De Raad heeft, onder verwijzing naar het raadsrapport van 28 oktober 2025, samengevat naar voren gebracht dat de grootste zorg, namelijk dreigend contactverlies tussen de man en de minderjarigen, is bekrachtigd in het onderzoek. De minderjarigen hebben al maanden geen fysiek contact gehad met de man en ook het belcontact is inmiddels gestopt. De minderjarigen hebben veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt rondom de man. Tijdens het hulpverleningstraject van De GM dat plaatsvond in het kader van het UHA, waarin ook met de minderjarigen gesprekken zijn gevoerd, heeft de man het laten afweten op het moment dat hij en de minderjarigen gezamenlijke afspraken hadden. Dit alles is van invloed op het gevoel van veiligheid en vertrouwen van de minderjarigen in de man. De man is een onvoorspelbare factor voor hen, wat maakt dat zij niet weten waar zij aan toe zijn.
Ondanks dat blijven de minderjarigen loyaal aan de man. De minderjarigen geven aan de man weer een keer te willen zien, maar zij vinden dit wel spannend. De minderjarigen weten niet wat ze hierin kunnen verwachten en zijn bang dat het weer misgaat. De bereidwilligheid van de vrouw om mee te werken aan het tot stand brengen van contact tussen de man en de minderjarigen is groot. Ondanks dat de vrouw zelf zorgen heeft over wat de minderjarigen hebben meegemaakt bij de man en over hun veiligheid bij de man, vindt zij wel dat er contact (op een veilige manier) moet zijn met de man. De vrouw ziet dat de man een rol in het leven van de minderjarigen heeft en dat het belangrijk is dat er iets aan de huidige situatie verandert. Wel is de vrouw tot een punt gekomen waarin zij aangeeft dat contactopbouw alleen onder toezicht kan worden opgebouwd om de minderjarigen te beschermen tegen het onvoorspelbare gedrag van de man.
Het gemis van de man naar de minderjarigen is groot en hij wil hen graag weer zien. De man heeft weinig probleembesef en kan moeilijk naar zijn eigen aandeel kijken waarom er nu geen contact is met de minderjarigen. De man heeft in de afgelopen twee jaar aan zijn verslavingsproblematiek gewerkt, waarvoor hij trajecten heeft doorlopen die positief zijn afgerond. Daarnaast heeft de man vrijwillig ingestemd met bewindvoering en krijgt hij sociaal maatschappelijke en juridische hulpverlening vanuit Fivoor. Bij de hulpverlening bestaat de indruk dat de man bij de hand genomen moet worden en veel herhaling nodig heeft.
Om het contact tussen de man en de minderjarigen weer op te bouwen is het volgens de Raad belangrijk dat het beeld van de minderjarigen over de man, dat nu vooral heel onvoorspelbaar en onveilig is, wordt bijgesteld. Om goed af te kunnen stemmen op de minderjarigen en rekening te houden met hun gevoelens, heeft de man begeleiding nodig bij het contact met de minderjarigen. Er moet een plan met betrekking tot het contactherstel worden gemaakt met veiligheidsafspraken, waarbij toezicht wordt gehouden op hoe het contact gaat, hoe de minderjarigen hierop reageren en hoe de man met de omgangsafspraken omgaat. Dit moet zorgvuldig worden uitgezet, waarbij in het proces van contactherstel afwegingen en keuzes moeten worden gemaakt waarin het belang van de minderjarigen centraal staat. Daarbij acht de Raad een verplicht kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. In de afgelopen jaren is het niet mogelijk gebleken om het contactherstel plaats te laten vinden in het vrijwillig kader. Daarnaast mogen de minderjarigen niet weer getuige zijn van onveilige en onvoorspelbare situaties.
De Raad adviseert om de resultaten van de ondertoezichtstelling af te wachten voordat er een beslissing wordt genomen op de omgangsverzoeken van partijen. Belangrijk is dat, onder regie van de GI, duidelijk wordt wat haalbaar is in de omgang tussen de man en de minderjarigen zowel op praktisch vlak als op pedagogisch vlak, wat de behoeftes van de minderjarigen hierin zijn en hoe partijen hierover samen afspraken kunnen maken. Daarbij begrijpt de Raad dat het voor de minderjarigen en partijen belangrijk is dat zij een perspectief hebben. Een wekelijks belcontact komt op dit moment echter niet tegemoet aan de belangen van de minderjarigen. Voor de minderjarigen voelt dit als iets wat hen is opgelegd. Daarnaast houden de minderjarigen vaak geen fijn gevoel over aan de telefoongesprekken met de man, maar juist angstgevoelens en spanningen omdat de man onvoorspelbaar reageert. Als alternatief voor het belcontact zou de man, in overleg en onder regie van de GI, een kaartje naar de minderjarigen kunnen sturen. Zo kan er op een laagdrempelige manier een eerste stap worden gezet in het contactherstel.