Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3386

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/445158 / JE RK 26-274
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens blijvende ontwikkelingsbedreiging en moeizame samenwerking ouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2018 en 2022. De minderjarigen zijn erkend door de vader en staan onder gezamenlijk gezag van beide ouders, waarbij zij gescheiden wonen. De eerdere ondertoezichtstelling liep van 27 maart 2025 tot 27 maart 2026.

De gecertificeerde instelling stelt dat ondanks de inzet en liefde van de ouders, de minderjarigen nog steeds te maken hebben met spanningen en communicatieproblemen tussen de ouders, wat hun ontwikkeling bedreigt. De ouders zijn niet altijd in staat om de noodzakelijke zorg en hulpverlening zelfstandig te dragen en accepteren. De moeder en vader stemmen in met de verlenging, hoewel de vader terughoudend is over bepaalde vormen van hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen, en de ouders kunnen deze niet zonder toezicht en hulpverlening wegnemen. De kinderrechter legt de nadruk op het belang van voortgezette regie door de gecertificeerde instelling en het versterken van de samenwerking tussen ouders en hulpverleners. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 27 maart 2027.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met een jaar wegens blijvende ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende samenwerking tussen de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445158 / JE RK 26-274
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] woont bij zijn vader en [minderjarige 2] woont bij zijn moeder.
2.4.
Bij beschikking van 27 maart 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Hoewel duidelijk is dat de ouders erg hun best doen en veel liefde hebben voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , wordt ook gezien dat de minderjarigen soms veel vragen van de ouders. Het is daardoor soms lastig voor de ouders om het belang van de minderjarigen voorop te stellen. Daarnaast verloopt de samenwerking en communicatie tussen de ouders soms erg goed, maar zijn er ook nog momenten waarop dit minder goed verloopt. Dit maakt dat de GI en verlenging van de ondertoezichtstelling nodig acht. In de komende periode wil de GI samen met de ouders en de omgangsbegeleiding onderzoeken hoe de zorgregeling het beste kan worden vormgegeven. Ook wil de GI werken aan het versterken van het vertrouwen van de vader in de [jeugdzorginstelling] en in gesprek gaan met de vader over weekendopvang voor [minderjarige 1] en over de inzet van [hulpverlening] . Tot slot wil de GI opnieuw met de ouders bespreken of de inzet van ouderschapsbemiddeling passend is.
4.2.
De moeder is het eens met het verzoek. De verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig omdat de communicatie en samenwerking tussen de ouders nog niet altijd goed verloopt. Verder geeft de moeder aan dat zij het lastig vindt dat de vader 5 uur omgang heeft met [minderjarige 2] op woensdag, terwijl haar contact met [minderjarige 1] op donderdag soms wordt ingekort omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het niet zo lang met elkaar kunnen volhouden. Hierdoor kan de moeder geen goede band opbouwen met [minderjarige 1] .
4.3.
De vader stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij vindt het belangrijk dat de ouders beter gaan samenwerken in het belang van de minderjarigen. De vader staat op dit moment niet achter de door de GI gewenste inzet van [hulpverlening] voor [minderjarige 1] . Door de behandeling bij de [jeugdzorginstelling] en de start bij de [zorgverlening] is namelijk sprake van een stijgende lijn in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en daarnaast wordt binnenkort gestart met medicatie. De vader vindt het belangrijk dat eerst wordt bezien wat het effect hiervan is, voordat [hulpverlening] wordt ingezet.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter ziet dat beide ouders veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houden en erg hun best doen om de opvoedsituatie van de minderjarigen te verbeteren. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de thuissituatie namelijk veel meegemaakt toen de ouders nog samen waren en gebleken is dat er nog steeds zorgen zijn over de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Er zijn namelijk nog steeds momenten waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geconfronteerd worden met spanningen tussen de ouders. Ook komt het voor dat de ouders negatief praten over de andere ouder tegen de minderjarigen. Daarnaast zijn er zorgen over de leerbaarheid en de verhouding tussen de draagkracht en draaglast van beide ouders, vooral omdat de minderjarigen - met name [minderjarige 1] - veel van de ouders kunnen vragen. Dit wordt ook gezien tijdens het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] , dat met enige regelmaat niet onbelast verloopt en negatief eindigt. Bovendien is gebleken dat de contacten tussen [minderjarige 1] en de moeder en tussen de vader en [minderjarige 2] moeizaam kunnen verlopen omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het moeilijk vinden om langere tijd samen te zijn. Daarnaast volgt uit de overgelegde stukken dat er bij de vader zorgen zijn over zijn emotieregulatie en middelenproblematiek, terwijl er ten aanzien van de moeder wordt gezien dat zij tips en adviezen onvoldoende oppakt.
5.5.
Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder soms nog erg moeizaam en zijn zij nog niet altijd in staat om samen afspraken te maken. Er zijn nog steeds vaak spanningen tussen de ouders en het is voor de ouders moeilijk om tot afspraken te komen en zich hieraan te houden. Hierdoor heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zonder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer zal worden gewerkt aan bovengenoemde zorgen. Daarbij betrekkende dat er zorgen zijn over het continueren van de hulpverlening bij een overdracht naar het vrijwillige kader, komt de kinderrechter met alle betrokkenen tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. De kinderrechter zal het - onweersproken - verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijft bewaken. De kinderrechter verwacht dat in de komende periode wordt gewerkt aan het versterken van de verstandhouding tussen de vader en de [jeugdzorginstelling] en dat opnieuw wordt bezien of weekendopvang passend is voor [minderjarige 1] om de vader te ontlasten in de zorg voor [minderjarige 1] en zijn draagkracht te vergroten. Ook geeft de kinderrechter de GI in overweging mee om alsnog het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap in te zetten in de thuissituatie van de vader. Dit kan helpend zijn voor de vader om beter bij [minderjarige 1] aan te sluiten, maar kan ook helpen bij het versterken vertrouwen van de moeder in de opvoedsituatie van de vader. Daarnaast moet opnieuw worden bezien of de inzet van [hulpverlening] voor [minderjarige 1] passend is of dat - zoals de vader wenst - de effecten van de medicatie bij [minderjarige 1] kunnen worden afgewacht. Voorts verwacht de kinderrechter dat de aandachtspunten van het Goed Genoeg Ouderschap-onderzoek over de opvoedsituatie van [minderjarige 2] bij de moeder goed worden opgevolgd en dat de GI samen met de ouders bespreekt of de inzet van ouderschapsbemiddeling in de komende periode passend is. Tot slot dient samen met de ouders en de omgangsbegeleiding te worden onderzocht wat de meest passende zorgregeling is tussen de moeder en [minderjarige 1] en tussen de vader en [minderjarige 2] .
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 27 maart 2026 en tot 27 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.