Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3412

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/440065 FA RK 25-4868
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie na scheiding met samengestelde gezinnen

Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen met gezamenlijk gezag. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder, die in een andere plaats woont dan de vader. De vader verzoekt terugkeer naar co-ouderschap met hoofdverblijf bij hem, maar de rechtbank oordeelt dat terugverhuizing niet in het belang van de kinderen is, die inmiddels geworteld zijn op hun huidige woonplaats en school.

De zorgregeling wordt aangepast zodat de kinderen drie weekenden per maand bij de vader verblijven en het laatste weekend van de maand bij de moeder, met een gedetailleerde vakantieschema en regeling voor feestdagen. De rechtbank benadrukt het belang van rust en duidelijkheid voor de kinderen en moedigt partijen aan hulpverlening te volgen.

De kinderalimentatie wordt herberekend rekening houdend met gewijzigde omstandigheden, waaronder nieuwe kinderen uit andere relaties en gewijzigde inkomens. De rechtbank past de draagkrachtberekeningen toe volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie en bepaalt een lagere bijdrage van de vader per kind vanaf 17 september 2025 en 1 januari 2026. Terugvordering van te veel betaalde alimentatie wordt uitgesloten.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling en kinderalimentatie in het belang van de kinderen en wijst het verzoek tot terugverhuizing af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440065 FA RK 25-4868
26 maart 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] , gemeente Altena,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Bredius,
en
[de man],
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. F.M.O. van Leeuwen.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van mr. Van Leeuwen van 9 december 2025;
- het op 27 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties 1 tot en met 9;
- het op 5 februari 2026 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met producties 10 tot en met 22;
- de brief van mr. Van Leeuwen van 6 februari 2026 met producties 10 tot en met 15;
- de brief van mr. Bredius van 10 februari 2026 met een nieuwe productie 22;
-het op 11 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van Leeuwen met productie 16;
- de beschikking van de rechtbank van 13 oktober 2017, met aangehecht het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad).
1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Van die gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt. Tijdens de zitting van 12 februari 2026 heeft de rechter de inhoud van die gesprekken met toestemming van de minderjarigen aan partijen teruggekoppeld. Zij hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 31 augustus 2007 tot 30 oktober 2017;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011 (hierna: [minderjarige 2] ),
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013 (hierna: [minderjarige 3] );
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen;
- de kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.2
In het aan de beschikking van 13 oktober 2017 gehechte ouderschapsplan van 6 oktober 2017, hebben partijen afspraken gemaakt over het hoofdverblijf van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) en de kinderalimentatie. De zorgregeling hield een co-ouderschapsregeling in waarbij de kinderen week-op-week-af en de helft van de vakanties en feestdagen bij partijen verbleven.
2.3
Op 31 oktober 2022 hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt, waarmee de zorgregeling en afspraken over kinderalimentatie, zoals neergelegd in het ouderschapsplan, zijn gewijzigd. Volgens de gewijzigde zorgregeling verbleven de kinderen een weekend per veertien dagen bij de man (van vrijdag 19:30 uur tot zondag 19:30 uur). De kinderalimentatie hebben partijen vastgesteld op € 250,= per maand per kind.
2.4
Op 17 januari 2023 zijn partijen opnieuw een wijziging van de hiervoor weergegeven zorgregeling en kinderalimentatie overeengekomen. Vanaf 1 januari 2023 verblijven de kinderen drie weekenden per maand bij de man (van vrijdag 19:30 uur tot zondag 19:30 uur). De hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie is gewijzigd naar een bedrag van € 693,22 per maand / € 231,= per maand per kind (geïndexeerd naar 2025: € 784,= per maand / € 261,= per maand per kind; en geïndexeerd naar 2026: € 820,= per maand / € 273,= per maand per kind).

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, en onder wijziging van de beschikking van 13 oktober 2017, met daaraan gehecht het ouderschapsplan van 6 oktober 2017 en de overeenkomst tussen partijen van 17 januari 2023:
i. een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat
de kinderen ieder weekend bij de man verblijven van vrijdag 19:00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt, tot zondag 19:30 uur, waarbij de vrouw de kinderen bij de man ophaalt, en
de kinderen de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven conform het voorstel van de vrouw; en
ii. de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen met ingang van 1 september 2025 nader vast te stellen op € 298,= per maand per kind.
