Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3397

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/446297 / FA RK 26-1471
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Dun
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging voortzetting crisismaatregel bij bipolaire stoornis wegens ernstig nadeel en agressie

Betrokkene is klinisch opgenomen vanwege een crisissituatie veroorzaakt door een bipolaire stemmingsstoornis. Tijdens de opname vertoonde hij fysiek agressief gedrag, waaronder het gooien van koffie naar een verpleegkundige, die hierdoor met ziekteverlof is. De crisismaatregel werd op 23 maart 2026 door de burgemeester afgegeven.

De officier van justitie verzocht de rechtbank om verlenging van de crisismaatregel met diverse zorgvormen, waaronder medicatie, bewegingsbeperking en insluiting. Betrokkene erkent het incident en geeft aan dat hij baat heeft bij de klinische zorg, maar wil de opname zo kort mogelijk houden. Zijn advocaat stelt dat betrokkene vrijwillig meewerkt en dat het risico op ernstig nadeel is afgenomen.

De psychiater bevestigt dat betrokkene nog kwetsbaar is, met verwarde momenten en risico op agressie, en acht voortzetting van verplichte zorg noodzakelijk. De rechtbank concludeert dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, veroorzaakt door de psychische stoornis, en dat minder bezwarende alternatieven ontbreken.

De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken, beperkt tot noodzakelijke zorgvormen zoals medicatie, bewegingsbeperking, insluiting en opname, en wijst overige zorgvormen af. De machtiging geldt tot en met 16 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken met noodzakelijke zorgvormen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446297 / FA RK 26-1471
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats 1] ,
verblijvende te [plaats 2] , [accommodatie] [adres] ,
advocaat mr. J. van Rooijen te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de heer [persoon 1] , psychiater.
Tevens was aanwezig:
- mevrouw [persoon 2] , verpleegkundige.
1.3.
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.

