Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3394

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
429560 & 436412
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377a BWArt. 810 RvArt. 820 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag moeder na detentie vader wegens zedendelicten

Partijen zijn in 2012 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Na echtscheiding verblijven de kinderen bij de moeder. De vader zit sinds november 2024 gedetineerd wegens zedendelicten met minderjarige slachtoffers. De moeder verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan haar toe te wijzen, met ontzegging van omgang zolang de vader gedetineerd is.

De vader verzet zich tegen beëindiging van het gezag en vraagt een zorgregeling en omgangsregeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een onderzoek naar omgang en gezag. De rechtbank stelt vast dat de gewijzigde omstandigheden, waaronder de detentie en het ontbreken van contact, het belang van de kinderen rechtvaardigen dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt.

De rechtbank wijst het verzoek tot hoofdverblijf af wegens gebrek aan belang en ontzegt voorlopig het omgangsrecht, met uitzondering van schriftelijk contact. De Raad krijgt opdracht een onderzoek te verrichten naar een passende omgangsregeling. De huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling wordt aangehouden in afwachting van een convenant.

Uitkomst: De rechtbank kent de moeder het eenhoofdig gezag toe en draagt de Raad op een omgangsonderzoek te verrichten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaak-/rekestnummers: C/02/429560 / FA RK 24-5749 (
echtscheiding)
C/02/436412 / FA RK 25-2978 (
verdeling)
Nadere beschikking d.d. 26 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] , gemeente Oosterhout,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Hofland,
(advocaat was: mr. A.C.M. den Ridder-van der Meijden),
en
[de man],
verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren,
(advocaat was: [naam]).
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken betreffende de minderjarigen geadviseerd.
1 Het (verdere) procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking d.d. [datum 2] 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het op 24 april 2025 aanvullend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvorderingen, met producties;
- het op 4 juni 2025 ontvangen verweerschrift op het aanvullend verzoekschrift, tevens houdende aanvullend zelfstandig verzoek;
- het op 15 januari 2026 ontvangen aanvullend verzoek van mr. Hofland, met producties;
- de brief d.d. 19 januari 2026 van mr. Hofland, met producties;
- het op 23 januari 2026 ontvangen aanvullend verweerschrift, met producties.
1.2 De zaak is nader behandeld op de mondelinge behandeling van 28 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat de minderjarigen hebben verteld (slechts hetgeen wat de rechter van de minderjarigen mocht vertellen). De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2012 in de gemeente Alphen-Chaam met elkaar gehuwd. Bij voornoemde beschikking van [datum 2] 2025 van deze rechtbank, locatie Breda, is in dit huwelijk de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 12 mei 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
  • [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015;
  • [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

3.De (nadere) beoordeling

3.1.
De rechtbank heeft bij voornoemde beschikking van [datum 2] 2025 de echtscheiding tussen partijen bij vervroeging uitgesproken. De overige verzoeken zijn aangehouden.
3.2.
Thans zijn nog aan de orde, na wijziging/ aanvulling van de verzoeken, de verzoeken van de vrouw, die samengevat als volgt luiden:
in de zaak met nummer C/02/429560 / FA RK 24-5749:
I. te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;
II. te bepalen dat het gezamenlijk gezag van partijen wordt beëindigd en de vrouw alleen belast wordt met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
III. het recht op contact met de kinderen aan de man te ontzeggen zolang hij gedetineerd is, althans zolang en gedurende een periode als de rechtbank juist acht;
in de zaak met nummer C/02/436412 / FA RK 25-2978:
IV. vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande (ontboden) gemeenschap van goederen op wijze zoals door de vrouw voorgesteld in randnummers 8 tot en met 16 van het aanvullend verzoekschrift, althans op een wijze als door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
3.3.
De man verzet zich niet tegen het verzoek van de vrouw inhoudende het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen. Voor wat betreft de (aanvullende) verzoeken van de vrouw zoals geformuleerd onder punt II., III., en IV. concludeert de man tot afwijzing van die verzoeken.
