Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3395

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/419574 / FA RK 24-910
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden beslissing omgangsverzoeken in afwachting van ondertoezichtstelling en hulpverlening

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelt een verzoek van de vrouw om de omgangsregeling met de man op te schorten zolang hij niet meewerkt aan hulpverlening, en een verzoek van de man om de omgangsregeling te hervatten. De zaak betreft twee minderjarigen en is gekoppeld aan een ondertoezichtstelling van twaalf maanden.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft onderzoek gedaan en geadviseerd dat het contact tussen de man en de minderjarigen onder toezicht en begeleiding moet worden opgebouwd vanwege onvoorspelbaar gedrag van de man en het veiligheidsgevoel van de kinderen. De vrouw staat achter het contactherstel onder toezicht, maar wil dit als laatste traject ondersteunen. De man heeft gewerkt aan zijn verslavingsproblematiek en wil contactherstel, maar heeft praktische en taalbarrières ervaren.

De rechtbank besluit de omgangsverzoeken aan te houden tot na de ondertoezichtstelling, waarbij de Gecertificeerde Instelling de regie krijgt over de omgangsregeling. De voorlopige regeling van video-belcontacten wordt beëindigd en vervangen door laagdrempelige contactvormen zoals het sturen van kaartjes. De proceskostenveroordeling wordt eveneens aangehouden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en partijen worden in de gelegenheid gesteld te reageren op het verslag van de GI.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing op de omgangsverzoeken aan tot na afloop van de ondertoezichtstelling en legt de regie over de omgang bij de Gecertificeerde Instelling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/419574 / FA RK 24-910
datum uitspraak: 26 maart 2026
nadere beschikking
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas uit Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen de man,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats 2] ,
advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel uit Rotterdam,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015;
-
[minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het e-mailbericht van de gemeente Waalwijk afdeling WijZ van 20 maart 2025 met bijlage;
- de brieven van de Raad van 24 maart 2025 en 9 april 2025;
- het rapport van de Raad van 28 oktober 2025;
- het F9-formulier van mr. Baas van 5 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Baas van 4 maart 2026 met bijlage;
- het e-mailbericht van een collega van mr. Van Bemmel van 11 maart 2026 met bijlage.
1.2
De behandeling van de zaak is, gelijktijdig met de ter griffie onder nummer C/02/441302 / JERK 25-1929 ingeschreven zaak, met gesloten deuren voortgezet op de zitting van 12 maart 2026. De rechtbank heeft in voormelde zaak bij afzonderlijke beschikking beslist.
Tijdens de zitting waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Portugese taal;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Daarnaast hebben – als toehoorders – twee vertegenwoordigsters van Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI), aan de zitting deelgenomen door middel van een digitale verbinding via Teams.
1.3
De kinderrechter heeft de minderjarigen naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft ervoor gekozen niet zijn mening te geven.

2.De verzoeken

2.1
Aan de orde is het verzoek van de vrouw aan de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de eerder bij beschikking van 19 januari 2022 vastgestelde omgangsregeling op te schorten dan wel te schorsen zolang de man niet bereid is mee te werken aan hulpverlening, dan wel een begeleide omgangsregeling tijdens het hulpverleningstraject;
- de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoek verzoekt de man, voor zover thans nog aan de orde, de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling te bepalen, waarbij na een opbouw van drie maanden weer uitvoering wordt gegeven aan de omgangsregeling zoals is vastgelegd in de beschikking van 19 januari 2022.

