Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3404

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/441588 / FA RK 25-5695
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doorverwijzing naar Uniform Hulpaanbod zonder wijziging zorgregeling in afwachting hulpverleningstraject

Partijen, ouders van drie minderjarige kinderen, zijn in een procedure verwikkeld over een wijziging van de zorg- en opvoedingstaken. De man verzoekt een nieuwe regeling met minder wisselmomenten, omdat de huidige regeling volgens hem onrust veroorzaakt bij de kinderen en niet meer aansluit bij hun levensfase. De vrouw wenst de huidige regeling te handhaven en betwist dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden.

De rechtbank heeft de mening van de kinderen betrokken en constateert dat zij geen directe problemen ervaren met de huidige regeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) vanwege de gespannen ouderrelatie die het maken van afspraken belemmert.

De rechtbank besluit de ouders en kinderen te verwijzen naar het UHA voor een passend hulpverleningstraject gericht op het verbeteren van de ouderrelatie en het betrekken van de kinderen bij beslissingen. De beslissing over de wijziging van de zorgregeling wordt aangehouden voor negen maanden, waarbij de huidige regeling ongewijzigd blijft. Proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af en verwijst ouders naar het Uniform Hulpaanbod voor een hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441588 / FA RK 25 -5695
datum uitspraak: 26 maart 2026
beschikking betreffende wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man], hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.M. van den Berg te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,hierna te noemen: de vrouw
,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. MJ.M. van Campen te Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 5 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 5 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 23 februari 2026 van mr. Van Den Berg.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] om hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft een brief gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben hier vervolgens op kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans
nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 3] .
2.2
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3
Sinds 14 juli 2018 geven partijen uitvoering aan een co-ouderschapsregeling, zoals zij deze zijn overeengekomen. De huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ziet er als volgt uit:

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de kinderen met ingang van de datum van de te wijzen beschikking in de oneven weken bij de man verblijven vanaf maandag tot woensdagochtend naar school. Van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school verblijven de kinderen bij vrouw. In de even weken verblijven de kinderen van maandagmiddag na school tot woensdagochtend naar school bij de man. Van woensdagmiddag na school tot vrijdagavond 19:00 uur verblijven de kinderen bij de vrouw. Van vrijdagavond 19:00 uur tot woensdag naar school verblijven de kinderen weer bij de man. Indien er geen school is (bijvoorbeeld wegens studiedag of ziekte) zal het wisselmoment om 12:00 uur plaatsvinden.
II. althans ten aanzien van het onder I verzochte een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man. De vrouw verzoekt:
I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen;
II. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.De standpunten

4.1
Door en namens de man is het volgende naar voren gebracht. Tijdens het opstellen van de huidige regeling in het ouderschapsplan is rekening gehouden met de jonge leeftijd van de kinderen. Inmiddels zijn de kinderen ouder en sluit de regeling niet meer aan bij de levensfase van de kinderen. Daarom wenst de man de regeling te wijzigen. In de huidige regeling zitten acht wisselmomenten per twee weken en dit zorgt voor onrust bij de kinderen en ook zijn de wisselmomenten verschillend per week. [minderjarige 3] wordt op momenten dat er een wisseldag nadert, fysiek onrustig en vertoont dan wild en opstandig gedrag. De andere kinderen hebben dat ook, maar in mindere mate. De wisseldagen staan in het teken van de wissel, zowel op praktisch als op emotioneel vlak. De kinderen ervaren volgens de man rust op niet-wisseldagen en die zijn er in de huidige regeling weinig. De man merkt dat de kinderen in de weekenden en vakanties prima langer op aaneengesloten dagen bij de man kunnen zijn en dat dat veel rust geeft. Hij wil niet dat de rust van de kinderen wordt onderbroken door de wisselmomenten en het ongemak van bijvoorbeeld het meenemen van meerdere tassen naar school. Dit geldt met name voor [minderjarige 1] , die nu op de middelbare school zit. Verder wil de man een regeling die in beide weken vergelijkbaar is. De man vindt dan ook een regeling met minder wisselmomenten en daardoor meer ‘quality time’ beter passen bij de huidige levensfase van de kinderen. De regeling die de man verzoekt is haalbaar met het werk van partijen en neemt vier overdrachtsmomenten per week weg. Ook is de relatie tussen partijen gespannen, waardoor de vele wisselmomenten aan de deur onrustig verlopen. Het terugbrengen van het aantal wisselmomenten geeft minder spanningen aan de deur. De wisselingen via school verlopen rustiger. Partijen hebben eerder via een mediator geprobeerd afspraken te maken, maar dit is niet gelukt. De vrouw heeft voorgesteld om de kinderen zelf invulling te laten geven aan de zorgregeling, maar hier staat de man niet achter. Hij vreest dat de kinderen dan in een loyaliteitsconflict belanden. De man staat open voor een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod en wenst dat in dat geval tijdelijk de regeling, zoals door hem verzocht, wordt bepaald.
4.2
Door en namens de vrouw is het volgende naar voren gebracht. Zij wenst de huidige zorgregeling ongewijzigd te laten. Door de man wordt onvoldoende onderbouwd waarom de regeling niet meer aansluit bij de kinderen en dat de door de man verzochte wijziging in het belang van de kinderen zou zijn. De regeling functioneert volgens haar goed, de kinderen zijn eraan gewend en zij ontwikkelen zich goed. De vrouw ontvangt geen signalen dat de regeling met de wisselmomenten voor onrust zou zorgen bij de kinderen en zij geven bij de vrouw aan dat voor hen de huidige regeling prettig is. De vrouw stelt dan ook dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Ook is het verzoek van de man praktisch niet haalbaar voor de vrouw, aangezien haar werk en oppas al jaren afgestemd zijn op de huidige zorgregeling en de vrouw dit volledig zou moeten herinrichten. Als er al een wijziging zou moeten plaatsvinden, zou het volgens de vrouw het meest passend zijn dat de kinderen op donderdag en vrijdag bij de man verblijven in verband met haar werk. Verder geeft de vrouw aan dat zij het belangrijk vindt om de kinderen te betrekken bij beslissingen die hen betreffen. Zij laat ze echter niet zelf de zorgregeling bepalen. De vrouw heeft eerder al voorgesteld om via een coachingstraject met de man te overleggen over de de regeling. Dit heeft echter nooit plaatsgevonden. De vrouw heeft daarnaast een tijdelijk gewijzigde regeling voorgesteld met een proefperiode van zes maanden en een gezamenlijke evaluatie onder begeleiding van een coach. De man heeft dit echter niet willen proberen en is een procedure gestart. De vrouw wil graag in gesprek met de man onder professionele begeleiding, zodat er gelijkwaardig naar de wensen van beide partijen gekeken kan worden. Er hebben namelijk nog nooit gesprekken tussen partijen onder begeleiding plaatsgevonden. De vrouw staat open voor een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod. In afwachting van dat traject wenst de vrouw de regeling niet aan te passen.
4.3
[minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij het al met zijn ouders over de zorgregeling heeft gehad. [minderjarige 1] vindt de zorgregeling zoals deze op dit moment is, prettig en daar wil hij eigenlijk niets aan veranderen. De wisselingen zijn geen probleem voor [minderjarige 1] en tot nu toe is hij nog niets vergeten voor school. [minderjarige 1] is gewend om kortere periodes bij allebei zijn ouders te zijn en het lijkt hem saai om te lang bij de ene of de andere ouder te zijn.
4.4
[minderjarige 2] heeft in zijn brief aan de kinderrechter aangegeven dat hij de regeling op dit moment prima vindt. Soms komt [minderjarige 2] moe thuis, maar dat hoort bij zijn leeftijd. [minderjarige 2] vindt school nogal moeilijk. Als iets dan niet lukt, dan wordt hij daar moe van. Dit komt dus niet door de regeling.
4.5
De Raad benoemt dat partijen goed voor hun kinderen zorgen, maar uit de stukken en tijdens de zitting blijkt dat partijen nog enorm in de ouderstrijd zitten. Hierdoor loopt het met momenten uit de hand tussen partijen. De door beide partijen voorgestelde wijzigingen in de huidige regeling kunnen goed zijn maar de huidige regeling is ook een goede regeling. Helaas lukt het partijen niet om tot overeenstemming te komen, wat met name door de ouderstrijd lijkt te komen. De Raad adviseert partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod en acht het in het belang van de kinderen dat partijen een poging wagen om via het Uniform Hulpaanbod tot overeenstemming te komen.

