Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1948, die lijdt aan de ziekte van Alzheimer. De zitting vond plaats op 26 maart 2026, waarbij betrokkene, zijn echtgenote, twee zoons, een casemanager dementie en een wijkverpleegkundige werden gehoord.
Betrokkene ontkent ziek te zijn en verzet zich tegen opname. De casemanager en wijkverpleegkundige bevestigen echter dat betrokkene geheugen- en oriëntatiestoornissen, waangedachten en agressief gedrag vertoont, wat leidt tot gevaarlijke situaties thuis en overbelasting van zijn echtgenote. Ambulante zorg en dagbesteding boden onvoldoende soelaas.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening met ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel, psychische schade, verwaarlozing en gevaar voor de veiligheid. Opname en verblijf zijn noodzakelijk en er zijn geen minder bezwarende alternatieven. Daarom wordt de machtiging voor zes maanden verleend, ondanks het verzet van betrokkene.