3.De nadere feiten

3.1
Bij voormelde beschikking van 24 juni 2024 heeft de rechtbank partijen en de minderjarigen verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant voor een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) ten behoeve van de hierna genoemde resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
- het kind en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.
Het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag is afgewezen. Onder wijziging van de beschikking van 19 januari 2022 is bepaald dat de man en de minderjarigen voorlopig iedere woensdag om 19:00 uur (video)belcontact met elkaar hebben, waarbij de man naar de vrouw belt. Daarnaast is bepaald dat, vanaf het moment dat de hulpverlening in het kader van het UHA bij partijen en de minderjarigen is betrokken en de betrokken hulpverlening de daartoe vereiste voorbereidingen heeft kunnen treffen, de man en de minderjarigen gerechtigd zijn om minimaal één keer per twee weken begeleide omgang met elkaar te hebben, met inachtneming van dat wat is overwogen in rechtsoverweging 4.25. Iedere verdere beslissing op de verzoeken over de omgangsregeling en de proceskosten is aangehouden.
3.2
Partijen en de minderjarigen zijn in augustus 2024 gestart met een hulpverleningstraject bij zorgaanbieder De GezinsManager (hierna te noemen De GM). Door De GM is ouderschapsbemiddeling, specialistische omgangsobservatie met omgangsadvies en scheidingseducatie voor de minderjarigen ingezet.
3.3
Bij e-mailbericht van 20 maart 2025 heeft de gemeente Waalwijk, afdeling WijZ, het hulpverleningstraject van De GM negatief terug gemeld bij de rechtbank en de Raad. Als bijlage bij voornoemd e-mailbericht is het eindrapport van De GM van 13 maart 2025 gevoegd.
3.4
Bij brief van 24 maart 2025 heeft de Raad de rechtbank bericht dat de zaak van partijen naar aanleiding van de negatieve terugmelding zal worden gescreend en nader beoordeeld.
3.5
Bij brief van 9 april 2025 heeft de Raad de rechtbank bericht dat naar aanleiding van de screening van de zaak is besloten om een gezags- en omgangsonderzoek te verrichten.
3.6
In navolging van voormeld bericht heeft de Raad onderzoek verricht, waarbij de Raad zijn onderzoek (ambtshalve) heeft uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Van het onderzoek heeft de Raad op 28 oktober 2025 rapport uitgebracht. De Raad heeft een advies uitgebracht met betrekking tot de omgangsverzoeken van partijen. Daarnaast is geconcludeerd dat er een noodzaak is voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen waartoe de Raad een verzoek heeft ingediend (bekend onder zaaknummer C/02/441302 / JERK 25-1929).