3.2
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
primair
i. vast te stellen dat de in het aan de beschikking van 13 oktober 2017 gehechte ouderschapsplan opgenomen co-ouderschapsregeling wordt hersteld;
ii. de vrouw te bevelen terug te verhuizen met de kinderen naar [plaats 2] , uiterlijk per 20 juli 2026;
iii. indien en voor zover de vrouw niet vrijwillig verhuist of er niet in slaagt de verhuizing
uiterlijk 20 juli 2026 te realiseren, vast te stellen dat de kinderen per die datum hun hoofdverblijf zullen hebben bij de man, daarbij een zorgregeling met de vrouw vast te stellen met dien verstande dat de vrouw zowel het halen als brengen voor haar rekening neemt, althans een prikkel of dwangmiddel te verbinden aan niet tijdige verhuizing;
subsidiair
iv. te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben;
v. een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de vrouw verblijven om het weekend/in de oneven weekenden, waarbij de man de kinderen op vrijdag 18:00 uur bij de vrouw brengt en de vrouw de kinderen op zondag 18:00 uur naar de man brengt;
vi. te bepalen dat indien een ouder incidenteel verhinderd is om het halen respectievelijk brengen te verzorgen, dit een volgende keer gecompenseerd wordt, althans gecompenseerd wordt aldus dat per kalenderjaar het halen en brengen evenwichtig verdeeld is;
vii. een en ander met ingang van de laatste schooldag/eerste dag zomervakantie 2026, althans een zodanige ingangsdatum die UE in het belang van de kinderen acht;
viii. vast te stellen dat de kinderen de helft van de schoolvakanties bij vader verblijven en de helft van de schoolvakanties bij moeder, conform het door de man overgelegde vakantieschema; en
primair en subsidiair
ix. de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen overeenkomstig de gewijzigde zorgregeling te wijzigen.

4.De beoordeling

Wijziging zorgregeling
4.1
Beide partijen verzoeken een wijziging van de zorgregeling, zowel in de reguliere weken als in de (school)vakanties en op feestdagen, op de wijze zoals hiervoor onder 3.1 (onder i.) en 3.2 (onder i. tot en met viii.) weergegeven.
4.2
In dit geval zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW [1] kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd. De rechtbank dient een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Achtergrond bij de gevraagde wijziging
4.3
Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw rond september 2018 vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] is verhuisd om te gaan samenwonen met een nieuwe partner. Door de afstand tussen de woonplaatsen van partijen werd het ingewikkeld om invulling te geven aan het co-ouderschap zoals zij dat in het ouderschapsplan hadden afgesproken. Partijen hebben de zorgregeling toen zodanig gewijzigd dat de kinderen, die destijds in [plaats 2] naar school gingen, van maandag tot en met donderdag bij de man verbleven. De vrouw haalde de kinderen op donderdag op uit school en bracht de kinderen op vrijdag vanuit [plaats 1] naar school in [plaats 2] . De kinderen verbleven afwisselend het hele dan wel een deel van het weekend bij de vrouw.
4.4
In 2022 stond [minderjarige 1] voor de keuze van een middelbare school. Hij heeft toen gekozen voor een school in [plaats 1] , waar hij in september 2022 is gestart. Ook de jongste kinderen hebben de wens geuit om in [plaats 1] naar de basisschool te gaan, waar zij in september 2022 zijn gestart. Inmiddels volgen alle drie de kinderen middelbaar onderwijs in [plaats 1] .
4.5
Het uitvoeren van de (gewijzigde) co-ouderschapsregeling was na de schoolwisseling van de kinderen naar [plaats 1] in 2022 niet meer haalbaar. Partijen hebben de zorgregeling daarom opnieuw gewijzigd in die zin dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben gekregen en drie weekenden per maand (van vrijdagavond tot zondagavond) en de helft van de schoolvakanties bij de man verblijven.
Standpunt van de vrouw
4.6
Volgens de vrouw is het een wens van de kinderen om meer tijd met de man door te brengen. Voor wat betreft de vakanties voert de vrouw aan dat overleg daarover
moeizaam is en gemaakte afspraken niet worden nagekomen. De vrouw wenst
structurele afspraken die duidelijk zijn en worden nageleefd.
4.7
De vrouw heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij is geschrokken van het verzoek van de man met betrekking tot de terugverhuizing van haar en de kinderen. Het is al acht jaar de realiteit dat zij in [plaats 1] woont. Sinds de verhuizing in 2022 verblijven ook de kinderen de meeste tijd in [plaats 1] , waar zij naar school gaan en vriendjes hebben. De kinderen zijn daar inmiddels geworteld. De vrouw heeft erop gewezen dat zij geen geschikte woonruimte heeft in [plaats 2] . Bovendien is uit haar tweede huwelijk een dochter geboren die geworteld is in [plaats 1] , waar ook haar vader woont (de voormalig echtgenoot van de vrouw). De vrouw heeft tot slot toegelicht dat de communicatie tussen partijen erg moeizaam verloopt.
