Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3411

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/445212 / JE RK 26-290
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor zes maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De ouders en minderjarigen waren betrokken bij de zitting, waarbij de minderjarigen geen gebruik maakten van het spreekrecht.

De feiten tonen dat de minderjarigen sinds oktober 2022 onder toezicht staan van de GI en bij de vader verblijven op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. De GI constateert positieve ontwikkelingen, maar ook stagnatie in hulpverlening en problemen in de communicatie tussen ouders, wat leidt tot onrust en onduidelijkheid voor de kinderen. Zowel de ouders als de kinderen wensen een week-op-week-af regeling, maar de moeder is nog niet volledig toe aan een aaneengesloten zorgweek.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De ondertoezichtstelling wordt verlengd met zes maanden, de machtiging tot uithuisplaatsing met drie maanden, waarna het resterende verzoek wordt aangehouden. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechter benadrukt het belang van een geleidelijke opbouw naar de gewenste co-ouderschapsregeling en het naleven van afspraken door de ouders.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd met zes maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing met drie maanden, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445212 / JE RK 26-290
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
  • het stelbericht van mr. Doorakkers van 18 maart 2026;
  • het stelbericht van mr. Smeulders van 25 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 4 oktober 2022 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Bij beschikking van 10 september 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang tot 4 april 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 4 oktober 2025 tot 4 april 2026.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voornoemde machtiging bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI ziet dat er positieve stappen zijn gezet. Er is hulpverlening betrokken bij de ouders en er zijn doelen behaald ten aanzien van het individuele stuk van [minderjarige 2] . Eerdere hulpverlening heeft echter onvoldoende gewenste effect gehad. De GI geconstateerd dat vaak niet wordt doorgepakt door de hulpverlening, waardoor de hulp stagneert. Ouders zijn aangemeld bij [hulpverlening 1] . De oudercommunicatie blijft een probleem. Het traject kan waarschijnlijk binnen drie weken starten. De communicatie tussen de ouders verloopt niet goed. Er is een WhatsApp-groep met de ouders en de GI zodat de GI zicht heeft op de communicatie en advies kan geven indien dat noodzakelijk is. De ouders maken hiervan geen gebruik, ook niet voor de overdrachtsmomenten. Dit zorgt voor onrust. Er bestaat veel spanning rondom de overdrachtsmomenten. Daarom mag de overdracht niet meer bij de deur van de moeder plaatsvinden. De ouders houden zich niet aan deze regeling. Daarnaast speelt ook een financiële kwestie. De vader heeft bij de SVB aangegeven dat beide kinderen bij hem wonen, terwijl de afspraak was dat beide ouders één kind zouden inschrijven zodat de toeslagen eerlijk verdeeld zouden worden. De moeder geeft op zitting aan dat dit nog niet gecorrigeerd is omdat zij de papieren heeft, maar de vader dit niet wil tekenen. Dit kenmerkt de communicatie tussen de ouders. De GI wordt daar niet in meegenomen.
