Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3405

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/446221 / JE RK 26-476
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
  • Verschoor-Bergsma
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van vijf minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 maart 2026 een beschikking gegeven in een zaak over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarigen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.

De feiten betreffen een onveilige opvoedsituatie met vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarbij vooral de vader genoemd wordt. De minderjarigen zijn verdeeld in twee groepen: de jongens worden geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, terwijl de meisjes met de moeder op een geheime locatie verblijven. De vader verzette zich tegen de plaatsing van de meisjes bij de moeder, uit zorgen over negatieve beïnvloeding en opvoedcapaciteiten.

De rechtbank oordeelde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. Daarom werd ondertoezichtstelling bevolen en machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De meisjes mogen voorlopig bij de moeder blijven onder toezicht, maar de rechtbank houdt de situatie nauwlettend in de gaten en stelt de behandeling van het resterende verzoek aan de machtiging tot uithuisplaatsing van de meisjes aan tot een nader te bepalen zitting.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de ouders zijn apart gehoord vanwege veiligheidszorgen. De rechtbank benadrukt het belang van een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie en vraagt om voortgangsrapportages van de Raad en de gecertificeerde instelling.

Uitkomst: De rechtbank stelt vijf minderjarigen onder toezicht en verleent machtigingen tot uithuisplaatsing met verschillende verblijfsregelingen, waarbij de behandeling van het resterende verzoek voor de meisjes wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446221 / JE RK 26-476
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5], geboren op [geboortedag 5] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] , doch feitelijk verblijvende op een geheim adres,
advocaat: mr. E.A. Prins te Nieuwegein;
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 1] , doch feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. M.B. Meerzorg te Amsterdam;
en
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, ontvangen op 19 maart 2026;
  • het raadsrapport, ontvangen op 24 maart 2026;
- het verweerschrift van de vader met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat via een online verbinding;
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
2.3.
Bij beschikking van 7 januari 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 januari 2026 en tot 7 april 2026.
2.4.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat voornoemde minderjarigen voorlopig zijn toevertrouwd aan de moeder. Voorts heeft de rechtbank bij deze beschikking de Raad verzocht onderzoek te doen en voor 7 april 2026 te rapporteren en adviseren in de reeds aanhangig gemaakte bodemprocedure.
2.5.
Bij beschikking van 19 februari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een geheime locatie (met de moeder) verleend met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026. Deze machtigingen zijn vervolgens bij beschikking van 24 februari 2026 verlengd tot 7 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor jeugdhulp en van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (met moeder) op een geheime locatie, voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de Raad toegelicht dat bedoeld is te verzoeken om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en dat de onder toezichtstelling en machtiging ten aanzien van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid zullen gelden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De zorgen ten aanzien van de minderjarigen zijn groot. Zij zijn opgegroeid in een zeer onveilige opvoedsituatie. De Raad maakt zich zorgen over de seksuele beeldvorming en ontwikkeling van de minderjarigen en over de opvoedvaardigheden van de ouders. Voorts zijn er signalen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag naar [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . De Raad is bezorgd over de veiligheid van de minderjarigen en wat voor impact de ingrijpende gebeurtenissen op hen hebben. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen, anders dan de meisjes, thans niet bij de moeder wonen, omdat onvoldoende duidelijk is wat dit betekent voor hun veiligheid, alsook die van de moeder en de meisjes. De meisjes kunnen wel veilig bij de moeder worden geplaatst; een passend alternatief is er niet. Op de plek waar de meisjes met de moeder verblijven is toezicht en het is er veilig.
4.2.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de Raad. De moeder stelt dat het goed gaat met de meisjes en dat zij goed in staat is haar moederrol op zich te nemen.
