De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds maart 2025 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij zijn vader en heeft een zorgregeling met de moeder die deels begeleid verloopt. De GI stelt dat ondanks positieve ontwikkelingen zoals meer rust en structuur, emotietraining en ambulante opvoedondersteuning, de minderjarige nog steeds ernstig bedreigd wordt in zijn ontwikkeling door een complex en belast levensverhaal.
De kinderrechter heeft de minderjarige zelf gehoord via een brief en heeft de schriftelijke instemming van beide ouders ontvangen. De GI benadrukt de noodzaak van voortzetting van de ondertoezichtstelling om stabiliteit te behouden, de omgangsregeling zorgvuldig te monitoren en de emotionele begeleiding en schoolse ontwikkeling te ondersteunen.
De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet zonder toezicht worden weggenomen en de hechtingsrelaties zijn nog niet voldoende bestendig. De kwetsbare samenwerking tussen ouders en de prille uitbreiding van de omgang met de moeder vragen om zorgvuldige begeleiding.
Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd met zes maanden, van 29 maart 2026 tot 29 september 2026, en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.