Standpunt van de man
4.8
De man erkent dat de kinderen meer tijd met hem willen doorbrengen en ook hij wil de kinderen vaker zien en nauwer betrokken zijn bij hun levens. De man had echter liever in een mediationtraject naar oplossingen willen zoeken. De man wil de huidige zorgregeling dan ook graag uitbreiden, maar de manier die de vrouw voorstelt is volgens hem niet uitvoerbaar en niet reëel. De man wijst erop dat de kinderen vaak sociale activiteiten hebben in het weekend. Als zij doordeweeks bij de vrouw in [plaats 1] zijn en alle weekenden bij de man in [plaats 2] verblijven, zou dat betekenen dat sociale activiteiten ofwel niet door kunnen gaan ofwel dat de man een kind terug naar de omgeving [plaats 1] moet brengen en dan weer moet halen. Dat leidt niet tot meer stabiliteit voor de kinderen en zal het gehele gezin van de man ontwrichten, waartoe ook het kind van hem en zijn nieuwe echtgenote behoort. De man ziet hervatting van het co-ouderschap, zoals partijen oorspronkelijk in het ouderschapsplan hebben afgesproken, als de beste oplossing voor de kinderen. Daarvoor is een terugverhuizing van de vrouw naar [plaats 2] noodzakelijk. Die optie ligt volgens de man ook voor de hand, omdat de reden van de verhuizing van de vrouw naar [plaats 1] – haar relatie met een in [plaats 1] woonachtige man – is weggevallen omdat die relatie is verbroken.
4.9
Tijdens de zitting heeft de man toegelicht dat hij er met de kennis van nu spijt van heeft dat hij de verhuizing van de vrouw naar [plaats 1] in 2018 en later, in 2022, ook van de school van de kinderen naar [plaats 1] heeft toegestaan. Destijds heeft hij daar omwille van de kinderen geen strijd van willen maken en om die reden ook geen (juridische) procedure over gevoerd. Voor zijn gevoel had hij geen keuze, maar werd hij voor een voldongen feit gesteld. Als de man terugkijkt is zijn conclusie dat de verhuizing nooit goed is geweest voor de kinderen en niet had moeten plaatsvinden. Zij groeien nu op in twee verschillende werelden: doordeweeks in [plaats 1] bij de vrouw en in het weekend in [plaats 2] bij de man. De man heeft er verdriet van dat door de gang van zaken zijn rol in het leven van de kinderen de laatste jaren veel kleiner is geweest dan hij voor ogen had. De man wil er zijn voor de kinderen en vindt het belangrijk dat zij van beide ouders evenveel meekrijgen. Zijn deur staat altijd open voor de kinderen, maar hij ziet in de door de vrouw voorgestelde regeling waarbij de kinderen elk weekend bij de man zijn, niet de juiste oplossing. Volgens de man hebben partijen hulpverlening nodig om patronen te doorbreken, de onderlinge verstandhouding te verbeteren en de kinderen een stem te geven.
Standpunt van de Raad
4.1
De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat partijen hulpverlening nodig hebben. Een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod vindt de Raad echter niet in het belang van de kinderen. De Raad heeft zorgen over de belasting die deze procedure voor hen vormt, met name voor [minderjarige 3] . Het is in hun belang dat er op korte termijn duidelijkheid komt zodat de spanning die een procedure meebrengt, ophoudt. Volgens de Raad kunnen partijen gebaat zijn bij systeemtherapie om hun (onderlinge) problemen aan te pakken en tot oplossingen te komen. Met die vorm van hulpverlening kunnen partijen werken aan hun communicatie als ouders en wordt ruimte gegeven aan de kinderen om duidelijk te maken wat zij nodig hebben. De Raad onderkent weliswaar dat het voor de kinderen lastig kan zijn dat zij in twee werelden leven, maar acht een terugverhuizing naar [plaats 2] niet in hun belang. Zij wonen al een aantal jaar in [plaats 1] , hebben aan die jaren de meest actieve herinneringen, gaan in [plaats 1] naar school en hebben daar hun sociale kring.
Oordeel van de rechtbank
4.11
Tijdens de zitting hebben partijen erkend dat zij hulpverlening nodig hebben om de spanning en de communicatieproblemen tussen hen weg te nemen. De rechtbank heeft met partijen besproken welke mogelijkheden daartoe bestaan. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod niet in het belang van de kinderen is. Zij hebben behoefte aan rust en duidelijkheid. Er moet een einde komen aan de spanning die zij ervaren tussen ouders. Een aanhouding van een definitieve beslissing op de voorliggende verzoeken is daarom niet wenselijk. Partijen hebben tijdens de zitting beiden met het voorstel van de Raad ingestemd om systeemtherapie te gaan volgen. Met de hulpverlening kunnen zij werken aan het doorbreken van de huidige patronen. Daarnaast kunnen de kinderen zich in die setting uitspreken over wat zij van hun ouders verwachten en nodig hebben. Op die manier kan verder gekeken en gesproken worden over mogelijkheden om het contact tussen de man en de kinderen uit te breiden, vanuit de huidige situatie en indachtig de wensen en belangen van ieder van de kinderen.