4.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven een week-op-week-af-regeling te willen, maar dat zij geen last ervaren van de ondertoezichtstelling zo lang zo’n regeling nog niet mogelijk is. Op zitting geven de ouders aan dat ook zij zo’n regeling zouden willen. De moeder heeft tot de zitting aan de GI aangegeven dit nog teveel te vinden. [hulpverlening 2] heeft ook aangegeven dat een extra dag zorg voor de kinderen aaneensluitend op de huidige regeling voor de moeder op dit moment nog teveel is. De GI wil voorkomen dat te snel wordt opgebouwd en dat de regeling te zwaar wordt voor de moeder waardoor er opnieuw onduidelijkheid bestaat voor de kinderen. Er is tijd nodig om toe te werken aan de co-ouderschapsregeling zoals de ouders deze willen. Er is rust nodig voor de moeder voordat er duidelijkheid kan komen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat maakt dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor zes maanden.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij geen bezwaar heeft tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder ziet de voordelen van de ondertoezichtstelling in en vindt het fijn dat de GI de regie heeft. De moeder kan zich echter niet vinden in de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoekt dit af te wijzen of slechts toe te wijzen voor de duur van drie maanden. Een aantal maanden geleden heeft de moeder aangegeven niet klaar te zijn voor co-ouderschap, maar zij is daar inmiddels wel aan toe. De moeder heeft de afgelopen zes maanden hard aan zichzelf gewerkt. Zij krijgt ambulante gezinsbegeleiding vanuit [hulpverlening 2] . Zij weet dat nog niet alles goed gaat, maar geeft aan dat zij goed voor de kinderen kan zorgen. De moeder heeft moeite met de communicatie met de vader. Dat ligt volgens haar aan beide ouders. De omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder is de afgelopen periode uitgebreid. De moeder wil een week-op-en-week-af-regeling. Daardoor zijn er minder overdrachtsmomenten en dus meer rust en stabiliteit. De moeder heeft gevraagd de overdrachtsmomenten ergens anders te laten plaatsvinden zodat er meer rust is. De moeder geeft aan niet sterk genoeg in haar schoenen te staan om de vader erop te wijzen dat hij zich moet houden aan de afspraken. De moeder gaat een weerbaarheidscursus volgen. De vader heeft, tegen de afspraken in, bij de SVB aangegeven dat beide kinderen bij hem wonen en wil de papieren niet tekenen om dit te corrigeren. Daardoor krijgt de moeder geen toeslag.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat het verzoek dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de vader de duur van de ondertoezichtstelling te beperken en de uithuisplaatsing af te wijzen. De vader is van mening dat sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, maar dat deze niet ernstig is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doen het goed op school en zitten lekker in hun vel. De vader en de kinderen ervaren de ondertoezichtstelling als belastend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven aan dat zij een week-op-week-af-regeling zouden willen, zodat er meer stabiliteit en minder onrust is. Een uithuisplaatsing is daarom niet nodig. De ouders gebruiken de WhatsApp-groep van de GI niet omdat zij rechtsreeks communiceren. Dat gaat volgens de vader goed. De GI heeft verschillende schriftelijke aanwijzingen gegeven. Bijvoorbeeld over de locatie van de overdrachtsmomenten. De vader vindt het niet passend dat de overdracht op een parkeerplaats moet plaatsvinden. Hij vindt dit ook niet nodig, aangezien er geen ruzies aan de deur bij de moeder zijn. Het traject bij [hulpverlening 1] heeft eerder al plaatsgevonden, maar de moeder heeft dat toen niet afgemaakt. Voor de vader is dat dus een herhaling, maar hij begrijpt dat het traject voor beide ouders nodig is. De vader werkt hieraan mee, dus dit hoeft niet te gebeuren vanuit een gedwongen kader. De ouders moeten nog een ouderschapsplan maken. Dit kan worden opgesteld samen met [hulpverlening 1] .

6.De beoordeling

6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt nog steeds voldaan. De kinderrechter is, in tegenstelling tot de vader, van oordeel dat nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter ziet dat een aantal zaken beter loopt dan voorheen. Er zijn verschillende hulpverleners betrokken bij de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het diagnostisch onderzoek voor [minderjarige 1] moet nog plaatsvinden. [minderjarige 2] heeft het PMT-traject positief afgerond, maar uit het onderzoek van MOEV volgt dat de ondersteuning van [hulpverlening 3] nog noodzakelijk is. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt. Het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder is uitgebreid. De moeder is er, zoals zij zelf ook aangeeft, nog niet. Zij is op de goede weg en heeft goede intenties, maar er moet nog een en ander gebeuren. Ze moet nog steviger worden. De moeder is bezig met een EMDR-traject en wil een weerbaarheidstraining volgen. Ondanks alle betrokken hulp, bestaat er nog geen rust in het systeem.
6.4.