Bij wege van zelfstandige verzoeken heeft de man, na na wijziging/ aanvulling, samengevat het volgende verzocht:
in de zaak met nummer C/02/429560 / FA RK 24-5749:
I. een nader te bepalen zorgregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , althans een regeling vast te stellen die de rechtbank passend acht;
in de zaak met nummer C/02/436412 / FA RK 25-2978:
II. de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de wijze zoals door de man is voorgesteld in randnummer 3 tot en met 9.
Verzoeken in de zaak met kenmerk C/02/429560 / FA RK 24-5749(
echtscheiding)
Gezag
3.4.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek tot beëindiging van het gezamenlijke gezag naar voren gebracht dat de man momenteel gedetineerd zit. Hierdoor is hij is al geruime tijd niet betrokken in het leven van de minderjarigen, waardoor het voor de vrouw onmogelijk is om de man nog langer de verantwoordelijkheid te geven ten aanzien van beslissingen omtrent hun verzorging en opvoeding. De vrouw gunt de minderjarigen een vader, maar gelet op de strafbare feiten die de man heeft gepleegd en alles wat daarvan het gevolg is geweest, belemmert het haar ook in haar mogelijkheden om met de man te communiceren en te overleggen over zaken aangaande de minderjarigen. Contact met de man roept bij de vrouw veel spanning en emoties op, omdat zij wordt herinnerd aan de strafbare feiten die hij heeft gepleegd. Daarom verloopt op dit moment het contact tussen partijen over gezagskwesties via de advocaten van partijen, maar ook dit levert te veel onrust bij de vrouw op. De man heeft tot op heden desgevraagd wel zijn toestemming verleend voor de te nemen beslissingen over de kinderen, maar gelet op de omstandigheden kan het van de vrouw niet worden gevergd dat zij, al dan niet met tussenkomst van een derde, met de man overlegt. Voor de minderjarigen, maar ook voor de vrouw, is het nu nodig dat er stabiliteit en rust komt. De minderjarigen zijn volledig afhankelijk van de zorg van de vrouw en zij moet in haar kracht blijven staan. Omdat de vrouw de man niet wil weren uit het leven van de minderjarigen is zij bereid om de man eenmaal per twee maanden (per e-mail, al dan niet met hulp van een tussenpersoon) te informeren over belangrijke gebeurtenissen in het leven van de minderjarigen, waarbij onder andere informatie wordt gegeven over hun ontwikkeling, school, hobby’s en activiteiten, waarbij ook kopieën van schoolrapporten worden gegeven, alles passend bij de leeftijd van de minderjarigen.
3.5.
De man voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat het gezamenlijk uitoefenen van het ouderlijk gezag het meest in het belang van de minderjarigen is. Detentie op zichzelf vormt geen grond voor een zo ingrijpende maatregel als beëindiging van het gezamenlijk
gezag. Daarnaast voert de man aan dat hij gezagsbeslissingen nimmer heeft tegengehouden en dat ook in de toekomst niet zal doen. Daarbij komt dat, naar de mening van de man, geen sprake is van strijd tussen partijen. De man heeft bewust afstand genomen van zowel de vrouw als de minderjarigen. Hoewel hij graag contact met de minderjarigen wenst, heeft hij hierin een terughoudende houding aangenomen om de vrouw en de minderjarigen de ruimte te geven de veroordeling van de man te verwerken. De man wil zich inzetten voor verbetering van de onderlinge communicatie, al dan niet met behulp van de hulpverlening bijvoorbeeld in de vorm van mediation, en respecteert het tempo van de vrouw hierin.
Dehuidige weerstand van de vrouw jegens hem kan volgens de man niet aan hem worden tegengeworpen, in die zin dat dit zou moeten leiden tot beëindiging van zijn ouderlijk gezag.
3.6.
De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij het standpunt van de vrouw begrijpt; de vrouw heeft de afgelopen periode veel meegemaakt en is momenteel de belangrijkste persoon in het leven van de minderjarigen. De Raad kan zich dan ook voorstellen dat het momenteel te veel van de vrouw vergt om - al dan niet indirect - het contact met de man aan te gaan over zaken betreffende de minderjarigen. Tegelijkertijd ontvangt de vrouw therapie en kan het zijn dat zij hier over een half jaar anders in staat en wel het contact met de man aankan. De Raad biedt aan om een raadsonderzoek te verrichten naar het gezag, zodat de rechtbank een weloverwogen beslissing kan nemen in het belang van de minderjarigen. Vanwege wachtlijstproblematiek kan dit onderzoek pas over zes maanden starten.
