Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3388

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/445576 / JE RK 26-352
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na beëindiging voogdij

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 maart 2026 het verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en de machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) van twee minderjarigen. De procedure vond plaats met gesloten deuren en betrof tevens een gelijktijdig verzoek tot beëindiging van de voogdij.

De feiten betreffen langdurige jeugdbeschermingsmaatregelen sinds 2010 en 2011 voor de twee minderjarigen, met diverse verlengingen van OTS en MUHP. De voogdij was eerder overgedragen aan een voogd en een voogdes, waarbij laatstgenoemde is overleden. Recentelijk is de voogdij beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes.

De GI verzocht om verlenging van de OTS en MUHP voor zes maanden, maar de rechtbank oordeelde dat deze maatregelen van rechtswege zijn geëindigd door de beëindiging van de voogdij en de benoeming van de GI als voogdes. Daarom is het verzoek afgewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is afgewezen omdat de voogdij is beëindigd en de GI is benoemd tot voogdes.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445576 / JE RK 26-352
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2],
.
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de voogd] ,
hierna te noemen: de voogd,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de partner van de pleegvader],
hierna te noemen: de partner van de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder, en
[de vader], hierna te noemen: de vader, tezamen te noemen: de ouders,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de pleegvader en zijn partner;
- de pleegmoeder;
- de ouders;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De voogd is niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij op juiste wijze is opgeroepen.
1.3.
Gelijktijdig is behandeld het verzoekschrift van de Raad tot beëindiging van de voogdij (zaaknummer C/02/436708 / FA RK 25-3126).
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover op 24 maart 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 31 december 2010 is [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2010 en tot 11 februari 2011.
2.2.
Op 29 november 2013 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 11 februari 2013 en tot 11 februari 2014.
2.3.
Op 18 september 2013 zijn de ouders ontheven van het gezag over [minderjarige 1] en is de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] . Bij beschikking van 25 november 2015 is de voogdij over [minderjarige 1] overgedragen aan [de voogd] en [persoon] .
2.4.
Op 30 september 2011 is [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 september 2014 en tot 30 september 2015. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 20 september 2016 met ingang van 30 september 2016 en tot 30 september 2017.
2.5.
Op 28 maart 2017 is de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige 2] . Op dezelfde datum zijn [de voogd] en [persoon] benoemd tot voogd over [minderjarige 2] .
2.6.
Mevrouw [persoon] (voorheen de voogdes) is overleden.
2.7.
Bij beschikking van 17 oktober 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 oktober 2024. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders [de pleegmoeder] en [de pleegvader] , verleend met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024.
2.8.
Bij beschikking van 21 maart 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders [de pleegmoeder] en [de pleegvader] , verlengd met ingang van 17 april 2024 en tot 17 oktober 2024.
2.9.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de netwerkvoorziening voor pleegzorg als beschreven in rechtsoverweging 5.3. van die beschikking verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 oktober 2025.
2.10.
Bij beschikking van 15 oktober 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de netwerkvoorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 april 2026.
2.11.
Op grond van de voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij pleegvader en zijn partner.
2.12.
Bij afzonderlijke beslissing van heden heeft de rechtbank de pleegoudervoogdij van de voogd [de voogd] over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] beëindigd en de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

3.De verzoeken en de beoordeling

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI afwijzen nu bij afzonderlijke beslissing van heden de pleegoudervoogdij van de heer [de voogd] over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is beëindigd, de GI is belast met de voogdij en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Door die beslissing zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van rechtswege geëindigd en daarom kunnen en hoeven die maatregelen niet meer te worden verlengd.

4.De beslissing

De kinderrechter:
4.1.
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.