4.De standpunten

4.1
De Raad heeft, onder verwijzing naar het raadsrapport van 28 oktober 2025, samengevat naar voren gebracht dat de grootste zorg, namelijk dreigend contactverlies tussen de man en de minderjarigen, is bekrachtigd in het onderzoek. De minderjarigen hebben al maanden geen fysiek contact gehad met de man en ook het belcontact is inmiddels gestopt. De minderjarigen hebben veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt rondom de man. Tijdens het hulpverleningstraject van De GM dat plaatsvond in het kader van het UHA, waarin ook met de minderjarigen gesprekken zijn gevoerd, heeft de man het laten afweten op het moment dat hij en de minderjarigen gezamenlijke afspraken hadden. Dit alles is van invloed op het gevoel van veiligheid en vertrouwen van de minderjarigen in de man. De man is een onvoorspelbare factor voor hen, wat maakt dat zij niet weten waar zij aan toe zijn.
Ondanks dat blijven de minderjarigen loyaal aan de man. De minderjarigen geven aan de man weer een keer te willen zien, maar zij vinden dit wel spannend. De minderjarigen weten niet wat ze hierin kunnen verwachten en zijn bang dat het weer misgaat. De bereidwilligheid van de vrouw om mee te werken aan het tot stand brengen van contact tussen de man en de minderjarigen is groot. Ondanks dat de vrouw zelf zorgen heeft over wat de minderjarigen hebben meegemaakt bij de man en over hun veiligheid bij de man, vindt zij wel dat er contact (op een veilige manier) moet zijn met de man. De vrouw ziet dat de man een rol in het leven van de minderjarigen heeft en dat het belangrijk is dat er iets aan de huidige situatie verandert. Wel is de vrouw tot een punt gekomen waarin zij aangeeft dat contactopbouw alleen onder toezicht kan worden opgebouwd om de minderjarigen te beschermen tegen het onvoorspelbare gedrag van de man.
Het gemis van de man naar de minderjarigen is groot en hij wil hen graag weer zien. De man heeft weinig probleembesef en kan moeilijk naar zijn eigen aandeel kijken waarom er nu geen contact is met de minderjarigen. De man heeft in de afgelopen twee jaar aan zijn verslavingsproblematiek gewerkt, waarvoor hij trajecten heeft doorlopen die positief zijn afgerond. Daarnaast heeft de man vrijwillig ingestemd met bewindvoering en krijgt hij sociaal maatschappelijke en juridische hulpverlening vanuit Fivoor. Bij de hulpverlening bestaat de indruk dat de man bij de hand genomen moet worden en veel herhaling nodig heeft.
Om het contact tussen de man en de minderjarigen weer op te bouwen is het volgens de Raad belangrijk dat het beeld van de minderjarigen over de man, dat nu vooral heel onvoorspelbaar en onveilig is, wordt bijgesteld. Om goed af te kunnen stemmen op de minderjarigen en rekening te houden met hun gevoelens, heeft de man begeleiding nodig bij het contact met de minderjarigen. Er moet een plan met betrekking tot het contactherstel worden gemaakt met veiligheidsafspraken, waarbij toezicht wordt gehouden op hoe het contact gaat, hoe de minderjarigen hierop reageren en hoe de man met de omgangsafspraken omgaat. Dit moet zorgvuldig worden uitgezet, waarbij in het proces van contactherstel afwegingen en keuzes moeten worden gemaakt waarin het belang van de minderjarigen centraal staat. Daarbij acht de Raad een verplicht kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. In de afgelopen jaren is het niet mogelijk gebleken om het contactherstel plaats te laten vinden in het vrijwillig kader. Daarnaast mogen de minderjarigen niet weer getuige zijn van onveilige en onvoorspelbare situaties.
De Raad adviseert om de resultaten van de ondertoezichtstelling af te wachten voordat er een beslissing wordt genomen op de omgangsverzoeken van partijen. Belangrijk is dat, onder regie van de GI, duidelijk wordt wat haalbaar is in de omgang tussen de man en de minderjarigen zowel op praktisch vlak als op pedagogisch vlak, wat de behoeftes van de minderjarigen hierin zijn en hoe partijen hierover samen afspraken kunnen maken. Daarbij begrijpt de Raad dat het voor de minderjarigen en partijen belangrijk is dat zij een perspectief hebben. Een wekelijks belcontact komt op dit moment echter niet tegemoet aan de belangen van de minderjarigen. Voor de minderjarigen voelt dit als iets wat hen is opgelegd. Daarnaast houden de minderjarigen vaak geen fijn gevoel over aan de telefoongesprekken met de man, maar juist angstgevoelens en spanningen omdat de man onvoorspelbaar reageert. Als alternatief voor het belcontact zou de man, in overleg en onder regie van de GI, een kaartje naar de minderjarigen kunnen sturen. Zo kan er op een laagdrempelige manier een eerste stap worden gezet in het contactherstel.