3.7.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
3.8.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu is gebleken dat partijen gescheiden zijn, de man strafrechtelijk is veroordeeld voor zedendelicten met minderjarigen en in de PI verblijft, partijen niet zonder tussenkomst van een derde met elkaar communiceren en de man al geruime tijd geen contact meer heeft gehad met de minderjarigen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 1:253n lid 1 BW en kan derhalve de vrouw worden ontvangen in haar verzoek.
3.9.
Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen; of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.10.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarig kind (blijven) uitoefenen. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situatie die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.
3.11.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de zitting is gebleken dat de man al geruime tijd feitelijk niet meer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De man is op 4 november 2024 gearresteerd en heeft sindsdien geen fysiek contact meer met de minderjarigen gehad. Tot mei 2025 heeft de man nog telefonisch contact gehad met de minderjarigen; daarna niet meer. De arrestatie van de man, zijn (voorlopige) hechtenis, het strafproces en de strafrechtelijke veroordeling van de man heeft grote impact gehad op zowel de minderjarigen als de vrouw. De gepleegde strafbare feiten betreffen zedendelicten met adolescente vrouwelijke slachtoffers. De man heeft het gezin van het ene op het andere moment moeten verlaten. De vrouw en de kinderen zijn in grote schok achtergebleven. Het huwelijk en het gezin zijn plotseling uiteengevallen, de vrouw en de minderjarigen zijn in grote onzekerheid over hun toekomst achtergebleven. De trauma’s die de vrouw en de kinderen hebben opgelopen, dienen zij nog te verwerken. De vrouw staat dan ook voor aanzienlijke uitdagingen: zij dient haar leven opnieuw op te bouwen, probeert haar werk weer op te pakken, draagt van de ene op de andere dag alleen de zorg voor de minderjarigen – die ieder hun eigen problematiek hebben – en zit nog aan het begin van haar eigen verwerkingsproces waarvoor zij therapie volgt.
De rechtbank ziet dat de vrouw de afgelopen periode in een overlevingsstand heeft verkeerd en nog steeds veel stress, mentale belasting en spanningen ervaart bij zowel direct als indirect met de man. De spanningen en de zorg die zij nu in haar eentje voor de kinderen moet dragen, beperken haar draagkracht aanzienlijk. De minderjarigen hebben ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en zijn in hoge mate afhankelijk van de vrouw voor hun ondersteuning en begeleiding. Het is dan ook van groot belang dat er op zo kort mogelijke termijn rust en stabiliteit voor de minderjarigen en de vrouw komt. Gelet op de vrouw haar beperkte draagkracht leidt zowel direct als indirect contact met de man over gezagsbeslissingen tot extra spanning en belasting, hetgeen niet van haar kan worden gevergd en ten koste gaat van haar beschikbaarheid voor de minderjarigen. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat deze situatie binnen afzienbare termijn verandert. Voortzetting van het gezamenlijk gezag acht de rechtbank in deze situatie onwenselijk.
3.12.
De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat het in de huidige omstandigheden in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen de beslissingen over hen kan nemen. Aan het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, sub b BW is voldaan. Het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
Hoofdverblijf
3.13.
Omdat de rechtbank beslist dat de vrouw met het eenhoofdig gezag belast zal zijn, heeft de vrouw niet langer belang bij een beslissing op haar verzoek om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen. Dat verzoek wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
De omgang tussen de man en de minderjarigen
3.14.
De vrouw heeft verzocht aan de man het recht op contact met de minderjarigen te ontzeggen, in ieder geval zolang de man gedetineerd is. Beide partijen zijn het over eens dat het niet in het belang van de minderjarigen is dat zij hun vader bezoeken in de penitentiaire inrichting. Aanvankelijk heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen de man en de minderjarigen. Nadat de minderjarigen zijn ingelicht over de aard van de strafbare feiten die de man heeft gepleegd, is ook het telefonische contact gestopt. Op dit moment geven beide minderjarigen aan dat zij niet open staan voor (zowel fysiek als telefonisch) contact met de man. De vrouw is van mening dat - na alles wat er is gebeurd - de minderjarigen de regie mogen hebben in hun wensen over het contact met de man. Indien de minderjarigen weer telefonisch of schriftelijk contact wensen, dan zal de vrouw dit toestaan. Het is wenselijk dat er een eindbeslissing wordt genomen, teneinde rust en duidelijkheid in de situatie te creëren.