5.De beoordeling

Verwijzing via het Uniform Hulpaanbod
5.1
Tijdens de zitting hebben partijen aangegeven gebruik te willen maken van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Ook de Raad adviseert om partijen door te verwijzen naar het UHA. Tijdens de zitting is gebleken dat de voorstellen van partijen ogenschijnlijk dicht bij elkaar lijken te liggen en dat beide ouders het beste voor hebben met de kinderen. Op een of andere manier lukt het partijen echter niet om uit de ouderstrijd te blijven. Zodra er iets verwacht wordt van de ander, escaleert het overleg tussen partijen, waarbij partijen elkaar over en weer verwijten niet flexibel te zijn en niet mee te willen denken met de ander. De rechtbank heeft daardoor uit de stukken en tijdens de zitting de indruk gekregen dat er nog onderliggende emoties spelen tussen partijen. Hierdoor zijn partijen niet in staat om zich voldoende in te leven in de ander en daarmee samen te kijken wat het beste is in het belang van de kinderen. De problematiek lijkt hierbij in de ouderrelatie te zitten en niet zozeer in de zorgregeling zelf. De verstoring van de ouderrelatie zorgt ervoor dat partijen niet in staat zijn om afspraken te maken over praktische zaken, zoals het wijzigen van de zorgregeling.
5.2
De rechtbank acht het daarom, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun kinderen een passend hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun kinderen voor hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
5.3
Met de inzet van het hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
5.4
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
5.5
Na afloop van het hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op
26 november 2026pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
5.6
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.
5.7
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
5.8
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
5.9
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
5.1
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.11
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5.12
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
5.13
Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot een wijziging van de zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Geen wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.14
De rechtbank zal gedurende het hulpverleningstraject de huidige zorgregeling niet wijzigen. Dit betekent dat deze in stand blijft. De zorgregeling geldt sinds 2018 en de kinderen zijn deze zorgregeling gewend. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen om nu een tijdelijke regeling vast te stellen die anders is dan de huidige zorgregeling, terwijl er mogelijk aan de hand van de uitkomsten van het Uniform Hulpaanbod andere afspraken tussen partijen worden gemaakt. Uit het kindgesprek met [minderjarige 1] en de brief van [minderjarige 2] blijkt daarnaast dat zij niet direct last ervaren van de huidige regeling. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van de kinderen om vooruitlopend op de hulpverlening een tijdelijke regeling vast te stellen.
Proceskosten
5.15
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een jeugdhulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
6.2
verzoekt het loket om uiterlijk op
26 november 2026pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
6.5
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda , wanneer het hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.9 vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
6.7
houdt aan de beslissing op het verzoek met betrekking tot een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda .