Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3382

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/444989 / JE RK 26-253
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen wegens onbereikbaarheid vader en aanhoudende zorgen

De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2016, vanwege aanhoudende zorgen over de vader. De vader is onbereikbaar, komt regelmatig te laat of niet opdagen bij omgangsafspraken en kan zijn problematiek niet aanpakken. De kinderen wonen bij hun moeder, die samen met de GI een goede werkrelatie onderhoudt.

Tijdens de zitting met gesloten deuren op 25 maart 2026 sprak de kinderrechter met de kinderen, die aangaven dat het goed met hen gaat, maar zij wensen meer contact met hun vader. De moeder stemt in met de verlenging omdat de ondertoezichtstelling haar ondersteunt in de omgang met de kinderen en het contact met de vader, dat stress veroorzaakt bij de kinderen.

De kinderrechter concludeert dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, mede door de verslechterde situatie van de vader en zijn onbereikbaarheid. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd van 4 april 2026 tot 4 april 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd met een jaar vanwege de verslechterde situatie van de vader en aanhoudende zorgen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444989 / JE RK 26-253
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft de kinderen naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
Zij wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2025 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 4 april 2025 tot 4 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. De GI heeft het contact tussen de kinderen en de vader kunnen herstellen. Momenteel is er één keer per maand gedurende één uur semi-begeleide omgang tussen de man en de kinderen op een kantoor van de GI. De GI is bij de start van de omgang aanwezig en sluit de omgang af. De persoonlijke situatie van de vader is de afgelopen periode verslechterd. Hij lijkt zijn eigen problematiek niet te kunnen of willen aanpakken. Hij komt daarnaast regelmatig te laat bij afspraken, vergeet de omgang weleens of de omgang kan door zijn persoonlijke omstandigheden niet doorgaan. Ook is de vader niet bereikbaar. Hij kan niet bellen of gebeld worden, kan niet bij zijn e-mail en haalt regelmatig zijn post niet op. Hierdoor kan er geen communicatie zijn tussen hem en de GI en tussen de ouders, mede omdat de moeder niet weet waar de vader verblijft, en mist de vader belangrijke afspraken. De kinderen willen graag meer contact met de vader, echter lukt dit de vader niet. Inmiddels heeft [minderjarige 1] persoonlijke hulpverlening vanuit [kinderpsycholoog] . Daarnaast is [minderjarige 2] aangemeld bij [logopedist] , welke in februari 2026 zou starten. Inmiddels heeft de intake al plaatsgevonden. De GI acht het nodig om de ondertoezichtstelling met een jaar te verlengen, ook in afwachting van de procedure over het verzoek van de moeder tot verkrijging van het eenhoofdig gezag. De GI wil het komende jaar kijken met de moeder wat er haalbaar is in het contact tussen de kinderen en de vader. Een gedwongen kader is noodzakelijk zolang de vader onbereikbaar blijft en zijn gezag niet kan uitoefenen. Tussen de moeder en de GI is sprake van een goede werkrelatie.
4.2.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verteld dat het nog steeds goed met hem gaat. Het gaat ook goed op school. Hij heeft goed contact met de GI en met de vader. [minderjarige 2] wil graag meer contact met de vader, het liefst in de loods, zijnde de voormalige werkplaats van de vader waar kozijnen worden gemaakt. [minderjarige 2] weet inmiddels wel dat dat niet kan, omdat de vader daar niet mag komen. Verder wil [minderjarige 2] dat het contact met de GI doorgaat. [minderjarige 2] vindt het goed als de ondertoezichtstelling wordt verlengd.
4.3.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] verteld dat het ook met hem goed gaat. Ook op school gaat het goed. Het contact met de vader verloopt goed, maar [minderjarige 1] vindt één keer in de maand één uur onvoldoende. Het liefst zou hij meer contact willen. De tijd die hij heeft met de vader is namelijk zo voorbij. In welke vorm hij het contact uit zou willen breiden, weet hij echter niet. Verder vindt [minderjarige 1] het goed dat de GI betrokken blijft en is het wat hem betreft prima als de ondertoezichtstelling wordt verlengd. [minderjarige 1] heeft namelijk goed contact met de jeugdbeschermer van de GI en weet dat hij deze hulpverlener altijd kan bellen.
4.4.
De moeder stemt in met het verzoek van de GI. Een verlenging is prettig, omdat de moeder vanuit de ondertoezichtstelling veel hulp krijgt. Zo wordt zij ondersteund om te leren om te gaan met de kinderen rondom hun wens in het contact met de vader. De moeder wil dat de kinderen de vader blijven zien, echter niet ten koste van hun emotionele gesteldheid. De kinderen weten vooraf niet of de vader naar de omgang komt en de moeder ziet dat dat de kinderen stress geeft. De moeder vindt het fijn dat de kinderen weten dat zij geen contact met de vader in de loods mogen hebben. Verder geeft de moeder aan dat zij enkel contact heeft met de vader bij de omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen. De moeder weet namelijk niet hoe zijzelf de vader moet bereiken. Zijn verblijfplaats is haar niet bekend. De situatie is sinds de vorige zitting niet in positieve zin veranderd.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Hij legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat wat de kinderrechter in zijn vorige beschikking van 27 februari 2025 heeft overwogen over de gronden waarom de ondertoezichtstelling toen moest worden verlengd nog steeds actueel is. Die gronden worden hier daarom als herhaald en overgenomen beschouwd. De persoonlijke situatie van de vader is in de afgelopen periode zelfs verslechterd. Nog steeds lukt het hem niet om zijn eigen problematiek aan te pakken en zich te houden aan de afspraken rondom de omgang met de kinderen. Ook is de vader niet bereikbaar voor onder meer de GI en de moeder. Zelfs zijn brieven haalt hij van zijn postadres niet tijdig op. Tevens is het steeds onzeker of de vader tijdens zijn afgesproken omgangsmomenten met de kinderen zal verschijnen. Mede hierdoor kan de omgang tot nu toe niet verder worden uitgebreid, in tegenstelling tot de wens van de kinderen. Voor hen is inmiddels persoonlijke hulpverlening ingezet. [minderjarige 1] krijgt hulpverlening vanuit [praktijk] en bij [minderjarige 2] is een start gemaakt bij [logopedist] . Het is positief dat het goed lijkt te gaan met de kinderen zelf, ondanks de voorgenoemde zorgen rondom de vader. Een ondertoezichtstelling is ook nu nog nodig, gelet op de aanhoudende zorgen en het feit dat de vader onbereikbaar blijft voor de GI, de hulpverlening en de moeder. Duidelijk is dat een terugkeer naar het vrijwillig kader op dit moment niet tot de mogelijkheden behoort.
5.3.
Dit brengt met zich dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen nog steeds aanwezig zijn. De kinderrechter zal hun ondertoezichtstelling daarom, in hun belang, verlengen voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.