4.2
Door en namens de vrouw is, samengevat, aangevoerd dat de vrouw altijd achter contact tussen de man en de minderjarigen heeft gestaan en zich daarvoor heeft ingezet en hard gemaakt. Er is al diverse hulpverlening betrokken geweest. Het is de man die iedere keer afhaakt waardoor het contact en de omgang tussen de man en de minderjarigen stopt. De vrouw vindt dit heel moeilijk en verdrietig voor de minderjarigen. Zij gunt de minderjarigen een fijn en onbelast contact met hun vader. Omdat de minderjarigen nog steeds aangeven contact met de man te willen, kan de vrouw achter het advies van de Raad staan. Met de Raad acht de vrouw het van belang dat in een verplicht kader van de ondertoezichtstelling nogmaals wordt ingezet op contactherstel tussen de man en de minderjarigen. Voor de vrouw is dit echter wel het laatste traject waaraan zij haar medewerking zal verlenen. De afgelopen jaren hebben veel van haar gevergd, waardoor zij niet veel reserves meer heeft. Ook kosten de rechterlijke procedures haar veel geld. Daarnaast wil de vrouw de minderjarigen behoeden voor nog meer teleurstellingen. Tijdens het traject bij De GM gingen de minderjarigen er vanuit dat het contact met de man verder zou worden opgebouwd. Daarbij merkt de vrouw dat beide minderjarigen veel spanningen ervaren met betrekking tot de man. Met name [minderjarige 1] is het vertrouwen in de man kwijtgeraakt, en is nu onder behandeling van een kinderpsycholoog. De vrouw verzoekt een beslissing op de omgangsverzoeken van partijen en haar verzoek tot veroordeling van de man in de proceskosten aan te houden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling.
4.3
Door en namens de man is, samengevat, naar voren gebracht dat de man eveneens verzoekt om een beslissing op de voorliggende verzoeken van partijen aan te houden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling. De man heeft in de afgelopen periode met behulp van diverse hulpverlening hard aan zichzelf gewerkt om zijn leven op orde te krijgen. Het traject bij De GM heeft helaas niet tot contactherstel geleid. Het klopt dat de man op een aantal afspraken niet is verschenen, maar dat had ermee te maken dat deze afspraken waren gepland tijdens werktijd. De man heeft financiële problemen waardoor hij zijn werk niet zomaar kan afzeggen. Daarnaast vraagt het afreizen naar de woonomgeving van de minderjarigen voor begeleide omgang op locatie, waarbij de man vooralsnog is aangewezen op het openbaar ervoer, veel van de man. Ook heeft de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door de man in het traject een rol gespeeld. De man wil graag nog een kans krijgen om met behulp van hulpverlening tot contactherstel met de minderjarigen te komen, temeer nu de minderjarigen ook contact met hem wensen. De man gebruikt geen alcohol en drugs meer, is bezig om zijn rijbewijs terug te krijgen en is van werk gewisseld waardoor zijn werkuren zijn gewijzigd. Daarnaast heeft de man bewindvoering en krijgt hij sociaal maatschappelijke en juridische hulpverlening. Door de hulpverlening wordt gezien dat de man leerbaar is, mits er laagdrempelig wordt ingestoken en hij stap voor stap uitleg krijgt. De man acht het belangrijk dat met voormelde zaken rekening wordt gehouden bij het nieuwe traject tot contactherstel en dat, daar waar nodig, naar praktische oplossingen wordt gezocht om de voortzetting van het traject te waarborgen. De man wil graag weer betrokken zijn in het leven van de minderjarigen. Hij vindt het jammer dat de belcontacten tussen hem en de minderjarigen zijn gestopt, maar hij begrijpt dat daarvoor op dit moment geen ruimte bestaat bij de minderjarigen. Hij hoopt dat het proces tot contactherstel binnen de ondertoezichtstelling zo goed mogelijk vorm gaat krijgen.