2.Wat vaststaat

Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie] . De burgemeester van Breda heeft de crisismaatregel op 23 maart 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken voor de navolgende zorgvormen:
- het toedienen van vocht en voeding;
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene merkt op dat hij dankzij de hem in de GGZ instelling geboden opvang en goede verzorging tot rust is gekomen en alweer wat zaken voorzichtig heeft weten op te pakken. Dat het tot een crisisopname is gekomen houdt volgens hem verband met zijn drukke leven op dat moment in combinatie met een hoop verantwoordelijkheden. Verder had hij kort daarvoor enkele biertjes gedronken en een indrukwekkende persoon ontmoet. Dit bij elkaar heeft in emotioneel opzicht het nodige met hem gedaan. Van zijn behandelaar heeft hij begrepen dat hij op 23 maart jongstleden een verpleegkundige is aangevlogen en met koffie heeft gegooid, waardoor deze zorgverlener momenteel met ziekteverlof is. Dit spijt hem zeer, ook herkent hij zichzelf niet in dit gedrag, nu dit absoluut niet bij hem past. Het lijkt hem daarom verstandig om de klinische opname nog even voort te zetten. Echter merkt hij ook dat hij zich de individuele problematiek van mede cliënten erg aantrekt en dat hij juist behoefte heeft aan personen, met wie hij een goed gesprek kan hebben.
4.2.
De psychiater licht toe dat betrokkene op 23 maart 2026 in het kader van een crisissituatie klinisch is opgenomen. Betrokkene reageerde op dat moment erg druk en was lastig te volgen in het contact. Kort tevoren had hij zijn huisraad naar buiten gegooid en naar zijn buren geschreeuwd. Gedurende de crisisopname heeft betrokkene zich fysiek gewelddadig gedragen naar een verpleegkundige en met koffie gegooid. Dit had tot gevolg dat deze verpleegkundige momenteel met ziekteverlof is. Gezien wordt dat betrokkene met de tot dusver geboden verplichte klinische zorg minder prikkelbaar is en voorzichtig herstelt. Wel is er nog steeds sprake van een kwetsbare situatie, aangezien betrokkene met name ’s nachts nog verwarde en gedesorganiseerde momenten kent. Deze gedrags-symptomen passen bij de bipolaire stoornis van betrokkene. Daarnaast is het risico op fysiek agressief gedrag van betrokkene nog steeds een aandachtspunt en dient daaraan in het kader van de klinische behandeling voorlopig gewerkt te blijven worden.
Hoewel er niet van wordt uit gegaan dat betrokkene langdurige klinische behandeling nodig heeft is die op dit moment nog noodzakelijk om ervoor te zorgen dat betrokkene voldoende stabiliseert en om geleidelijk naar een ontslag te kunnen toewerken. De psychiater heeft er onvoldoende vertrouwen in dat betrokkene, indien er van een verplicht kader geen sprake meer is, aan de nog noodzakelijk geachte klinische zorg consequent zal blijven meewerken. De psychiater staat daarom achter het verzoek, met dien verstande dat hij strikt genomen geen noodzaak ziet voor het verplicht kunnen toedienen van vocht en voeding, het verrichten van medische controles, het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening en onderzoek aan kleding of lichaam, onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen en het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen.
4.3.
De advocaat van betrokkene voert aan dat hij al sinds circa 2018 bekend is met zijn cliënt en zijn achtergrond. Uit het voorgesprek met zijn cliënt heeft hij kunnen opmaken dat hij met de tot dusver geboden klinische zorg al zodanig is hersteld dat van (het risico op) onmiddellijk dreigend ernstig nadeel geen sprake meer is. Indien en voor zover zijn behandelaar ter verdere stabilisatie van zijn cliënt nog voortgezette klinische zorg nodig acht is zijn cliënt volledig bereid om daaraan vrijwillig mee te werken. Dat die bereidheid daadwerkelijk aanwezig is heeft betrokkene al eerder in een vergelijkbare situatie waarin GGZ zorg noodzakelijk was laten zien. Met deze toelichting stelt hij zich namens betrokkene primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. In het geval dat de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt hij namens zijn cliënt, bij wijze van subsidiair standpunt, de machtiging tot voortzetting crisismaatregel te beperken tot de meest noodzakelijke zorgvormen, als mondeling ter zitting besproken.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot voortzetting crisismaatregel. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- maatschappelijke teloorgang;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
5.3.
Ook is uit de overgelegde stukken en de zitting naar het oordeel van de rechtbank gebleken van het vermoeden dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, te weten bipolaire-stemmingsstoornissen.
5.4.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat betrokkene wegens een combinatie van factoren op enig moment zodanig ontregeld is geraakt, dat hij door zijn gedrag in zijn directe woonomgeving gevaar en overlast voor zichzelf en voor anderen heeft veroorzaakt. Gebleken is dat dit gedrag zich ook na de crisisopname nog heeft voorgedaan in de vorm van extreem fysiek agressief gedrag naar een verpleegkundige, waardoor die zorgverlener momenteel met ziekteverlof is. Hoewel betrokkene met de tot dusver geboden klinische zorg al enigszins tot rust is gekomen en aan zijn herstel werkt kent hij volgens zijn behandelaar met name ’s nachts nog verwarde en gedesorganiseerde momenten, wat maakt dat zijn situatie nog niet stabiel is. Ook ziet zijn behandelaar nog steeds (enig) risico op fysiek agressief gedrag van betrokkene en dient volgens hem daaraan in het kader van de klinische behandeling voorlopig gewerkt te blijven worden.
5.5.
De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nog steeds nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden:
- het toedienen van medicatie;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot
gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder in dit geval te
verstaan dat betrokkene periodiek contact moet blijven onderhouden met zijn
ambulant behandelteam; de frequentie van dat contact zal op geleide van het
toestandsbeeld door het ambulant behandelteam worden bepaald;
- opnemen in een accommodatie.
De hiervoor genoemde zorgvormen zullen derhalve worden toegewezen.
Het verzoek van de officier van justitie zal, voor zover dat ziet op de overige verzochte zorgvormen, worden afgewezen omdat naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende is gesteld en ook niet, althans onvoldoende is gebleken dat die zorgvormen nodig zijn.
5.6.
Hoewel betrokkene de indruk wekt volledig bereid te zijn aan de nog noodzakelijke klinische zorg vrijwillig mee te werken maakt de rechtbank uit zijn opstelling ook op dat hij wil dat de klinische opname het liefst tot een zo kort mogelijke periode beperkt blijft. Bovendien blijkt uit de toelichting van zijn behandelend arts dat deze er onvoldoende vertrouwen in heeft dat betrokkene in geval van vrijwilligheid aan de nog noodzakelijk geachte klinische zorg consequent zal (blijven) meewerken. Daarvan uitgaande dient de rechtbank het ervoor te houden dat betrokkene zich verzet tegen voortgezette klinische zorg, als hiervóór weergegeven.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
5.8.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een machtiging verlenen tot voortzetting van de crisismaatregel voor de duur van drie weken als verzocht.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor:
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] ,
wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 5.5 staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 16 april 2026;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.