Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3384

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/436708 / FA RK 25-3126
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:327 BWArt. 1:334 BWArt. 2 Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging pleegoudervoogdij en benoeming gecertificeerde instelling tot voogdes

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 25 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van de voogdij van de heer pleegvader over twee minderjarigen, geboren in 2009 en 2013. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de beëindiging van deze voogdij en de benoeming van de gecertificeerde instelling (GI) Jeugdbescherming West Zeeland tot nieuwe voogdes.

De feiten tonen aan dat de minderjarigen al geruime tijd onder toezicht staan en dat de voogd niet meer in staat is de voogdij op een juiste wijze uit te oefenen. Er is geen contact meer tussen de voogd en de minderjarigen, noch met de pleegouders, en de situatie leidt tot ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. De minderjarigen en overige betrokkenen, waaronder de pleegouders en ouders, steunen het verzoek tot beëindiging.

De rechtbank oordeelt dat de voogd niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid kan dragen en dat het belang van de minderjarigen gediend is met beëindiging van de voogdij. De GI wordt benoemd tot voogdes om continuïteit en stabiliteit te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de voogdij van de pleegvader wordt per direct beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de voogdij van de pleegvader en benoemt de gecertificeerde instelling tot nieuwe voogdes over de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436708 / FA RK 25-3126
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking over beëindiging voogdij en benoeming voogdes
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
verzoeker,
hierna te noemen: de Raad
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2],
.
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de voogd] ,
hierna te noemen: de voogd,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de partner van de pleegvader],
hierna te noemen: de partner van de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder, en
[de vader], hierna te noemen: de vader, tezamen te noemen: de ouders,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 juni 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de pleegvader en zijn partner;
- de pleegmoeder;
- de ouders;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De voogd is niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij op juiste wijze is opgeroepen.
1.3.
Gelijktijdig is behandeld het verzoekschrift van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (zaaknummer C/02/445576 / JE RK 26-352). In die zaak is bij afzonderlijke beschikking beslist.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover op 24 maart 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 31 december 2010 is [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2010 en tot 11 februari 2011.
2.2.
Op 29 november 2013 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 11 februari 2013 en tot 11 februari 2014.
2.3.
Op 18 september 2013 zijn de ouders ontheven van het gezag over [minderjarige 1] en is de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] . Bij beschikking van 25 november 2015 is de voogdij over [minderjarige 1] overgedragen aan [de voogd] en [persoon] .
2.4.
Op 30 september 2011 is [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 september 2014 en tot 30 september 2015. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 20 september 2016 met ingang van 30 september 2016 en tot 30 september 2017.
2.5.
Op 28 maart 2017 is de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige 2] . Op dezelfde datum zijn [de voogd] en [persoon] benoemd tot voogd over [minderjarige 2] .
2.6.
Mevrouw [persoon] (voorheen de voogdes) is overleden.
2.7.
Bij beschikking van 17 oktober 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 oktober 2024. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders [de pleegmoeder] en [de pleegvader] , verleend met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024.
2.8.
Bij beschikking van 21 maart 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders [de pleegmoeder] en [de pleegvader] , verlengd met ingang van 17 april 2024 en tot 17 oktober 2024.
2.9.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de netwerkvoorziening voor pleegzorg als beschreven in rechtsoverweging 5.3. van die beschikking verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 oktober 2025.
2.10.
Bij beschikking van 15 oktober 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de netwerkvoorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 april 2026.
2.11.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij pleegvader en zijn partner.