4.3.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen de uithuisplaatsing van de meisjes op een veilige plek bij de moeder. De vader wil dat de meisjes gezamenlijk en zonder de moeder in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, dan wel op een geheime locatie worden geplaatst. De vader maakt zich zorgen over negatieve beïnvloeding vanuit de moeder over de vader wanneer de meisjes langer bij haar zullen verblijven. Zij is volgens hem niet in staat de veiligheid van hen te waarborgen. Ook maakt de vader zich zorgen over of de moeder in staat is de opvoedingstaken naar behoren te vervullen. De vader heeft zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling en ook niet tegen de uithuisplaatsing van de jongens in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
4.4.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad en sluit zich aan bij de naar voren gebrachte zorgen.

5.De beoordeling

Apart horen
5.1.
Bij aanvang van de zitting hebben de GI en de Raad verzocht de ouders apart van elkaar te horen. De Raad heeft toegelicht dat dat in het belang is van de veiligheid van de moeder en van het lopende politieonderzoek. Verder geeft de Raad aan dat gezien de zorgen over intieme terreur, zij als uitgangspunt nemen dat de ouders gescheiden van elkaar dienen te worden gehouden. Enkel het kunnen horen van de andere partij kan al een gevoel van onveiligheid geven en een grote impact hebben.
5.2.
De vader voert verweer en heeft de voorkeur voor gelijktijdige aanwezigheid van ouders tijdens de zitting, zodat partijen over en weer op elkaar kunnen reageren. De vader voorziet geen onveilige situatie, nu de vrouw digitaal aansluit. Het niet gelijktijdig horen is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
5.3.
De moeder zou graag apart gehoord worden gezien de zorgen over de veiligheid van de moeder en de minderjarigen. Er moet geen risico worden genomen die zorgen te vergroten. Namens de moeder wordt naar voren gebracht dat door het uitvoerige rapport van de Raad aan het beginsel van hoor en wederhoor reeds is voldaan.
5.4.
De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en heeft de vader en de moeder tijdens de zitting derhalve apart van elkaar gehoord. De advocaten van partijen waren gedurende de gehele zitting aanwezig. De rechtbank heeft hiertoe besloten omdat het voor het maken van een goede afweging van de belangen van de minderjarigen noodzakelijk is dat beide ouders naar voren kunnen brengen wat zij willen en dat zij zich hierin niet beperkt voelen. Gezien de zorgen en vermoedens van intieme terreur en hetgeen hierover door de moeder en de Raad naar voren is gebracht ziet de rechtbank aanknopingspunten te veronderstellen dat de moeder in aanwezigheid van de vader niet vrij durft te verklaren. Dit acht aldus de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen.
Wettelijk kader
5.5.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechtbank een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.6.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechtbank de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.8.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] wordt ernstig bedreigd. De rechtbank maakt zich grote zorgen over de minderjarigen. Hoewel de vader alle zorgen stellig betwist, vindt de rechtbank de naar voren gebrachte signalen en zorgen van zeer ernstige aard. In het raadrapport komen allereerst zorgen naar voren over mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag naar [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , waarbij (vooral) vader wordt genoemd, maar niet uitgesloten kan worden dat ook anderen betrokken zijn. De Raad heeft hiervan een melding gedaan bij Veilig Thuis in het kader van stafbare kindermishandeling. Er bestaan ook ernstige zorgen over de seksuele beeldvorming en ontwikkeling van de minderjarigen, waar de door de politie aangetroffen camerabeelden aanleiding toe geven. Tussen de ouders was bovendien veel sprake van ruzie waar de minderjarigen oor- en ooggetuigen van zijn geweest. Er zou sprake zijn geweest van een ongelijkwaardige, controlerende en dwangmatige relatie en intieme terreur. De rechtbank maakt zich daarbij zorgen over de opvoedvaardigheden van beide ouders. De dwingende en controlerende houding van de vader wordt allerminst in het belang van de minderjarigen geacht. Ten aanzien van de moeder vraagt de rechtbank zich met de Raad af of zij voldoende weerbaar is en of zij de minderjarigen kan begrenzen, nu zij het gezag van de moeder moeilijk lijken te accepteren. Hoewel nog onduidelijk is wat zich de afgelopen jaren in de thuissituatie precies heeft afgespeeld en waar de minderjarigen aan blootgesteld zijn, is in ieder geval duidelijk dat zich ingrijpende gebeurtenissen hebben afgespeeld en dat sprake was van een onveilige opvoedsituatie. De rechtbank maakt zich grote zorgen over de impact van al deze gebeurtenissen op de minderjarigen. Door het uiteengaan van de ouders en het niet langer verblijven van de minderjarigen in de thuissituatie zijn deze zorgen niet weggenomen. Zo is het gezin omwille van hun veiligheid met spoed in drie delen uiteen getrokken, is er thans geen sprake is van contact tussen de gezinsleden onderling en bestaat er onduidelijkheid over de toekomst. Verder bestaan er nog altijd zorgen over de acute veiligheid van de minderjarigen en de moeder, gezien de extreme en zorgelijke uitspraken die de vader heeft gedaan. Hoewel de vader tijdens de zitting heeft toegelicht dat deze uitspraken in een andere context gelezen dienen te worden, zijn de zorgen bij de rechtbank hierover niet weggenomen.
