Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3387

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/444596 / JE RK 26-186 (verlenging ondertoezichtstelling)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 25 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010.

De minderjarige verblijft sinds begin maart 2026 in een behandelgroep en volgt dagbesteding en jeugdreclassering. De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling voor één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De ouders en de minderjarige zelf hebben hun standpunten naar voren gebracht, waarbij de moeder en vader de duur van de uithuisplaatsing willen beperken vanwege het belang van perspectief en behandeling.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld vanwege de ernstige problematiek en het belaste verleden van de minderjarige. De verlenging wordt toegekend voor de gevraagde duur van één jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, maar slechts voor vier maanden, waarna een tussentijds toetsmoment zal plaatsvinden. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling voor één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier maanden met een tussentijds toetsmoment.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/444596 / JE RK 26-186 (verlenging ondertoezichtstelling)
C/02/444766 / JE RK 26-216 (verlenging machtiging uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift verlenging ondertoezichtstelling met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026;
  • de brief van mr. Koop-van Vliet van 29 januari 2026;
  • het verzoekschrift machtiging uithuisplaatsing met bijlagen, ontvangen op 5 februari 2026;
  • de op 6 februari 2026 door mr. Van Beers ingediende verklaring van de moeder;
  • de briefrapportage van de GI van 18 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 24 maart 2026 (en 4 februari 2026) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 28 maart 2025 tot 28 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 27 januari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 27 januari 2026 tot 10 februari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 6 februari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 10 februari 2026 tot 28 maart 2026.
2.5.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [behandelgroep] te [woonplaats] .