4.12
Partijen hebben tijdens de zitting ook overleg gevoerd over de wijze waarop zij verder invulling moeten geven aan de zorgregeling. Zij hebben daarover geen overeenstemming kunnen bereiken. De rechtbank zal daarom een definitieve beslissing nemen op de verzoeken die zien op wijziging van de zorgregeling.
4.13
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man graag terug zou willen naar het co-ouderschap zoals partijen dat in 2017 hebben afgesproken, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat een terugverhuizing naar Vlaardingen op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank heeft dat ook ter zitting met partijen besproken. Naast de praktische bezwaren die aan een terugverhuizing van de vrouw in de weg staan, neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat de kinderen in de kindgesprekken de wens hebben uitgesproken om hun middelbare school in [plaats 1] af te maken. Zij zijn inmiddels (ook) op die plek geworteld en hebben daar hun (school)vrienden. Omdat de door de man voorgestane invulling van de zorgregeling een terugverhuizing van de kinderen wel tot uitgangspunt neemt, zal de rechtbank zijn daarmee samenhangende verzoeken zoals hiervoor weergegeven onder 3.2 onder i. tot en met v., afwijzen.
4.14
De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment ook niet in het belang van de kinderen is om de bestaande zorgregeling te wijzigen op de door de vrouw voorgestane wijze, waarbij de kinderen alle weekenden bij de man verblijven. De rechtbank vindt het belangrijk dat de kinderen ook op regelmatige basis een weekend in [plaats 1] zijn, zodat zij dat weekend de ruimte hebben om tijd met hun moeder (en zusje) door te brengen, activiteiten met vrienden te ondernemen of, voor [minderjarige 2] , een voetbalwedstrijd te kunnen spelen. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de huidige regeling waarin de kinderen drie weekenden per maand bij de man verblijven en één weekend bij de vrouw. Omdat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat partijen onenigheid hebben over de wijze waarop de weekenden (door)geteld worden, zal de rechtbank bepalen dat de kinderen steeds het laatste weekend van de maand bij de vrouw verblijven, tenzij uit de hierna onder 4.16 en 4.17 te bespreken vakantieregeling anders volgt. Voor de vraag in welke maand een weekend valt, is de vrijdag waarmee het weekend start bepalend. Ter verduidelijking: als vrijdag de laatste dag van de maand is (bijvoorbeeld 31 juli 2026), dan is het weekend dat op die vrijdag begint het laatste weekend van die maand (juli 2026). Sommige maanden bevatten vijf weekenden. Dat betekent dat de kinderen af en toe vier weekenden achtereen bij de man zijn (in plaats van drie). Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze regeling rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid, zodat de man en zijn werkgever daar ook bij de planning van de werkzaamheden van de man in het weekend rekening mee kunnen houden.
4.15
De rechtbank realiseert zich dat voortzetting van de huidige regeling voor geen van de betrokkenen (partijen en de kinderen) de ideale situatie is. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank een aanhouding van deze procedure in afwachting van een hulpverleningstraject echter nog minder in het belang van de kinderen. De rechtbank tekent daarbij aan dat weliswaar sprake is van een eindbeslissing, maar daarmee niet per se van een eindsituatie. De rechtbank moedigt partijen aan om met hulpverlening te werken aan een verbeterde verstandhouding en de totstandkoming van eventuele nadere afspraken die de kinderen de rust en duidelijkheid bieden waar zij behoefte aan hebben.
4.16
Partijen zijn het erover eens dat de vakanties en feestdagen gelijk over partijen worden verdeeld. Voor een groot deel zijn zij het ook over de invulling van de verdeling eens. Zij verschillen echter van mening over de Kerstvakantie, Vaderdag en Moederdag en Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. De man stelt voor dat de kinderen in de Kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij hem zijn en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom. Hij vindt het niet nodig om voor de Kerstdagen en Vaderdag en Moederdag een specifieke regeling te treffen. Verder stelt de man voor dat de kinderen in de even jaren op Goede vrijdag en met Pasen bij hem zijn en met Hemelvaart en Pinksteren bij de vrouw, en in de oneven jaren andersom. De vrouw ziet graag dat de Kerstdagen ieder jaar tussen partijen worden verdeeld en dat de kinderen op Vaderdag bij de man verblijven en op Moederdag bij de vrouw. Voor de feestdagen die aansluiten op een weekend stelt zij voor dat de kinderen die dagen verblijven bij de ouder waarin zij het (aansluitende) weekend verblijven.