3.15.
De man voert verweer en heeft verzocht een nader te bepalen omgangsregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen. Hij onderschrijft het standpunt van de vrouw dat fysiek contact (in de PI) op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De man vindt tegelijkertijd dat het volledig ontbreken van iedere vorm van contact evenmin in hun belang is. Hij begrijpt dan ook niet waarom het telefonisch contact in mei 2025 volledig is gestopt. Er is nooit sprake geweest van een onveilige situatie voor de minderjarigen. Wat de man betreft is geen sprake van één van de ontzeggingsgronden zoals neergelegd in artikel 1:377a lid 3 BW. Er dient in de ogen van de man sprake te zijn van enige vorm van contact, zoals (video)belcontact. Hij begrijpt dat de minderjarigen zijn veroordeling moeten verwerken, maar hij blijft hun vader. Voor hun identiteitsvorming is het van belang dat zij op een structurele wijze contact met de man hebben. De man is zich er terdege van bewust dat herstel van contact zorgvuldig, gefaseerd en volledig in het belang van de minderjarigen dient plaats te vinden. Om die reden stelt hij het zogenoemde “voorleesproject” voor als eerste, opbouwende stap. Het voorleesproject houdt in dat de man eenmaal per maand een korte video opneemt waarin hij voorleest uit een kinderboek. De minderjarigen kunnen deze video bekijken, al dan niet met behulp van hulpverlening, op een moment dat voor hen passend is. De man hoopt dat dit voorleesproject kan dienen als opstap naar een opbouwende (video)belregeling, waarbij hij de minderjarigen bijvoorbeeld eenmaal per week kort kan spreken. Hij stelt nadrukkelijk voor dat de duur en frequentie van dit contact worden vastgesteld op advies van de Raad of een andere deskundige instantie, zodat de belangen en het welzijn van de minderjarigen steeds leidend blijven. Verder heeft de man aangegeven dat hij kan instemmen met een raadsonderzoek.
3.16.
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd dat het niet wenselijk is dat de man en de minderjarigen fysiek omgang met elkaar hebben. Momenteel is het krijgen van een brief of kaartje van de man het hoogst haalbare in het contact tussen de minderjarigen en hun vader. De Raad stelt eveneens voor om een onderzoek te laten naar de omgangsregeling, zodat de rechtbank een weloverwogen beslissing kan nemen in het belang van de minderjarigen. Voor een zorgvuldige en weloverwogen beslissing over de omgang is er zicht nodig op de minderjarigen, zodat duidelijk wordt in hoeverre de minderjarigen (een vorm van) contact met de man kunnen dragen zonder dat hun ontwikkeling in het gedrang komt. Vanwege wachtlijstproblematiek kan het raadsonderzoek pas over zes maanden starten.
3.17.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.18.
Op grond van de stukken en hetgeen is de rechtbank van oordeel dat de minderjarigen momenteel zodanig belast zijn dat zij niet in staat zijn om direct contact met de man te dragen. Bij de minderjarigen bestaat slechts ruimte voor eenzijdig contact vanuit de man, in de vorm van brieven en kaartjes; zij staan open voor het ontvangen en lezen daarvan. Een geheel contactverbod past daar niet bij, maar de huidige omstandigheden maken dat een (verdere) invulling van de omgang tussen de man en de minderjarigen op dit moment niet in het belang van de minderjarigen wordt geacht. De komende periode moeten rust en stabiliteit voor de minderjarigen (maar ook voor de vrouw) voorop staan. Als die situatie is bereikt, en de minderjarigen ruimte hebben gekregen voor verwerking, kunnen de mogelijkheden van uitbreiding van het contact tussen de man en de minderjarigen onderzocht worden. Op dit moment is er hulpverlening bij de minderjarigen betrokken. De hulpverlening kan samen met de minderjarigen bespreken en beoordelen of en zo ja welke uitgebreidere vorm van contact met hun vader zij op enig moment kunnen dragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het niet in het belang van de minderjarigen wordt geacht dat zij zelf de regie dragen over het contact met de man. Hierin moet worden gehandeld op basis van deskundig advies van en ondersteuning door de betrokken hulpverlening. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de vrouw deze adviezen van de hulpverlening volgt, omdat uit de stukken en het relaas op zitting naar voren komt dat zij goed in samenwerking is met die hulpverlening. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat ook de man passende hulpverlening krijgt om beter inzicht te verkrijgen in de beleving en behoeften van de minderjarigen als gevolg van het trauma dat zij hebben opgelopen, en om het contact in de toekomst op een verantwoorde wijze te kunnen vormgeven.
