Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3408

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/444211 / JE RK 26-107
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door ouderconflict

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om twee minderjarigen onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door langdurige complexe scheidingsproblematiek en het ontbreken van constructieve samenwerking tussen de ouders.

Tijdens de zitting, waarbij ook de minderjarigen werden gehoord, bleek dat zij last hebben van de ruzies tussen hun ouders en problemen op school. De ouders verschillen van mening over de zorgregeling en hebben geen overeenstemming bereikt, waardoor vrijwillige hulpverlening niet van de grond is gekomen.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd en dat de ouders onvoldoende in staat zijn deze bedreiging weg te nemen. Daarom werd een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar uitgesproken, met als doel het creëren van een stabiele opvoedingsomgeving, het verbeteren van de samenwerking tussen ouders en het bieden van passende ondersteuning op school.

De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en de ouders zijn aangespoord hun verantwoordelijkheid te nemen en mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de twee minderjarigen onder toezicht voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door ouderlijke conflicten en gebrekkige samenwerking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444211 / JE RK 26-107
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.E. Brouwer uit 's-Hertogenbosch,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R. Joosen uit Oosterhout.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Het verzoek is gelet op de nauwe samenhang gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de ouders over vervangende toestemming medische behandeling en wijziging van de zorgregeling in de zaak met kenmerk C/02/438202 FA RK 25-3880. Bij de zitting waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De mening van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]

4.1.
[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter onder meer aangegeven dat hij twee dagen minder bij zijn vader wil zijn. Hij vindt het daar niet altijd fijn omdat zijn vader soms schreeuwt en boos wordt. Ook zou hij graag vooraf willen weten of de nieuwe partner van de vader, [persoon] er is, als hij en zijn zus er zijn. Hij wil namelijk ook graag met zijn vader alleen dingen doen. Daarnaast heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij vroeger veel last heeft gehad van de ruzies tussen zijn ouders. Hij zou hier hulp voor willen. Tot slot heeft [minderjarige 2] verteld over dat hij op school geplaagd wordt en dat hij graag naar een school in [woonplaats 1] wil.
4.2.
[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter onder meer aangegeven dat zij van woensdag tot en met maandag naar haar vader wil en dat zij de week daarna bij de moeder wil zijn. Het eetmoment op de donderdag vindt zij onrustig omdat zij daardoor veel in de auto moet zitten. [minderjarige 1] zou graag vooraf willen weten of de nieuwe partner van de vader, [persoon] er is, als zij en [minderjarige 2] bij de vader zijn. Zij wil namelijk ook graag alleen dingen doen met haar vader. Ook [minderjarige 1] geeft aan dat de vader soms schreeuwt en boos wordt. Daarnaast heeft [minderjarige 1] aangegeven dat zij vroeger veel last heeft gehad van de ruzies tussen haar ouders. Zij zou hier hulp voor willen.

5.De standpunten

5.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben last van de langdurige complexe scheidingsproblematiek en van het ontbreken van een constructieve samenwerking en van een goede communicatie tussen de ouders over de kinderen. De kinderen dreigen in een loyaliteitsconflict te geraken waardoor zij klem komen te zitten tussen de ouders. Ook is er sprake van een langdurige vertrouwensbreuk tussen de moeder en school. Zo is het volledige rapport van Praktijk Hoogbegaafd over de kinderen, ondanks het verzoek van de rechtbank daartoe, nog niet met school gedeeld. Ook heeft er nog geen afstemming tussen Praktijk Hoogbegaafd en school plaatsgevonden. Als gevolg hiervan lijken adviezen over de aanpak die nodig is voor de kinderen, verloren te gaan. Er zijn zorgen dat, als er niets verandert, de sociaal-emotionele, cognitieve en identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verder wordt bedreigd en daarmee hun kansen om op een onbelaste wijze contact met beide ouders te kunnen hebben. De ouders zijn niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid deze bedreiging weg te nemen en om hulpverlening daarvoor te accepteren. De ouders verschillen van visie over de zorgregeling en hebben geen overeenstemming over wat er nodig is. Hierdoor is hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond gekomen. De Raad acht systemische hulpverlening en hulpverlening om het ouderschap vorm te geven noodzakelijk. Daarnaast is er systemische hulpverlening en wellicht individuele hulpverlening voor de ouders nodig. Ook moeten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een vertrouwenspersoon krijgen in combinatie met psycho-educatie. De Raad verzoekt een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar nu de hulpverlening nog moet aanvangen en het belangrijk is dat op lange termijn gekeken wordt of de hulpverlening de noodzakelijke verandering voor de kinderen tot stand kan brengen en kan waarborgen.
5.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij een ondertoezichtstelling in het belang van de kinderen acht, nu het er niet naar uitziet dat de ouders op korte termijn, zelfstandig de zorgen over de kinderen kunnen wegnemen. De vrouw deelt de zorgen van de Raad en er is hulp nodig. Wat betreft school geeft zij aan dat school het multidisciplinair overleg onnodig lang heeft laten liggen. In dat overleg moet het gaan over passend onderwijs voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en over dat [minderjarige 2] dagelijks zwaar gepest wordt. Tot op heden heeft school hier nog niets meegedaan.
5.3.
Door en namens de vader is aangevoerd dat hij de noodzaak ziet voor de ondertoezichtstelling van de kinderen. Het lukt de ouders niet om in het vrijwillig kader tot goede afspraken te komen, nu de ouders verschillende inzichten hebben. Wat betreft school herkent de vader de zorgen deels. [minderjarige 2] wordt wel gepest maar de moeder vergroot de zorgen uit. De vader benadrukt dat de moeder de verslagen van Praktijk Hoogbegaafd met school dient te delen.
5.4.
De GI heeft naar voren gebracht dat er op dit moment sprake is van wachttijden. Als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, zal er eerst een monitoringsteam betrokken zijn. Dit team voert gesprekken met partijen en kan, indien nodig, hulpverlening inzetten. Voorts geeft de GI aan dat het ook in het kader van de ondertoezichtstelling belangrijk is dat de ouders hun verantwoordelijkheid voor de kinderen pakken. De GI zal de ouders daarin ondersteunen. Zo kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij een MDO op school. Van belang is in ieder geval dat de moeder de verslagen van Praktijk Hoogbegaafd met school deelt.

