitting zijn ingediend.
1.3 De zaak is behandeld op de zitting van 19 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was, via een Teamsverbinding, aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

2.De verzoeken

2.1
De vrouw verzoekt, samengevat,:
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar;
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 850,= per maand per kind;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 5.000,= per maand.
2.2
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt, samengevat,:
- te bepalen dat de Raad onderzoek doet naar de (on)mogelijkheden voor een zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3.De beoordeling

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats] .
Toevertrouwing van de minderjarigen en uitsluitend gebruik woning
3.2
De vrouw verzoekt toevertrouwing van de minderjarigen aan haar. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank acht toevertrouwing aan de vrouw in het belang van de minderjarigen en zal het verzoek van de vrouw toewijzen.
3.3
De man is tijdens de zitting bereid gebleken om de vrouw samen met de kinderen het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te verschaffen, met ingang van 5 maart 2026. De rechtbank beslist overeenkomstig.
Voorlopige zorg- en contactregeling
3.4
De vrouw en de kinderen verblijven sinds 4 november 2025 op een geheime locatie van de Veilige Opvang. Aanvankelijk was “code rood” van toepassing, wat inhoudt dat zij zich niet buiten de opvang mogen begeven. Sinds begin december is dit afgeschaald naar “code oranje”. De veiligheidsmaatregelen rondom de vrouw en de kinderen zijn gebaseerd op meldingen die de vrouw heeft gedaan over geweld van de man tijdens de huwelijkse samenleving van partijen, met name gericht tegen haar en [minderjarige 1] . Veilig Thuis heeft met partijen gesproken en heeft de casus overgedragen aan het zorgloket [woonplaats] , met de volgende opdracht:
- regierol
- toezien op naleven veiligheidsvoorwaarden
- inzet hulpverlening
- zicht houden op gezin
- opstellen veiligheidsplan.
3.5
De rechtbank heeft tijdens de zitting van partijen begrepen dat er vanuit het zorgloket [woonplaats] nog geen of nauwelijks actieve bemoeienis is met het gezin. Louter vanuit de Veilige Opvang wordt ondersteuning geboden aan de vrouw en de kinderen. Zeker met het oog op de overgang van de vrouw en de kinderen vanuit de Veilige Opvang terug naar de echtelijke woning onderstreept de rechtbank het belang van spoedige actieve betrokkenheid van het zorgloket [woonplaats] bij dit gezin. Naast de door Veilig Thuis genoemde doelstellingen dient het zorgloket er zorg voor te dragen dat de benodigde hulpverlening voor partijen en hun kinderen zo spoedig mogelijk wordt ingezet. Een belangrijk onderdeel daarvan is hulpverlening aan de kinderen bij het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt en begeleiding van contactherstel van de kinderen met hun vader.
3.6
De rechtbank ziet aanwijzingen in het dossier dat er bij [minderjarige 1] op dit moment geen ruimte is voor fysiek contact met de man. Dat is anders voor [minderjarige 2] . Hij is half februari jongstleden met zijn vader gaan karten. De rechtbank acht het van belang dat er continuïteit zit in de contacten tussen [minderjarige 2] en de man, dat er een regiehouder is die daar de verantwoordelijkheid in pakt en die partijen en [minderjarige 2] daarin begeleidt en ondersteunt. Op basis van hoe de situatie nu is en gelet op de ingewikkeldheid van de situatie is het een voorwaarde dat de hulpverlening betrokken is bij een verantwoorde wijze van contact tussen de man en de kinderen en dat de frequentie en duur van de contactmomenten onder de regie van de hulpverlening worden bepaald, waarbij de draagkracht en behoefte van de kinderen leidend zijn.