4.17
De rechtbank zal een beslissing nemen die zij het meest in het belang van de kinderen acht. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het verblijf van de kinderen in de vakanties gelijk over partijen wordt verdeeld op een wijze die aan partijen en de kinderen zo veel mogelijk rust en duidelijkheid biedt. De rechtbank vindt het verder in het belang van de kinderen om jaarlijks de Kerstdagen met zowel de man als de vrouw te kunnen doorbrengen. Om te veel wisselingen in de Kerstvakantie te voorkomen zal de rechtbank afwijken van het door beide partijen gehanteerde uitgangspunt dat de kinderen de eerste (volle) week bij de ene ouder verblijven en de tweede (volle) week bij de ander. De rechtbank zal met het oog daarop de hieronder weergegeven regeling bepalen.
Vakantie/feestdag
Man
Vrouw
Voorjaarsvakantie
Altijd
Nooit
Zomer
Oneven jaren:
Eerste helft
Even jaren:
Tweede helft
Oneven jaren:
Tweede helft
Even jaren:
Eerste helft
Meivakantie
Oneven jaren:
Eerste helft
Even jaren:
Tweede helft
Oneven jaren:
Tweede helft
Even jaren:
Eerste helft
Herfstvakantie
Nooit
Altijd
Kerstvakantie
Oneven jaren:
vanaf 25 december 21:00 uur tot en met 1 januari 14:00 uur;
Even jaren:
vrijdag uit school tot en met 25 december 21:00 uur; vanaf 1 januari 14:00 uur tot en met zondagavond 19:30 uur;
Oneven jaren:
vrijdag uit school tot en met 25 december 21:00 uur; vanaf 1 januari 14:00 uur tot en met zondagavond 19:30 uur
Even jaren:
vanaf 25 december 21:00 uur tot en met 1 januari 14:00 uur;
Verjaardagen kinderen
Volgens reguliere of vakantieregeling
Vaderdag
Altijd, vanaf de zaterdag ervoor 19:30 uur tot zondag 19:30 uur
Nooit
Moederdag
Nooit
Altijd, vanaf de zaterdag ervoor 19:30 uur tot zondag 19:30 uur.
Overige feestdagen
Voor zover aansluitend aan een weekend: bij de ouder bij wie het weekend wordt doorgebracht. Overige feestdagen (Sinterklaas, Koningsdag etc.) volgens reguliere of vakantieregeling.
4.18
De rechtbank zal nader bepalen dat vakanties beginnen op vrijdag na school en eindigen op de laatste zondag van die vakantie om 19:30 uur, waarna het reguliere schema wordt hervat. Bij vakanties langer dan één week (meivakantie en zomervakantie) zal het wisselmoment plaatsvinden op zaterdag om 18:00 uur.
4.19
De man heeft verzocht om te bepalen dat het halen en brengen van de kinderen evenwichtig over partijen wordt verdeeld. De rechtbank zal bepalen dat de ouder waar de kinderen zullen gaan verblijven de kinderen ophaalt. Als een ouder incidenteel niet in staat is om de kinderen op te halen, maken partijen daarover in onderling overleg andere afspraken.
4.2
De rechtbank ziet tot slot, mede gelet op de belangen van de kinderen, geen reden om de wijziging van de zorgregeling (zowel voor de reguliere weken als voor de vakanties en feestdagen) op een later moment in te laten gaan dan de datum van deze beschikking.
Wijziging kinderalimentatie
4.21
Tussen partijen staat vast dat sinds de totstandkoming van de afspraken over kinderalimentatie in het ouderschapsplan, die de basis vormen voor de op dit moment geldende afspraak dat de man een bedrag van € 820,22 per maand aan de vrouw moet betalen, de omstandigheden zijn gewijzigd. Zowel de man als de vrouw hebben nadat hun huwelijk was geëindigd, met een nieuwe partner een kind gekregen. De vrouw is in 2019 moeder geworden van [kind 1] . De man is in 2021 vader geworden van [kind 2] .
Daarnaast is het inkomen van de man gewijzigd.
4.22
De rechtbank begrijpt uit de overeenstemming van partijen over de aanwezigheid van gewijzigde omstandigheden, dat zij beiden een herberekening van de kinderalimentatie wensen. Volgens de vrouw leidt een herberekening ertoe dat de man een hogere bijdrage moet betalen. De man heeft – ook ter zitting – benadrukt dat hij wil betalen waartoe hij gehouden is. De man heeft geen zelfstandig verzoek geformuleerd waarin hij een concreet bedrag aan kinderalimentatie noemt. De rechtbank begrijpt echter uit de door hem overgelegde alimentatieberekeningen dat de man tot de conclusie komt dat een herberekening leidt tot de vaststelling van een lagere bijdrage dan wat hij op dit moment betaalt.
4.23
Gelet op het voorgaande is een onderzoek naar de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk.