5.De nadere beoordeling

5.1
Tijdens de zitting is in de zaak met kenmerk C/02/441302 / JERK 25-1929 mondeling uitspraak gedaan en is beslist dat de minderjarigen onder toezicht van de GI worden gesteld met ingang van 12 maart 2026 tot 12 maart 2027, welke beslissing uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. In het kader van de ondertoezichtstelling zal hulpverlening worden ingezet, gericht op contactherstel. Omdat de inzet en de resultaten van deze hulpverlening van belang is voor de in deze zaak te nemen beslissing op de omgangsverzoeken van partijen, zal de rechtbank de behandeling van deze verzoeken van partijen, met instemming van beide partijen, aanhouden tot na te noemen pro forma datum. Daarbij wordt aangesloten bij de duur van de uitgesproken ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
5.2
Partijen dragen als ouders van de minderingen de verantwoordelijkheid voor een goed verloop van de hulpverlening die ingezet gaat worden in het kader van de ondertoezichtstelling om tot contactherstel te komen. Zij dienen daaraan beiden hun medewerking te verlenen. Belangrijk is dat de man afspraken die met hem worden gemaakt nakomt en dat hij om hulp vraagt wanneer hij in de nakoming van de afspraken tegen eventuele (praktische) problemen aanloopt. Voorkomen moet worden dat de minderjarigen in dit traject, dat het nodige van hen zal vragen, wederom teleurgesteld raken. Dit is namelijk niet alleen zeer belastend voor hen, maar kan er ook toe leiden dat de minderjarigen de deur tot contact met de man dicht doen. De man dient zich dit goed te realiseren.
5.3
De rechtbank verzoekt de GI om uiterlijk twee weken vóór na te noemen pro forma datum schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de ondertoezichtstelling en de hulpverlening die in dat kader is ingezet, met toezending van dit verslag aan de advocaten van partijen en de Raad. Daarbij wenst de rechtbank onder meer te vernemen de stand van zaken met betrekking tot het contactherstel tussen de man en de minderjarigen en de samenwerking hierin tussen partijen. Na ontvangst van het verslag van de GI zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren en aan te geven op welke wijze de onderhavige zaak voortgezet moet worden.
5.4
Nu niet langer uitvoering wordt gegeven aan het hulpverleningstraject van De GM in het kader van het UHA en de rechtbank met de Raad van oordeel is dat een wekelijks (video)belcontact op dit moment niet in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank de bij beschikking van 24 juni 2024 neergelegde (voorlopige) omgangsregeling beëindigen. Bepaald zal worden dat de regie over de frequentie, duur, plaats en vorm van de omgangsregeling bij de GI wordt belegd. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij het voorstel van de Raad om in het kader van het contactherstel, onder regie van de GI, te beginnen met het versturen van (een) kaartje(s) van de man naar de minderjarigen, kan onderschrijven. Op deze manier ervaren de minderjarigen dat de man betrokken bij hen is, zonder dat van de minderjarigen in het contact met de man iets wordt terug verwacht.
5.5
Omdat de rechtbank (wederom) niet tot een eindbeslissing op de omgangsverzoeken van partijen komt, zal zij nog geen beslissing nemen op het verzoek van de vrouw om de man in de proceskosten te veroordelen. Daarom wordt ook de beslissing over de proceskosten aangehouden.
5.6
Nu bij separate beschikking de ondertoezichtstelling is uitgesproken en de GI in deze beschikking een opdracht krijgt, zal de GI in deze procedure worden aangemerkt als belanghebbende (zo lang de ondertoezichtstelling duurt) en zal deze een afschrift van de beschikking ontvangen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
bepaalt, onder wijziging van hetgeen in de beschikking van 24 juni 2024 onder 5.2 en 5.3 van het dictum is bepaald over de omgang tussen de man en de minderjarigen, dat de regie over de frequentie, duur, plaats en vorm van de omgang tussen de man en de minderjarigen
voorlopig- totdat in deze zaak anders wordt beslist of partijen anders overeenkomen - wordt neergelegd bij de GI;
6.2
houdt aan de beslissing op:
- het verzoek van partijen met betrekking tot de omgangsregeling;
- het verzoek van de vrouw tot proceskostenveroordeling van de man,
tot
dinsdag 9 februari 2027 pro formaen verzoekt de GI om haar uiterlijk
twee weken vóórvoormelde pro forma datum het schriftelijk verslag in te sturen en verzoekt partijen haar vervolgens te informeren, een en ander op de wijze zoals is omschreven in rechtsoverweging 5.3;
6.3
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.