3.7
Het voorgaande maakt dat de rechtbank nu niet een voorlopige zorgregeling zal bepalen. Eerst is de hulpverlening aan zet. Zoals tijdens de zitting ook is besproken en door de Raad is geadviseerd, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de aan partijen te verlenen hulpverlening wordt ingezet via het traject Uniform Hulpaanbod (UHA). Partijen zijn al bekend bij het zorgloket [woonplaats] . Met de verwijzing naar het UHA-traject wil de rechtbank de noodzaak van snelle en intensieve betrokkenheid van hulpverlening bij alle leden van dit gezin onderstrepen. Zoals namens de Raad tijdens de zitting ook naar voren is gebracht, dient dringend hulpverlening te worden ingezet. Met de Raad stelt de rechtbank vast dat er weliswaar een veiligheidsplan vanuit Veilige Opvang ligt, maar dat ook vanuit de scheiding hulpverlening nodig is. [minderjarige 1] heeft hierbij een kindbehartiger nodig. Met [minderjarige 2] gaat het wat beter, maar de omgang met vader moet op een veilige manier worden geregeld, wellicht via het netwerk. Hulpverlening is nodig om het contact tussen de man en [minderjarige 1] te herstellen. Mogelijk moeten er ook gesprekken plaatsvinden in verband met de aangifte van [minderjarige 1] tegen de man. Een onderdeel van de hulpverlening moet ook zijn gericht op de vraag wat partijen nog kunnen bereiken in hun ouderschap na de scheiding. De verwachting is dat wordt ingezet op traject gericht op een solo parallel ouderschap, vanwege de voorgeschiedenis van partijen. De Raad heeft ook opgemerkt dat, in verband met de signalen die er zijn over dwingende controle, het voorstelbaar is dat de hulpverlening de MASIC bij partijen gaat afnemen, om beter zicht te krijgen op hoe ouders de dynamiek in hun relatie hebben beleefd. Verder heeft de Raad aangegeven dat het belangrijk is dat deze ouders naar een hulpverlener gaan met een breed aanbod, die kan inzetten op zowel hulp aan de kinderen als aan de ouders, met een achtergrond en kennis van veiligheidsaspecten.
3.8
Partijen hebben tijdens de zitting ingestemd met een verwijzing naar het UHA-traject. Onderdeel hiervan is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om onderzoek te doen, zoals hierna opgenomen. De rechtbank schaart zich achter de visie van de Raad dat het nu aan partijen en de hulpverlening is om aan de slag te gaan en stappen te zetten; daarom wordt een raadsonderzoek op dit moment niet opportuun geacht. Als de geformuleerde doelen in het hulptraject niet worden behaald, zal de Raad beoordelen of onderzoek noodzakelijk is waarbij de Raad zo nodig het onderzoek kan uitbreiden naar een zogenaamd beschermingsonderzoek.
3.9
Het voorgaande brengt mee dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
UHA
3.1
Gezien het voorgaande zal de rechtbank partijen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 26 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
3.11
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund.
3.12
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen; (zware/systeemgerichte interventie);
- de kinderen en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst, die is meegezonden met het verwijzingsformulier.
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
3.13
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd.
Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van negen maanden aangehouden.
Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA-rapportage op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Ter zitting is besproken dat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw of de man (tijdig) een bodemprocedure zal starten.
3.14
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
3.15
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
3.16
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
3.17
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
3.18
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
3.19
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
3.2
De rechtbank verzoekt de vrouw dan wel de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding:
UHA in VV-procedure met zaaknummer C/02/443624 FA RK 26-19.
3.21
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Alimentatie
3.22
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
3.23
De rechtbank stelt voorop dat deze procedure slechts beoogt om op korte termijn een aantal naar hun aard tijdelijke ordemaatregelen te treffen, met als doel het scheppen van duidelijkheid en rust gedurende de echtscheidingsprocedure. Deze procedure leent zich dan ook niet voor diepgaand onderzoek naar de geschilpunten.
Kinderalimentatie
Behoefte
3.24
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarigen rond de € 850,= per maand per kind bedraagt. De rechtbank zal van voornoemd bedrag uitgaan.