4.24
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
4.25
De rechtbank zal een wijziging van de bijdrage laten ingaan op 17 september 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, zoals de vrouw heeft verzocht. Partijen hebben vanaf dat moment rekening kunnen houden met wijziging van de bijdrage.
4.26
De man heeft naar voren gebracht dat zijn inkomen per 1 januari 2026 is gewijzigd omdat hij minder uren is gaan werken (van 36 uur per week naar 32 uur per week) in verband met de verdeling van de zorg voor zijn jongste zoon [kind 2] tussen hem en zijn huidige echtgenote. De vrouw heeft tijdens de zitting bevestigd er geen bezwaar tegen te hebben vanaf 1 januari 2026 rekening te houden met het gewijzigde inkomen van de man.
Behoefte
4.27
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2016, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.
4.28
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over de inkomensgegevens die voor de berekening van de behoefte van de kinderen tot uitgangspunt moeten worden genomen. Dat is in 2016 enerzijds het inkomen van de vrouw uit loondienst van € 14.928,= per jaar, waaruit een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw volgt van € 1.244,= per maand. Anderzijds gaat het voor de man om een jaarinkomen uit loondienst van € 61.088,=. Daaruit volgt een NBI van de man in 2016 van € 3.288,= per maand.
4.29
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 4.532,= per maand. Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.356,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedroeg die behoefte in 2025 € 1.766,= per maand en in 2026 € 1.847,=.
Verdeling van de kosten van de kinderen
4.3
De rechtbank zal gelet op de ingangsdatum van 17 september 2025 en de wijziging van het inkomen van de man per 1 januari 2026, per die twee data beoordelen in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt daarbij de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie die zijn neergelegd in het “Rapport Alimentatienormen 2025” respectievelijk het “Rapport Alimentatienormen 2026”. Daaruit volgt dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2025 bij inkomens vanaf € 2.125,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,=)]. In 2026 wordt de draagkracht bij inkomens vanaf € 2.200 vastgesteld aan de formule 70% X [NBI – (0,3 X NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,= per maand in 2025 en € 2.200,= per maand in 2026) zijn in een tabel vaste bedragen per categorie vastgesteld.
Draagkracht vrouw
4.31
De vrouw heeft aangevoerd dat zij een WIA-uitkering ontvangt van het UWV. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw naast haar WIA-uitkering werkzaamheden verricht (of kan verrichten) waarmee zij een inkomen genereert (of kan genereren). De vrouw heeft dat betoog van de man gemotiveerd weersproken en erop gewezen dat zij inderdaad met toestemming van het UWV en met behoud van haar uitkering een eigen onderneming is gestart. Met die onderneming heeft zij echter (nog) geen inkomen verworven en het is ook niet de verwachting dat dat op korte termijn anders zal zijn. De man heeft die stelling van de vrouw ter zitting niet weersproken. De rechtbank zal daarom enkel uitgaan van het inkomen dat de vrouw uit haar WIA-uitkering ontvangt.
2025
4.32
De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf van het UWV over 2025 een inkomen van € 19.770,= bruto per jaar ontvangen. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 15.542,= op jaarbasis.
4.33
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 2.608,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 361,= per maand.
2026
4.34
Uit de overgelegde uitkeringsspecificatie van januari 2026 blijkt een maandelijks inkomen van de vrouw uit hoofde van een WIA-uitkering van € 1.584,= per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 16.148,= op jaarbasis.
4.35
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.704,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 379,= per maand.
Draagkracht man
4.36
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
2025
4.37
De man heeft volgens de jaaropgaaf over 2025 een inkomen van € 93.445,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.38
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 4.949,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.508,= per maand.
2026
4.39
Uit de salarisspecificaties van januari en februari 2026 blijkt dat de man in 2026 een inkomen heeft van € 92.392 bruto per jaar (salaris met vaste toeslagen en individueel keuze budget). De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies (pensioen en arbeidsongeschiktheid) en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
4.4
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2026 op een bedrag van € 4.653,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.324,= per maand.
Rekening houden met onderhoudsplicht jegens andere kinderen
4.41
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de wijze waarop zij bij de berekening van hun draagkracht rekening moet houden met hun onderhoudsplicht jegens [kind 1] en [kind 2] . De vrouw verdeelt de draagkracht van partijen in gelijke delen over vier kinderen, terwijl de man de draagkracht naar rato van de behoefte over de kinderen spreidt.
4.42
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een redelijke wetstoepassing meebrengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. [2]
4.43
De rechtbank zal daarom allereerst de behoeftes van [kind 2] en [kind 1] in kaart brengen om vervolgens de bijdrageplicht van partijen aan het levensonderhoud van alle kinderen te kunnen vaststellen, daarbij rekening houdend met de draagkracht en bijdrageplicht van de andere ouders van [kind 2] en [kind 1] . De rechtbank zal dat tweemaal doen: op basis van de uitgangspunten die golden in 2025 en op basis van de (gewijzigde) uitgangspunten per 1 januari 2026.
