Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3391

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/431325 / FA RK 25-472
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over gezamenlijk gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarigen

De rechtbank behandelt een verzoek van de man en vrouw over het gezamenlijk gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun twee minderjarige kinderen geboren in 2012. Partijen oefenen reeds gezamenlijk gezag uit en de kinderen verblijven bij de man. De man verzoekt het hoofdverblijf bij hem vast te stellen en een zorgregeling te treffen, terwijl de vrouw het hoofdverblijf bij haar wil en een co-ouderschapsregeling verlangt.

De bijzondere curator adviseert het hoofdverblijf bij de man te houden en verwijst naar hulpverlening voor contactherstel tussen moeder en kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming signaleert ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen door het gebrek aan contact met de moeder en adviseert een raadsonderzoek.

De rechtbank acht zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over hoofdverblijf en zorgregeling en wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag af omdat dit reeds bestaat. De rechtbank gelast een onderzoek door de Raad naar de zorgverdeling, contactmogelijkheden en eventuele contra-indicaties. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport, met de verwachting dat partijen ondertussen hulpverlening zoeken.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen; raadsonderzoek gelast naar hoofdverblijf en zorgregeling; zaak aangehouden tot ontvangst rapport.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/431325 / FA RK 25-472
datum uitspraak: 26 maart 2026
beschikking over gezamenlijk gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.V. van der Bom te Den Haag.
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.X. Scholten te Vlissingen,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat in Goes, in haar functie als bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 29 januari 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van der Bom van 24 februari 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Scholten van 13 november 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Breewel-Witteveen van 21 november 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Scholten van 25 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Van der Bom van 8 december 2025;
- het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 13 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Scholten van 16 februari 2026.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 18 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook waren de bijzondere curator en een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
1.3
Voor deze zitting heeft de rechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over de verzoeken

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.2
De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en
[minderjarige 2] uit.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man.
2.4
Bij beschikking van 13 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de man en de
vrouw veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken en zijn de vordering van de man en de vrouw afgewezen. Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt en zijn zij overeengekomen dat de ouderrelatie hersteld dient te worden door middel van een ouderschapsbemiddelingstraject, maar ook dat er een uitgebreidere voorlopige omgangsregeling moet zijn tussen de vrouw en de kinderen. Uiteindelijk zal er worden toegewerkt naar co-ouderschap. De afspraken die partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben gemaakt, zijn bij beschikking van 13 maart 2025 vastgelegd:
- in de ene week hebben de vrouw en de kinderen van vrijdag uit school tot maandag
voor school omgang met elkaar;
- in de andere week hebben de vrouw en de kinderen van woensdag uit school tot
donderdag voor school contact met elkaar;
- deze omgangsregeling gaat van start op 10 maart 2025. De kinderen verblijven dus
voor het eerst bij de vrouw volgens de nieuwe voorlopige omgangsregeling vanaf 14 maart 2025;
- in de voorjaarsvakantie van 2025 verblijven de kinderen van zondag 2 maart 15:00
uur tot donderdag 6 maart 12:00 uur bij de vrouw;
- beide ouders laten aan de kinderen weten dat ze samen afspraken hebben gemaakt en
dat ze hier allebei achter staan. De ouders stimuleren de kinderen om naar de andere
ouder te gaan;
- de ouders melden zich beiden aan bij de gemeente Vlissingen voor een
ouderschapsbemiddelingstraject.
2.5
Bij beschikking van 26 augustus 2025 heeft de rechtbank mr. Breewel-Witteveen benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met het verzoek aan de bijzondere curator om uiterlijk op 18 november 2025 aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt in te nemen over de verzoeken van de minderjarigen. Tevens heeft de rechtbank bij deze beschikking bepaald dat de moeder en de minderjarigen
voorlopiggerechtigd zijn tot contact met elkaar door middel van videobellen, iedere vrijdagavond van 19:30 uur tot 20:30 uur, waarbij het contact plaatsvindt met ieder van de minderjarigen afzonderlijk gedurende een half uur, zulks met inachtneming zoals overwogen in 3.6.

3.De verzoeken en de standpunten

3.1
De man verzoekt om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
- de man gezamenlijk met de vrouw met het gezag wordt belast over [minderjarige 1]
en [minderjarige 2] , beiden geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
- er een zorgregeling zal gelden tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vrouw, waarbij
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw zijn de ene week van vrijdag na school tot maandag
20:00 uur en de andere week van maandag na school tot 20:00 uur, waarbij de
minderjarigen zelf van en naar de vrouw fietsen;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de
vrouw zullen zijn, een verdeling daarvan in onderling overleg te bepalen.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man ten aanzien van het hoofdverblijf en de vaststelling van een zorgregeling. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw:
- het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen;
- een co-ouderschapsregeling te treffen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

De standpunten
4.1
Door en namens de man is toegelicht dat de man inmiddels gezamenlijk met de vrouw met het gezag is belast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Aangezien de man in de afgelopen periode de meeste zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor zijn rekening heeft genomen en de minderjarigen voor het grootste deel van de tijd bij hem verblijven, verzoekt de man te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben. Daar komt bij dat partijen reeds overeen zijn gekomen dat de man alleen huurder zal zijn van de gezamenlijke huurwoning en de minderjarigen aangegeven hebben dat zij in hun eigen vertrouwde omgeving bij de man willen blijven wonen. Daarnaast verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen tussen de vrouw en de minderjarigen. De man vindt het namelijk belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met beide ouders een goede band hebben, maar het is tot op heden in onderling overleg niet gelukt om met de vrouw afspraken te maken over de zorgregeling. De man vindt het belangrijk dat het contact tussen de minderjarigen en de vrouw wordt hersteld. Dat hij onvoldoende zijn best doet om de minderjarigen voor contact met de vrouw te stimuleren, is onjuist. De man probeert [minderjarige 1] en [minderjarige 2] juist te motiveren voor het belmoment met de vrouw, maar merkt dat hij op weerstand stuit als hij dit te vaak ter sprake brengt. Het is op dit moment te vroeg om een zorgregeling vast te stellen, ook omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog geen contact willen met de vrouw. De man staat open voor het door de bijzondere curator geadviseerde traject bij het uniform hulpaanbod en verzoekt partijen hiernaar door te verwijzen zodat ouderschapsbemiddeling kan worden ingezet en hulpverlening voor de minderjarigen kan worden opgestart.
4.2
De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen en een co-ouderschapsregeling te treffen. Zij acht dit nodig om de huidige impasse te doorbreken en denkt dat op die manier kan worden gewerkt aan contactherstel, maar ook zodat de minderjarigen daadwerkelijk kunnen gaan wennen aan de nieuwe woonsituatie waarbij partijen apart van elkaar wonen. De vrouw heeft de minderjarigen sinds juni 2025 niet meer gezien en zij kan op geen enkele manier in contact komen met de minderjarigen, behoudens het telefonische contact op vrijdagmiddag. De vrouw wil [minderjarige 1] en [minderjarige 2] graag weer zien en heeft op allerlei manieren geprobeerd een afspraak te maken om het fysieke contact te herstellen, maar krijgt telkens ontwijkende antwoorden. Zij maakt zich ernstige zorgen over de minderjarigen en voelt de afstand tussen haar en de minderjarigen steeds groter worden. Zij heeft het gevoel dat hoe langer er wordt gewacht voor contactherstel, hoe moeilijker het zal worden voor de minderjarigen. De vrouw is van mening dat het op de weg van partijen ligt om het contact tussen haar en de minderjarigen te herstellen en dat deze verantwoordelijkheid niet bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ligt. De vrouw heeft er echter het gevoel dat zij hier alleen voor staat en heeft er geen vertrouwen meer in dat partijen in onderling overleg tot afspraken kunnen komen. Zij hoopt daarom dat er opdracht wordt gegeven aan de Raad voor een onderzoek naar het hoofdverblijf, een zorgregeling en de noodzaak voor een kinderbeschermingsmaatregel. Daarnaast hoopt de vrouw dat er op korte termijn hulpverlening wordt opgestart. Zij begrijpt namelijk dat het averechts zal werken als de minderjarigen op dit moment worden geforceerd tot contact. De vrouw staat er voor open om met behulp van omgangsbegeleiding de omgang op te starten.
4.3