3.25
Het aandeel van partijen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht vrouw
3.26
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
3.27
De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties uit haar dienstverband bij het [bedrijf] een inkomen van € 1.545,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt de vrouw een salaris uit de onderneming van de man van € 945,= bruto per maand inclusief vakantietoeslag. De man heeft op zitting toegezegd dat het loon van de vrouw uit haar dienstverband bij zijn onderneming zal worden doorbetaald, in ieder geval gedurende de echtscheidingsprocedure, waarbij de vrouw is vrijgesteld van de verplichting tot het verrichten van arbeid. De rechtbank houdt daarom ook met dit inkomen rekening bij de bepaling van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw.
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde pensioenpremie bij [bedrijf] , heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Daarnaast komt de vrouw met haar inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 10.024,= op jaarbasis.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 3.130,= per maand.
3.28
De rechtbank houdt geen rekening met een bedrag aan woonbudget, omdat de vrouw geen woonlasten heeft, zoals ter zitting is besproken. De man draagt zorg voor de betaling van de lasten verbonden aan de echtelijke woning.
3.29
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.236,= per maand.
Draagkracht man
3.3
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
3.31
De man is directeur-grootaandeelhouder van [B.V.] Hij geniet volgens de salarisspecificaties een salaris van € 7.500,= bruto per maand inclusief vakantietoeslag.
3.32
De man heeft aangevoerd dat daarnaast, voor de bepaling van zijn inkomen, rekening kan worden gehouden met een dividenduitkering van € 37.877,= bruto per jaar. Dit is wat de man betreft in overeenstemming met de uitkeringen die in de afgelopen jaren zijn gedaan.
De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de man de volledige winst na vennootschapsbelasting die wordt gerealiseerd in de holding aan zich kan laten uitkeren. Gelet op de winst in de holding in de boekjaren 2023 en 2024 kan de man, volgens de vrouw, zich een inkomen uit aanmerkelijk belang toekennen van € 764.473,= per jaar.
3.33
De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening kan worden gehouden met een inkomen uit aanmerkelijk belang, gebaseerd op wat de man in redelijkheid aan dividend aan zich kan laten uitkeren, zonder de onderneming in gevaar te brengen en met de waarborg dat er voldoende financiële reserves in de vennootschap beschikbaar blijven. In het kader van deze procedure is het onderzoek daarnaar uitermate beperkt. De hoogte van de winst en de aanzienlijke financiële reserves van de holding zoals die blijven uit de jaarstukken van 2023 en 2024 rechtvaardigen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dat de man een hogere jaarlijkse dividenduitkering kan uitkeren dan het door hem gestelde bedrag van € 37.877,=. De rechtbank ziet in die stukken aanwijzingen dat er feitelijk ook een hoger bedrag (aan dividend) aan de vennootschap werd onttrokken in de afgelopen jaren. Voor de bepaling van de hoogte van het inkomen uit aanmerkelijk belang baseert de rechtbank zich op de jaarrekening van 2024, de meest recente jaarrekening die de man in het geding heeft gebracht. In dat jaar is de rekening courant-vordering van de vennootschap op de man met ongeveer € 175.000,= toegenomen, deels door overschrijving van gelden vanaf de bankrekening van de vennootschap naar de en/of-rekening van partijen en deels doordat privé uitgaven van partijen door de holding zijn betaald. Uit de stukken leidt de rechtbank verder af dat in 2025 een bedrag van € 197.000,= vanuit de holding naar privé is gevloeid, naast het salaris. Op basis van voorgaande gegevens is de rechtbank van oordeel dat de man geacht kan worden een inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 185.000,= bruto per jaar te genereren.
3.34
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskorting (arbeidskorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
3.35
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op € 15.549,= per maand.