5.9.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De rechtbank stelt [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht voor de duur van een jaar. Ten aanzien van [minderjarige 1] zal de ondertoezichtstelling worden beperkt in duur tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 11 september 2026.
5.10.
De rechtbank acht het noodzakelijk dat de GI binnen een gedwongen kader regie voert. Het is van groot belang dat op korte termijn zicht komt op hetgeen de minderjarigen allemaal hebben meegemaakt en wat dit voor impact heeft gehad op hun ontwikkeling. Voorts dient te worden onderzocht welke hulpverlening noodzakelijk is, voor zowel de ouders als de minderjarigen, waarna dit dient te worden ingezet onder monitoring van het verloop hiervan. De rechtbank vindt het verder noodzakelijk dat de komende periode in ieder geval zal worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • De kinderen groeien op in een fysiek en (emotioneel) veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin er responsief en sensitief op hun behoeften wordt ingespeeld;
  • Er is zicht op de (on)veiligheid van de kinderen en eventuele traumaklachten zijn in beeld gekomen en met adequate hulp verholpen;
  • Er is zicht op mogelijkheden, inzicht en de opvoedvaardigheden van beide ouders;
  • Er is perspectief op waar de kinderen verder gaan opgroeien en hoe het contact met de verschillende gezinsleden eruit komt te zien.
5.11.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] noodzakelijk is.
5.12.
De rechtbank zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als niet weersproken, uithuisplaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De rechtbank is gebleken dat de jongens goed gedijen waar zij thans verblijven. Zij komen toe aan hun eigen ontwikkeling en zijn veilig. De rechtbank zal het verblijf aldaar aldus bestendigen voor [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden en voor [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid.
5.13.
De rechtbank zal [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] uithuisplaatsen (met moeder) op een geheime locatie. Daar waar de vader stelt dat de meisjes niet langer bij de moeder kunnen blijven, omdat de moeder hen negatief beïnvloedt, acht de rechtbank deze geuite zorgen onvoldoende onderbouwd en voorts niet van dien aard dat die ertoe zouden moeten leiden dat zij niet langer bij de moeder kunnen verblijven. Wel maakt de rechtbank zich, net als de vader, zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder. Gelet op de in het raadsrapport naar voren gebrachte zorgen, waaronder ook de seksuele onveiligheid waarin moeder een rol lijkt te hebben gespeeld, vraagt de rechtbank zich af in hoeverre de moeder de meisjes veiligheid kan beiden en aan kan sluiten bij hun behoeftes.
5.14.
In reactie op de door de rechtbank geuite zorgen geven de Raad en de GI aan dat de meisjes thans veilig zijn bij de moeder en dat er geen passend alternatief is. Er is continu toezicht en begeleiding bij hen aanwezig. Plaatsing van de meisjes elders wordt door de Raad en de GI niet in hun belang gebracht. Door de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat de meisjes nu beter naar haar luisteren en dat het haar goed lukt om haar moederrol op zich te nemen. Voor de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat de acute veiligheid van de meisjes op dit moment niet in gevaar is en dat de moeder haar best doet haar moederrol invulling te geven.