De bijzondere curator adviseert, kijkend naar de wensen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de man te houden. Ter zake van het herstel van contact tussen de minderjarigen en de vrouw adviseert de bijzondere curator partijen te verwijzen naar hulpverlening in het kader van het uniform hulpaanbod, waarbij wordt ingezet op ouderschapsbemiddeling/oudercommunicatie en op hulpverlening aan de minderjarigen om de gebeurtenissen in het verleden en het ontstane loyaliteitsconflict te onderzoeken, bespreken en verwerken. De bijzondere curator benoemt dat beide ouders betrokken zijn bij de minderjarigen en ieder hun eigen zorgen hebben over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , vooral ten aanzien van het contact met de andere ouder. Partijen zijn gericht op de ouderstrijd; zij praten negatief over elkaar, er zijn over en weer verwijten en de onderlinge communicatie is nihil. De strijd tussen partijen en het daardoor ontstane loyaliteitsconflict bij de minderjarigen, maakt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de man hebben gekozen. Hierdoor is er sinds juni 2025 geen fysiek contact meer geweest tussen de vrouw en de minderjarigen. Uit de gesprekken met de minderjarigen volgt dat het vertrouwen van de minderjarigen in de vrouw is beschadigd, maar dat zij allebei op termijn weer contact willen met de vrouw. De stap naar contactherstel wordt voor de minderjarigen echter steeds lastiger, ook omdat de man niet dan wel onvoldoende aangeeft dat het belangrijk is om contact met de vrouw te hebben. Hoewel de man verklaart dat hij het contact tussen de vrouw en de minderjarigen niet in de weg zal staan, laat hij de keuze voor het contact met de vrouw aan de minderjarigen zonder daarin eigen verantwoordelijkheid te nemen en hen daarin te sturen. De bijzondere curator heeft er geen vertrouwen in dat de situatie zal verbeteren en tot contactherstel wordt gekomen middels de inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader. Om die reden adviseert de bijzondere curator een traject in het kader van het uniform hulpaanbod in te zetten. De bijzondere curator begrijpt de wens van de vrouw tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling, maar acht een voorlopige zorgregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Het is nog te vroeg om het fysieke contact tussen de vrouw en de minderjarigen te herstellen.
4.4
De Raad maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De minderjarigen hebben alleen belcontact met de vrouw en gesignaleerd wordt dat verdere verwijdering dreigt. Er zijn tot op heden geen stappen gezet voor verbetering van de huidige situatie en de Raad ziet op dit moment niet hoe de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder verantwoordelijkheid van de ouders samen kan worden weggenomen. Hoewel de bijzondere curator een verwijzing naar het uniform hulpaanbod adviseert en partijen hier achter kunnen staan, heeft de Raad hier twijfels over. Er zijn namelijk wachtlijsten bij het uniform hulpaanbod en er is eerder al ingezet op ouderschapsbemiddeling en hulpverlening vanuit [hulpverlening] . Daarnaast is er een risico dat het uniform hulpaanbod het beeld bevestigt wat er nu is, te weten dat er onvoldoende bereidheid is bij partijen, waardoor er opnieuw geen hulpverlening van de grond zal komen. Dit zal opnieuw veel vertraging opleveren. De Raad vindt het daarom passend om een raadsonderzoek in te stellen om te bezien hoe de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen die verband houdt met de strijd tussen de ouders kan worden weggenomen. De Raad zal proberen dit raadsonderzoek zo snel mogelijk te starten. In de tussentijd kunnen partijen zelf contact zoeken met hulpverlening voor zichzelf en voor de minderjarigen. De Raad vindt een voorlopige ondertoezichtstelling op dit moment niet passend.
Gezag
4.5
De man verzoekt hem gezamenlijk met de vrouw met het gezag te belasten over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Omdat uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting is gebleken dat inmiddels sprake is van gezamenlijk gezag, zal de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag afwijzen.
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.6
De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van partijen over het hoofdverblijf en de zorgregeling. Gebleken is namelijk dat er veel speelt in de situatie van de minderjarigen, waardoor er veel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Deze zorgen zien met name op het gebrek aan contact tussen de vrouw en de minderjarigen en de moeizame onderlinge oudercommunicatie. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat onderzocht moet worden op welke manier contactherstel tussen de moeder en de minderjarigen mogelijk is en welke zorgregeling vervolgens passend zou zijn. De Raad zal daarom worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor contact tussen de vrouw en de minderjarigen en zo ja,
welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden
en op welke termijn?
- Zijn er verder belangrijke zaken die uit het onderzoek door de Raad naar voren
komen waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de beoordeling van de
voorliggende verzoeken?
4.7
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden tot
18 juni 2026 PRO FORMA. Van de advocaten van partijen wordt verwacht dat zij na ontvangst van het rapport van de Raad de conclusies van de Raad met hun cliënten bespreken en vervolgens aan de rechtbank laten weten hoe deze procedure voortgezet dient te worden in hun ogen.
4.8
De rechtbank overweegt tot slot dat de Raad beide ouders tijdens de zitting heeft geadviseerd om lopende het raadsonderzoek alvast hulpverlening te zoeken, zowel voor zichzelf als voor de minderjarigen. Partijen hebben hiermee ingestemd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen hiermee aan de slag gaan en op zoek gaan naar passende hulpverlening.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag af;
5.2
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
5.3
houdt de behandeling van deze zaak aan tot
18 juni 2026 PRO FORMA, in afwachting van het rapport van de Raad;
5.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.