De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 maart 2026 het verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en de machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) van twee minderjarigen. De procedure vond plaats met gesloten deuren en betrof tevens een gelijktijdig verzoek tot beëindiging van de voogdij.
De feiten betreffen langdurige jeugdbeschermingsmaatregelen sinds 2010 en 2011 voor de twee minderjarigen, met diverse verlengingen van OTS en MUHP. De voogdij was eerder overgedragen aan een voogd en een voogdes, waarbij laatstgenoemde is overleden. Recentelijk is de voogdij beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes.
De GI verzocht om verlenging van de OTS en MUHP voor zes maanden, maar de rechtbank oordeelde dat deze maatregelen van rechtswege zijn geëindigd door de beëindiging van de voogdij en de benoeming van de GI als voogdes. Daarom is het verzoek afgewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.