Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3392

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/434116 / FA RK 25-1869
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling zorgregeling na herstel relatie en huwelijk

De man diende op 9 april 2025 een verzoek in tot vaststelling van een zorgregeling voor de minderjarige kinderen. Op 24 maart 2025 was reeds een voorlopige zorgregeling vastgesteld en partijen werden verwezen naar een UHA-traject. Uit de UHA-rapportage van 10 december 2025 bleek dat partijen hun relatie hadden hersteld en in september 2025 waren getrouwd, waarbij de kinderen volledig bij beide ouders wonen.

De vrouw gaf aan dat goede afspraken waren gemaakt en verzocht om afwijzing van het verzoek, mede omdat de man geen advocaat meer had. De man trok vervolgens op 9 februari 2026 zijn verzoek in vanwege de hereniging en het huwelijk. De rechtbank besloot het verzoek af te wijzen omdat het ingetrokken was en compenseerde de proceskosten door iedere partij de eigen kosten te laten dragen.

De beschikking werd op 26 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Toekoen. Er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak, via het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, met tussenkomst van een advocaat.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling wordt afgewezen omdat partijen weer bij elkaar zijn en getrouwd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/434116 / FA RK 25-1869
Datum uitspraak: 26 maart 2026
beschikking
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen: mr. R.M. van Breemen,
nu, procederende zonder advocaat,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Bredius.
1 Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 9 april 2025 ontvangen verzoekschrift van de man, met bijlagen;
- het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 maart 2025;
- de UHA-rapportage van 10 december 2025;
- de brief van mr. Bredius van 24 december 2025;
- de e-mail van de man van 9 februari 2026.

2.De beoordeling

2.1
Bij vonnis in kort geding van 24 maart 2025 (zaaknummer C/02/431548 / KG ZA 25-56) heeft de voorzieningenrechter een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zijn ze ten behoeve van de onderhavige procedure verwezen naar een UHA-traject.
2.2
Blijkens de UHA-rapportage van 10 december 2025 is de situatie tussen partijen inmiddels gewijzigd. Partijen zijn weer bij elkaar gekomen en zijn in september 2025 met elkaar getrouwd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen volledig bij beide ouders.
2.3
Door en namens de vrouw is bij brief van 24 december 2025 aangevoerd dat partijen inmiddels weer samen zijn en goede afspraken hebben gemaakt over de taakverdeling tussen hen. Nu de relatie is hersteld zal het verzoek dat door de man is ingediend kunnen worden ingetrokken. Echter, de man heeft geen bijstand meer van een advocaat. Gelet hierop verzoek mr. Bredius een beschikking af te geven waarbij het verzoek van de man wordt afgewezen.
2.4
De man heeft bij e-mail van 9 februari 2026 zijn verzoek ingetrokken. Hij heeft aan dat het gezin weer is herenigd en partijen inmiddels zijn getrouwd.
2.5
Nu het verzoek in zijn geheel is ingetrokken, zullen de gronden hiervan niet meer worden onderzocht, om welke reden dit verzoek zal worden afgewezen.
2.6
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van Van Diepen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.