6.De beoordeling

6.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de scheidingsproblematiek en het ontbreken van goede oudercommunicatie- en samenwerking behoorlijk klem komen te zitten tussen de ouders. Zij hebben veel meegekregen van de ruzies tussen de ouders toen deze nog een relatie met elkaar hadden. De ouders hebben op veel zaken een andere visie, praten negatief over de andere ouder en wantrouwen elkaar onderling wat voor wrijving zorgt. Dit zorgt voor onrust en spanningen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn loyaal aan beiden ouders. Het wordt voor hen echter steeds moeilijker om zich in de twee zeer verschillende opvoedsituaties waarin beiden ouders een ander beeld hebben van wat goed voor hen is te bewegen. Zij willen de ouders tevreden stellen waardoor zij het lastig hebben. Indien er niets verandert, dreigt een situatie te ontstaan waarin zij geen onbelast contact kunnen hebben met beiden ouders.
6.4.
Daarnaast maakt de kinderrechter zich ook zorgen over de ingewikkelde samenwerking tussen de moeder en school. Het is onbegrijpelijk dat de moeder het rapport van Praktijk Hoogbegaafd nog niet heeft gedeeld met school, dit terwijl zij al meermalen is gewezen op de noodzaak daarvan. Beide ouders zijn betrokken op de kinderen en willen het beste voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en juist daarom verzoekt de kinderrechter de moeder nogmaals met klem om het rapport zo snel als mogelijk over te leggen. Alleen dan kunnen de ouders samen met school en Praktijk Hoogbegaafd tot een breed gedeelde visie en een goede aanpak voor de kinderen komen.
6.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Systemische hulpverlening in het vrijwillig kader in niet van de grond gekomen. De ouders hebben verschillende visies op wat nodig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om veilig op te kunnen groeien. De aanhoudende samenwerkingsproblemen tussen de ouders en de ouderstrijd voeren de boventoon in plaats van de belangen van de kinderen. Het gaat de ouders daarom niet lukken om samen de problemen op te lossen.
6.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter benadrukt dat de ouders aan zet zijn, zij moeten nu echt hun verantwoordelijkheid als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan pakken. De ouders dienen systemische hulpverlening aan te gaan en zich daar beiden ten volste voor in te zetten. Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat er nu echt iets gaat veranderen.
6.6.
Tijdens de ondertoezichtstelling dient er in ieder geval te worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving, waarin zij niet belast worden met communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen de ouders;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen de kans om op een positieve en onbelaste manier contact te hebben en een band te onderhouden met beide ouders;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren ruimte om emoties, gedachten en wensen/behoeften t.a.v. het contact met de ouders te uiten;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen op school ondersteuning bij hun hoogbegaafdheid en intensiteiten en komen tot leren;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voelen zich veilig en prettig op school en kunnen aansluiten bij leeftijdsgenootjes;
  • Er is duidelijkheid over of een co-ouderschapregeling in het belang van de kinderen is;
  • De ouders werken mee aan systemische hulpverlening en hulpverlening gericht op het vormgeven van ouderschap na scheiding en maken, met hulpverlening, afspraken over een definitieve zorgregeling en wijze van samenwerking/communicatie t.a.v. de kinderen.
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.