5.15.
Desalniettemin zijn de zorgen van de rechtbank over het plaatsen van de meisjes met de moeder op een veilige locatie niet volledig weggenomen. Hoewel de moeder aangeeft door de vader te zijn gedrogeerd en niks meer te weten van de seksuele handelingen in het bijzijn van de minderjarigen, hetgeen blijkens de beschrijving door de politie te zien is op de camerabeelden, bestaat er nog veel onduidelijkheid over hetgeen zich in de thuissituatie heeft afgespeeld en in welke mate de moeder hier een rol in heeft gehad.
5.16.
De redenering van de vader dat de moeder niet in staat is de minderjarigen een veilige en stabiele leefomgeving te bieden, omdat zij bijvoorbeeld niet naar school gaan en omdat [minderjarige 3] zorgelijk uitspraken zou doen, volgt de rechtbank niet. Dat de minderjarigen niet naar school gaan en dat [minderjarige 3] zorgelijke uitspraken doet is niet alleen moeder te verwijten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bovendien geen direct gevolg van de huidige plaatsing bij moeder op een geheime locatie, maar een gevolg van de, naar waarschijnlijkheid reeds jarenlang aanwezige, onveilige thuissituatie en de huidige ontstane situatie, waar ook de vader een rol in heeft gespeeld.
5.17.
Om deze reden zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de meisjes (met de moeder) op een veilige plek toewijzen voor de duur van drie maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De rechtbank vindt het gezien de aanwezige zorgen noodzakelijk om vinger aan de pols te houden. De komende periode zal meer zicht moeten komen op de veiligheid van de meisjes bij de moeder en op haar opvoedcapaciteiten. Ook zal meer zicht verkregen moeten worden op de rol van de moeder binnen eventueel ontoelaatbaar seksueel gedrag. Alternatieven ten aanzien van de verblijfplaats van de meisjes zullen indien nodig ook moeten worden onderzocht. Het is hierbij van groot belang dat de meisjes, net als de jongens, op korte termijn hun normale leven weer kunnen oppakken nu zij hier reeds langere tijd van verstoken zijn. Het is in het belang van hun ontwikkeling dat zij weer naar school kunnen en kunnen toekomen aan hobby’s en sporten.
5.18.
De rechtbank verzoekt partijen om binnen twee weken na datum van deze beschikking hun verhinderdata voor de periode half mei tot 26 juni 2026 te overleggen. De rechtbank zal de zaak vervolgens met inachtneming van de verhinderdata van partijen op een zitting plannen in de tweede helft van mei dan wel juni 2026 voor een nadere zitting,
5.19.
De rechtbank verzoekt aan de Raad en de GI om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nader te bepalen zitting schriftelijk verslag uit te brengen over de ontwikkelingen van de komende periode en daarbij haar visie te geven over het resterende deel van het verzoek en het verdere procesverloop in deze zaak.
5.20.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
stelt [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027;
6.2.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 26 maart 2026 tot zijn meerderjarigheid op 11 september 2026;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 maart 2026 tot 26 september 2026;
6.4.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 maart 2026 tot zijn meerderjarigheid op 11 september 2026;
6.5.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een geheime locatie (met de moeder) met ingang van 26 maart 2026 tot 26 juni 2026;
6.6.
houdt de behandeling van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voor het overige aan tot een nader te bepalen meervoudige zitting, gelegen voor 26 juni 2026, tegen welke zitting de Raad, de GI, de vader en de moeder dienen te worden opgeroepen;
6.7.
verzoekt de Raad en de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting schriftelijk verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken en hun standpunt over het resterende deel van het verzoek,
6.8.
bepaalt dat de griffier de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor de nader te bepalen zitting opnieuw zal oproepen voor een kindgesprek;
6.9.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
6.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders door de vader verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Voorn, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Borm , kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en op schrift gesteld op 10 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.