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/02/444596 / JE RK 26-186.
3.2.
Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 27 september 2026.
Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/02/444766 / JE RK 26-216.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft gepersisteerd bij de inhoud van de schriftelijke verzoeken en heeft deze gehandhaafd. Sinds begin maart 2026 is [minderjarige] geplaatst op [behandelgroep] te [woonplaats] . Daarnaast heeft [minderjarige] dagbesteding bij Open Door en heeft zij nog haar afspraken bij de jeugdreclassering. In de thuissituatie laat [minderjarige] veelal zelfbepalend en ontregelend gedrag zien. Bij de ouders is met name sprake van pedagogische onmacht. Naar de mening van de GI is de problematiek systemisch.
Ondertussen is er in de situatie al meer rust ontstaan. Voor een thuisplaatsing acht de GI het nog te vroeg, omdat de problematiek in jaren zo is gegroeid zoals deze nu is, waardoor het niet reëel is om te mogen veronderstellen dat de problematiek in een aantal maanden geheel zal zijn verdwenen. Dit neemt volgens de GI niet weg dat in de komende maanden bezien wordt of tot een thuisplaatsing van [minderjarige] kan worden gekomen. De GI acht het daarbij noodzakelijk dat op dat moment in de thuissituatie direct MST van start zal kunnen gaan. De GI heeft de stellige verwachting dat die therapie tijdig ingezet zal kunnen worden.
4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat er in de samenwerking met jeugdbeschermer [persoon 1] een en ander is misgegaan. De moeder vreesde [minderjarige] uiteindelijk kwijt te raken aan de vader, zodra hij over eigen huisvesting zou gaan beschikken. Inmiddels heeft de moeder begrepen dat voor een thuisplaatsing van [minderjarige] de situatie van beide ouders bekeken gaat worden. Ondertussen heeft de moeder in de persoon van jeugdbeschermer [persoon 2] haar eigen contactpersoon en voelt zij zich meer gehoord. De ouders onderling hebben nog nauwelijks contact met elkaar. De moeder wordt f begeleid door de GGZ, er is hulp vanuit [hulpverlening] en zij staat open voor de komende MST. Positief is dat de ouders bij [hulpverlening] inmiddels tot de afspraak zijn gekomen, dat wanneer [minderjarige] wordt thuisgeplaatst, zij doordeweeks bij de moeder zal gaan verblijven en in de weekenden bij de vader. De moeder vindt het nodig dat de GI er nog eventjes op kan toezien dat dat goed zal gaan verlopen. De moeder verzoekt om de ondertoezichtstelling in duur te beperken tot zes maanden en het overige gedeelte van dat verzoek voor een tussentijds toetsmoment aan te houden. Voor wat betreft de uithuisplaatsing verzoekt de moeder om die maatregel in duur te beperken tot drie of vier maanden en het overige gedeelte van dat verzoek af te wijzen. Een uithuisplaatsing is een uiterst middel. Op de groep krijgt [minderjarige] geen behandeling. Zij heeft alleen baat bij de structuur die haar geboden wordt. Zij moet op haar leeftijd een perspectief hebben. De moeder ziet geen meerwaarde om [minderjarige] in de zomervakantie nog op de groep te laten verblijven, omdat daar dan niet veel gebeurt. Naar de mening van de moeder kan [minderjarige] dan beter bij haar verblijven.
4.3.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat de ouders bij [hulpverlening] reeds tot de afspraak zijn gekomen dat zodra [minderjarige] wordt thuisgeplaatst zij doordeweeks bij de moeder zal gaan verblijven en in de weekenden bij de vader. De vader staat daar volledig achter. Gezien de problematiek van [minderjarige] , zoals haar forse zelfbepalende gedrag, onderstreept de vader de visie van de GI dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij is tussen de ouders sprake geweest van een heftige strijd, waarbinnen intussen al wat meer rust is ontstaan. Dat inmiddels voor beide ouders een andere jeugdbeschermer is aangesteld, is helpend voor de situatie. De vader verzet zich niet tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Voor wat betreft het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is de vader een andere mening toegedaan. Naar de mening van de vader is een uithuisplaatsing een uiterst middel. De vader ziet in dat niet terstond tot een thuisplaatsing kan worden gekomen. Omdat [minderjarige] tijdens haar uithuisplaatsing veelal enkel de benodigde structuur wordt geboden en niet zozeer daadwerkelijke behandeling, en haar gelet op haar leeftijd voor het behouden van enige motivatie perspectief moet worden geboden, verzoekt de vader om de uithuisplaatsing in duur te beperken tot drie maanden en het overige gedeelte van dat verzoek aan te houden.
Gezien het feit dat [minderjarige] over een goede dagbesteding beschikt, zij twee meewerkende ouders heeft, heeft de vader er voldoende vertrouwen in dat het thuis goed zal gaan.
4.4.
[minderjarige] heeft tegen de kinderrechter verteld dat zij sinds zo’n twee weken op [behandelgroep] in [woonplaats] verblijft. Naar de mening van [minderjarige] verloopt dat verblijf prima, maar heeft zij er niet veel te doen. Volgens [minderjarige] werkt zij enkel mee omdat, zoals zij zelf zegt, “het moet”. Op de dinsdagen verricht [minderjarige] bij de [winkel] de haar opgelegde werkstraf. Intussen heeft zij naar haar eigen schatting 6 van de in totaal 60 uren taakstraf verricht. Ook heeft [minderjarige] een bijbaantje in de schoonmaak bij een restaurant. Naar de mening van [minderjarige] hebben jeugdbeschermer [persoon 1] en de ondertoezichtstelling in de gehele situatie geen enkele verbetering gebracht. Volgens [minderjarige] wordt er ook op geen enkele manier naar haar geluisterd, zoals in haar wens om een andere jeugdbeschermer. Ook de uithuisplaatsing vindt [minderjarige] overbodig. [minderjarige] wil doordeweeks bij haar moeder gaan verblijven en in de weekenden bij haar vader. [minderjarige] heeft er vertrouwen in dat dat goed zal gaan verlopen. Daarbij verklaart [minderjarige] te zullen gaan meewerken aan MST, ook enkel “omdat het moet”.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
Ondertoezichtstelling
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige]
zodanig opgroeit dat zij nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter kan begrijpen dat, met name [minderjarige] en de moeder, moe zijn van de hulpverlening. Gezien echter het belaste verleden van [minderjarige] , haar ernstige zelfbepalende gedrag en de forse problematiek waarmee het gezinssysteem tot voor kort kampte, wordt een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht. De kinderrechter ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, de ondertoezichtstelling voor een kortere periode dan verzocht te verlengen, het restant aan te houden en tussentijds te toetsen. Hoewel de samenwerking rustig lijkt te verlopen nu de moeder een andere jeugdbeschermer heeft, is in het verleden gebleken dat de ouders de samenwerking met de hulpverlening niet altijd accepteren. Nu het voornemen is om te zijner tijd MST in te zetten en dit traject intensief is en veel van de ouders vraagt, acht de kinderrechter regie van de GI voor langere tijd noodzakelijk. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom verlengen voor de duur van één jaar.
Uithuisplaatsing
5.2.
De kinderrechter ziet dat er ook positieve ontwikkelingen zijn. Zo zijn de ouders inmiddels in staat om met elkaar tot (enige) afspraken te komen, werken zij beter mee aan de benodigde hulpverlening en krijgt de vader in mei 2026 eigen huisvesting. Ook de huidige terugkeermomenten van [minderjarige] naar de thuissituatie en haar dagbesteding verlopen goed. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat [minderjarige] gebaat is bij structuur zodat kan worden ingezet op behandeling die zij nodig heeft voor haar problematiek. Dit kan haar in de thuissituatie nog onvoldoende worden geboden. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen, maar voor een beperktere duur dan verzocht, te weten voor de duur van vier maanden. Het restant van dat verzoek zal de kinderrechter voor een tussentijds toetsmoment aanhouden tot de na te melden zitting. Beide advocaten hebben zich met deze nieuwe zittingsdatum en tijdstip akkoord verklaard. De kinderrechter gaat er hierbij nadrukkelijk vanuit dat de ouders en [minderjarige] zich aan gemaakte afspraken met de hulpverlening zullen blijven houden zodat op een veilige en verantwoorde wijze kan worden gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] naar huis. De kinderrechter gaat er ook vanuit dat de GI de benodigde MST tijdig zal aanvragen, zodat deze bij de thuisplaatsing van [minderjarige] direct kan worden ingezet.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 maart 2026 tot 28 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 maart 2026 tot 28 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2026 te [uur], bij kinderrechter mr. Maandag, van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor de nadere mondelinge behandeling voor de GI, de moeder en haar advocaat en de vader en zijn advocaat;
6.6
behoudt zich iedere verdere beslissing (in de zaak met kenmerk C/02/444766 / JE RK 26-216) voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.