3.36
De man heeft op de zitting de toezegging gedaan dat hij alle lasten van de echtelijke woning voorlopig blijft voldoen. Hij heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met deze lasten en daarnaast met het woonbudget. Naar de man ter zitting heeft gesteld, betaalt hij € 1.300,= bruto per maand aan hypotheekrente. Gelet op de hoogte van het woonbudget, zijnde € 4.665,= per maand, wordt de man in staat geacht om uit dit bedrag zowel de woonlasten van de echtelijke woning als zijn eigen vervangende woonruimte te bekostigen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om met een hoger bedrag dan het woonbudget nog rekening te houden.
3.37
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 6.663,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.38
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van partijen brengt mee dat de man met € 717,= per maand per kind en de vrouw met € 133,= per maand per kind moet bijdragen in de hiervoor genoemde behoefte van de minderjarigen.
3.39
De rechtbank houdt geen rekening met zorgkorting, omdat er op dit moment geen contact is tussen de man en de kinderen.
3.4
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage vaststellen op € 717,= per maand per kind.
Partneralimentatie
Behoefte
3.41
Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
3.42
De vrouw heeft ter zitting gesteld dat het NBGI € 53.411,= per maand bedraagt.
De man is uitgegaan van een NBGI van € 9.322,= per maand, bestaande uit zijn NBI van € 7.090,= per maand en een NBI van de vrouw van € 2.232,= per maand.
3.43
De rechtbank stelt vast dat het door de vrouw genoemde NBGI niet blijkt uit de stukken. Ook de man heeft geen volledige openheid van zaken en duidelijkheid gegeven over het NBGI. De rechtbank kan in het kader van deze zaak geen diepgaand onderzoek doen naar het NBGI en overweegt als volgt.
De vrouw heeft en had een salaris van ongeveer € 1.100,= netto per maand bij [bedrijf] . Het totale netto salaris van de man en vrouw samen uit de onderneming bedraagt afgerond € 60.000,= per jaar (randnummer 39 in het verweerschrift van de man), dus € 5.000,= per maand. Daarnaast zijn er gelden van de onderneming naar privé gevloeid, de rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen in rechtsoverweging 3.33 is overwogen.
De aanvankelijke stelling van de vrouw in haar verzoekschrift, waarin zij is uitgegaan van een geschat NBGI van € 16.000,= per maand, acht de rechtbank in het licht van de tot nu toe beschikbare informatie niet onaannemelijk. Daarom zal de rechtbank daarvan uitgaan.
3.44
Rekening houdend met de kosten van de minderjarigen van in totaal € 1.700,= per maand bedraagt het aandeel van de vrouw in genoemd netto gezinsinkomen de helft van het resterende bedrag van € 14.300,=, zijnde € 7.150,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 8.580,= netto per maand.
3.45
Om te bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen.
De rechtbank gaat hierbij uit van de onder rechtsoverweging 3.27 vermelde gegevens, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget.
Het NBI van de vrouw bedraagt dan € 2.294,= per maand.
De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI, aldus € 6.286,= netto per maand.
3.46
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van de minderjarigen, de verzochte bijdrage van € 5.000,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Het fiscale voordeel dat de man realiseert door het betalen van partneralimentatie is in die bijdrage verdisconteerd. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.
3.47
Een gescand exemplaar van de door de rechtbank gemaakte berekeningen is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats] ;
4.2
bepaalt dat de vrouw met ingang van 5 maart 2026 bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] te [woonplaats] , en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
4.3
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
4.4
verzoekt het loket om uiterlijk op 1 december 2026
pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken
bodemprocedurede rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
4.5
verzoekt de vrouw dan wel de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van het UHA door middel van vermelding “
UHA in VV met zaaknummer C/02/443624 FA RK 26-19”;
4.6
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
4.7
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
4.8
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.17 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
4.9
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
4.1
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 717,= (zevenhonderdzeventien euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.11
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 5.000,= (vijf duizend euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.12
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.