Het hele systeem is het erover eens dat moet worden toegewerkt naar een week-op-week-af co-ouderschapsregeling. Gelet op het feit dat [hulpverlening 2] ziet dat de moeder er nog niet aan toe is om de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een aaneengesloten week te dragen, is het daar op dit moment nog te vroeg voor. Bovendien bestaan er nog zorgen over het houden aan de afspraken met de GI, de oudercommunicatie en de overdrachtsmomenten. De GI heeft verschillende schriftelijke wijzigingen naar de ouders gestuurd om beter zicht te krijgen op de communicatie en de overdrachtsmomenten. De communicatie tussen de ouders verloopt buiten de door de GI gemaakte WhatsApp-groep, terwijl de communicatie nog niet zoals gewenst is. Ook aan andere afspraken houden de ouders zich niet, zoals de overdrachtslocatie. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de ouders zich bijzonder weinig aantrekken van de ondertoezichtstelling en de schriftelijke aanwijzingen die de GI oplegt. Hierdoor kan de GI niet onderzoeken waar ondersteuning voor de kinderen en de ouders nodig is. Bovendien zorgt het voor veel onrust en onduidelijkheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is nog onvoldoende stabiliteit voor de kinderen voor een overdracht naar een vrijwillig kader. De kinderrechter wil voorkomen dat te vroeg wordt overgegaan tot een week-op-week-af co-ouderschapsregeling. Dan zou het risico op escalatie opnieuw aanwezig zijn, waardoor de ouders van vooraf aan moeten beginnen. Hier zullen met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de dupe van zijn. Om ervoor te zorgen dat de GI het tempo blijft bepalen en regie blijft voeren wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van zes maanden. Het is aan de ouders om te laten zien dat hun onderlinge communicatie daadwerkelijk goed verloopt en dat zij zich kunnen houden aan de voorwaarden van de GI. Juist door middel van de WhatsApp groep kunnen zij dat laten zien.
Uithuisplaatsing
6.5.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt voldaan. De uithuisplaatsing is noodzakelijk omdat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] feitelijk bij de vader is. Weliswaar verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer de helft van de dagen bij de moeder, maar zij slapen de meeste nachten bij de vader. Zo lang de situatie is zoals vastgelegd in de huidige omgangsregeling, is de uithuisplaatsing noodzakelijk.
6.7.
Zowel de ouders als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven een week-op-week-af co-ouderschapsregeling te willen. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader niet voor de verzochte zes maanden verlenen, maar voor drie maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. De komende maanden moet worden toegewerkt naar de gewenste co-ouderschapsregeling. Het is belangrijk dat dit pas gebeurt op het moment dat de moeder daar aan toe is. Dat zal in overleg met [hulpverlening 2] moeten gebeuren. De persoonlijke begeleider van [hulpverlening 2] is immers het nauwst betrokken bij de moeder en heeft dus het beste zicht op de mogelijkheden van de opbouw van de regeling. De kinderrechter benadrukt dat het belangrijk is dat de opbouw niet start voordat de moeder daar echt klaar voor is. Het zou namelijk niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn als de regeling na een tijd alsnog moet worden stopgezet. Zoals hiervoor benoemd zouden met name [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarvan de dupe zijn.
6.8.
De kinderrechter verwacht van de GI dat zij, indien zij het resterende deel van het verzoek handhaven, uiterlijk
op na te melden PRO FORMA datumin een schriftelijk verslag (een en ander onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaten van de ouders) nadere informatie geven over hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat en of er nieuwe ontwikkelingen zijn over de hulpverlening rondom de kinderen en de ouders ( [hulpverlening 1] ). Ook wenst de kinderrechter dan te vernemen hoe het staat met het co-ouderschap, de oudercommunicatie en de communicatie tussen de ouders en de GI.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.9.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 april 2026 tot 4 oktober 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag, de vader, met ingang van 4 april 2026 tot 4 juli 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader aan tot
11 juni 2026 PRO FORMA, in afwachting van informatie van de GI zoals weergegeven onder rechtsoverweging 6.8;
7.5.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.