2025
4.44
De rechtbank zal voor de behoefte van [kind 1] aansluiten bij het door de vrouw overgelegde ouderschapsplan uit 2022, gesloten tussen de vrouw en haar voormalig echtgenoot, de vader van [kind 1] . Daarin is de behoefte van [kind 1] begroot op € 134,= per maand. Weliswaar heeft de man ter zitting aangevoerd dat die behoefte hem erg laag voorkomt, maar die stelling heeft hij op geen enkele wijze nader onderbouwd. Er bestaat ook overigens geen aanleiding voor de rechtbank om uit te gaan van een andere behoefte van [kind 1] dan in het ouderschapsplan opgenomen. Rekening houdend met de wettelijke indexatie bedraagt de behoefte van [kind 1] in 2025 € 157,= per maand.
4.45
Voor de behoefte van [kind 2] zal de rechtbank het NBGI van de man en zijn huidige echtgenote tot uitgangspunt nemen. De man heeft een loonspecificatie van zijn echtgenote van december 2025 overgelegd waaruit een inkomen blijkt van € 80.364,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de huidige echtgenote van de man in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 4.718,= per maand.
4.46
Het NBI van de man in 2025 heeft de rechtbank hiervoor vastgesteld op € 4.949,= per maand. Het NBGI van de man en zijn huidige echtgenote bedraagt daarmee (€ 4.949 + € 4.718 =) € 9.667,= per maand. Rekening houdend met de door de man aan de vrouw in 2025 betaalde kinderalimentatie voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 784,= per maand, resteert als NBGI een bedrag van € 8.883,= per maand. Dit NBGI levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [kind 2] op van € 990,= per maand.
4.47
Op basis van de hiervoor vastgestelde behoeftes van de kinderen, zal de rechtbank de voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beschikbare draagkracht van zowel de vrouw als de man berekenen. Omdat de behoefte van de oudste drie kinderen (€ 589,= per kind per maand, € 1.766,= per maand in totaal) duidelijk verschilt van de behoefte van [kind 1] (€ 157,= per maand) en [kind 2] (€ 990,= per maand), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van partijen naar rato van de behoefte over de kinderen te verdelen.
Verdeling van de draagkracht van de vrouw over de kinderen
4.48
De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw in 2025 hiervoor becijferd op € 361,= per maand. Een verdeling van die draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen leidt ertoe dat de vrouw ([€ 1.766 / € 1.923] * € 361) € 332,= per maand beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Haar resterende draagkracht van ([€ 157 / €1.923] * € 361 =) € 29,= per maand is beschikbaar voor [kind 1] .
4.49
De vrouw heeft aangevoerd dat de vader van [kind 1] wegens verslavings- en schuldenproblematiek met niet meer dan € 25,= per maand kan bijdragen aan de kosten van [kind 1] . De man heeft die stelling ter zitting bestreden. De rechtbank laat in het midden of van de vader van [kind 1] een grotere bijdrage verwacht kan of mag worden. Zelfs als dat het geval zou zijn, is naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet te verwachten dat de vrouw een lagere bijdrage voor [kind 1] voor haar rekening zal moeten nemen dan € 29,= per maand.
Verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen
4.5
De rechtbank heeft de draagkracht van de man in 2025 hiervoor becijferd op € 1.508,= per maand. Een verdeling van die draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen leidt ertoe dat de man ([€ 1.766 / € 2.756] * € 1.508) € 966,= per maand beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Zijn resterende draagkracht ([€ 990 / € 2.756] * € 1.508 =) € 542,= is beschikbaar voor [kind 2] .
4.51
Ook de huidige echtgenoot van de man is onderhoudsplichtig voor [kind 2] . Op basis van haar NBI van € 4.718,= per maand beschikt zij volgens de formule over een draagkracht van € 1.395,= per maand. De gezamenlijke draagkracht van de man en zijn huidige echtgenote (voor [kind 2] ) bedraagt dan (€ 542,= + € 1.395 =) € 1.937,= per maand. Daarmee overschrijdt de gezamenlijke (beschikbare) draagkracht de behoefte van [kind 2] . De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken om te bepalen wat in de onderlinge verhouding met zijn huidige echtgenote de bijdrageplicht van de man is voor [kind 2] .
4.52
De draagkrachtvergelijking tussen de man en zijn huidige echtgenote ziet er als volgt uit:
aandeel man: € 542 / € 1.937 = 0,28 * € 990 = € 277,= per maand;
aandeel echtgenote: € 1.395 / € 1.937 = 0,72 * € 990 = € 713,= per maand.