3.19.
De rechtbank ziet dus in de huidige situatie contra-indicaties voor een (verdergaande) vorm van omgang tussen de man en de minderjarigen, maar zij heeft onvoldoende zicht op de toekomstige situatie en vindt het niet in het belang van de minderjarigen om nu een eindbeslissing te geven op de verzoeken over de omgang. Daarom geeft de rechtbank de Raad opdracht om een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de volgende vragen:
- welke vorm van contact tussen de man en de minderjarigen komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
3.20.
Gelet op de wachttijd bij de Raad voor het uitvoeren gezag- en omgangsonderzoeken, gaat de rechtbank ervan uit dat dit onderzoek niet eerder dan in oktober 2026 zal starten, en de rechtbank vindt dit ook een geschikt moment om dan het onderzoek te verrichten. Gelet op de tijd die de minderjarigen gegund moet worden om met de hulpverlening aan de slag te gaan, vindt de rechtbank het niet zinvol om eerder dan per oktober 2026 een raadsonderzoek te laten starten. In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden tot
dinsdag 2 februari 2027pro forma. Partijen zullen na ontvangst van het rapport van de Raad, uiterlijk binnen twee weken nadien, in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren, alsmede het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken.
In de zaak met kenmerk C/02/436412 / FA RK 25-2978 (verdeling)
3.21.
Ter zitting hebben de advocaten van partijen aangegeven dat zij bijna volledige overeenstemming hebben bereikt over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling en dat zij voorzien dat binnen vier weken een convenant zal zijn getekend. Daarop is in overleg met de advocaten besloten de huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken niet inhoudelijk te bespreken en is de advocaten de gelegenheid gegeven om binnen vier weken na de zitting het convenant aan de rechtbank toe te sturen. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat in het geval geen convenant tot stand komt, geen nadere behandeling voor de bespreking van de huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken zal worden gelast. Evenmin geeft de rechtbank alsdan nog gelegenheid tot een nader schriftelijk debat.
3.22.
De rechtbank heeft tot op heden geen convenant ontvangen. De rechtbank verlengt de termijn om het convenant aan te leveren nog eenmaal voor de duur van drie weken. De rechtbank houdt de zaak in afwachting van het convenant pro forma aan en verwijst deze naar de familiekamerrol van dinsdag 14 april 2026. Indien op (uiterlijk) voornoemde datum geen convenant is ontvangen, zal de rechtbank op basis van de huidige stukken op de huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken de beslissing(en) nemen die zij gerade acht.
3.23.
Het vorenstaande leidt tot de volgende tussenbeslissing.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de zaak met kenmerk C/02/429560 / FA RK 24-5749 (echtscheiding)
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag over der minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018, en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw alleen;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst af het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van voornoemde minderjarigen;
4.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [geboorteplaats 1] , een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in overweging 3.19. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten) van partijen;
4.5.
houdt de beslissing op de nog resterende verzoeken (omgang) aan tot
dinsdag 2 februari 2027pro forma;
4.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
in de zaak met kenmerk C/02/436412 / FA RK 25-2978 (verdeling)
4.7.
verwijst de zaak naar de familiekamerrol van
dinsdag 14 april 2026 pro forma, om redenen als in rechtsoverwegingen 3.23. en 3.24. vermeld;
4.8.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.