3.De verzoeken

3.1.
De Raad verzoekt de voogdij van (voormalig) pleegvader, de heer [de voogd] over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te beëindigen en de GI tot voogdes te benoemen. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft op basis van een verricht onderzoek in zijn rapport van 6 juni 2025 (samengevat) geconcludeerd dat beëindiging van de voogdij van de heer [de voogd] noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De voogd is niet meer in staat om de voogdij op een juiste wijze uit te oefenen. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij beiden een belast verleden hebben en inmiddels, ook in binnen het perspectiefbiedende (voormalige) pleeggezin veel hebben meegemaakt, waardoor het hen minder goed lukt aan ontwikkelingstaken toe te komen. Zij hebben geen ruimte meer voor onrust en onduidelijkheid over hun perspectief en met betrekking tot beslissingen die over hen gemaakt moeten worden. Er is geen contact (meer) tussen de voogd en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en evenmin is er contact tussen de voogd en pleegvader, zijn partner, en pleegmoeder. Samenwerking lijkt tot op heden nog verre van mogelijk. De voogd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen een voor hen aanvaardbare termijn te dragen, doordat er al geruime tijd geen contact is en de mogelijkheid tot contactherstel of constructieve samenwerking in het belang van beide kinderen niet in zicht lijkt te zijn. Dit wordt door de voogd ook erkend. De hulpverlening die de afgelopen jaren is ingezet heeft niet tot de gewenste verandering geleid. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen het niet aan nog langer af te wachten en in onzekerheid en vooral onrust te verkeren als het gaat om beslissingen die over hen gemaakt dienen te worden.
4.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tijdens het gesprek met de kinderrechter afzonderlijk van elkaar verklaard dat zij instemmen met het verzoek van de Raad. Ze hebben geen contact meer met de voogd en willen graag dat er zonder gedoe snel beslissingen over hen kunnen worden genomen.
4.3.
De pleegvader, zijn partner en de pleegmoeder hebben ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. Ook de ouders hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat zij achter het verzoek van de Raad staan.
4.4.
De voogd is niet ter zitting verschenen. Uit voornoemd raadsrapport volgt dat hij van mening is dat het goed is dat hij niet langer de voogd is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij is erg moe van de strijd die inmiddels al jaren speelt. Hij gunt de kinderen een hele goede toekomst en hoopt dat er wat rust ontstaat als hij geen voogd meer is.
4.5.
De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader;
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:327 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechtbank de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn; of
de voogd het gezag misbruikt; of
niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van Pro de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.
5.2.
Op grond van het bepaalde van artikel 1:334 lid 1 BW Pro voorziet de rechtbank, indien zij de beëindiging van de voogdij uitspreekt, tevens in het gezag, behoudens het bepaalde in het derde lid.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd, en dat de voogd niet binnen de aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan dragen. De kinderrechter overweegt hiertoe dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels al diverse ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt in hun leven, waaronder de uithuisplaatsing, het overlijden van pleegmoeder en pleegbroer, en de overplaatsing naar pleegvader en zijn partner. Dit betekent dat zij om die reden al meer dan gemiddeld behoefte hebben aan voorspelbaarheid, stabiliteit en aan de beschikbaarheid van een stabiele opvoeder, om deze gebeurtenissen te kunnen verwerken. De huidige situatie waarin geen contact is met de voogd maar hij wel dingen moet regelen voor de kinderen, geeft hen spanning en onrust waardoor zij onvoldoende gelegenheid krijgen zich volledig op eigen ontwikkeling en verwerking van het verleden te kunnen richten. Deze situatie duurt al (te) lang en ondanks de inzet van (gedwongen) hulpverlening is het niet gelukt de situatie te veranderen. Gelet op deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om het – onweersproken – verzoek van de Raad toe te wijzen en de voogdij van de voogd de heer [de voogd] over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen.
5.4.
Omdat de beëindiging van de voogdij ertoe zal leiden dat er een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt te ontbreken, zal de kinderrechter op grond van artikel 1:334 lid 1 BW Pro een voogd over hen benoemen. De rechtbank is van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich te nemen. Mede gelet op de instemming van de overige belanghebbenden zal daarom de GI tot voogdes worden benoemd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beëindigt met ingang van heden de pleegoudervoogdij van de heer [de voogd] over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
6.2.
benoemt Jeugdbescherming west Zeeland locatie Middelburg tot voogdes over genoemde minderjarigen;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.