4.53
Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat de man per maand met een bedrag van € 277,= moet bijdragen aan de kosten van [kind 2] , hoewel hij voor [kind 2] op basis van een verdeling naar rato van de behoeftes van de kinderen een bedrag van € 542,= per maand van zijn draagkracht beschikbaar heeft. Dat betekent dat de man (€ 542 - € 277 =) € 265,= per maand van zijn draagkracht niet benut.
Gezamenlijke draagkracht partijen
4.54
De gezamenlijke (voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beschikbare) draagkracht van de man en de vrouw bedraagt (€ 332 + € 966 =) € 1.298,= per maand. Daarmee is sprake van een tekort, omdat de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in totaal € 1.766,= per maand bedraagt. Er hoeft daarom geen draagkrachtvergelijking tussen partijen plaats te vinden. Zij dienen beiden hun volledige (beschikbare) draagkracht voor de kinderen aan te wenden.
4.55
Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.53 heeft overwogen, heeft de man een deel van zijn (voor [kind 2] ) beschikbare draagkracht niet benut. Omdat de (beschikbare) draagkracht van de man en de vrouw niet toereikend is om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , bestaat aanleiding om het bedrag dat de man niet benut ten behoeve van [kind 2] , voor de andere kinderen aan te wenden (“over te hevelen”). Het aandeel van de man wordt daarom met een bedrag van € 265,= per maand verhoogd, waarmee zijn totale bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] komt op een bedrag van (€ 966 + € 265 =) € 1.231,= per maand.
2026
4.56
De rechtbank heeft onder 4.44 de behoefte van [kind 1] in 2025 becijferd. Op basis van dezelfde uitgangspunten en rekening houdend met de wettelijke indexatie begroot de rechtbank de behoefte van [kind 1] in 2026 op een bedrag van € 164,= per maand.
4.57
De rechtbank heeft onder 4.45 de behoefte van [kind 2] in 2025 becijferd. Op basis van de dezelfde uitgangspunten en rekening houdend met de wettelijke indexatie begroot de rechtbank de behoefte van [kind 2] in 2026 op een bedrag van € 1.036,= per maand.
4.58
Op basis van de hiervoor vastgestelde behoeftes van de kinderen, zal de rechtbank de voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beschikbare draagkracht van zowel de vrouw als de man berekenen. Omdat de behoefte van de oudste drie kinderen (€ 616,= per kind per maand, € 1.847,= per maand in totaal) duidelijk verschilt van de behoefte van [kind 1] (€ 164,= per maand) en [kind 2] (€ 1.036,= per maand), ziet de rechtbank wederom aanleiding de draagkracht van partijen naar rato van de behoefte over de kinderen te verdelen.
Verdeling van de draagkracht van de vrouw over de kinderen
4.59
De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw in 2026 hiervoor becijferd op € 370,= per maand. Een verdeling van die draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen leidt ertoe dat de vrouw ([€ 1.847 / € 2.011] * € 370) € 340,= per maand beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Haar resterende draagkracht ([€ 164 / €2.011] * € 370 =) € 30,= per maand is beschikbaar voor [kind 1] . Onder verwijzing naar de hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.49 overweegt de rechtbank dat, hoewel de vrouw geen inkomensgegevens van de vader van [kind 1] heeft verstrekt, niet te verwachten is dat de vrouw een lagere bijdrage voor [kind 1] voor haar rekening zal moeten nemen dan € 30,= per maand, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.
Verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen
4.6
De rechtbank heeft de draagkracht van de man in 2026 hiervoor becijferd op € 1.324,= per maand. Een verdeling van die draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen leidt ertoe dat de man ([€ 1.847 / € 2.883] * € 1.324) € 847,= per maand beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Zijn resterende draagkracht ([€ 1.036 / € 2.883] * € 1.324 =) € 477,= is beschikbaar voor [kind 2] .
4.61
De rechtbank zal voor de gezamenlijke draagkracht van de man en zijn huidige echtgenote opnieuw het hiervoor onder 4.45 weergegeven inkomen van de huidige echtgenote van de man van € 80.364 per jaar tot uitgangspunt nemen. In 2026 leidt dat inkomen, rekening houdend met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, tot een NBI van € 4.759,= per maand. Volgens de formule is haar draagkracht dan € 1.376,= per maand. De gezamenlijke (voor [kind 2] beschikbare) draagkracht van de man en zijn huidige echtgenote bedraagt dan (€ 477 + € 1.376 =) € 1.853,= per maand. Daarmee overschrijdt de gezamenlijke (beschikbare) draagkracht de behoefte van [kind 2] . De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken om te bepalen wat in de onderlinge verhouding met zijn huidige echtgenote de bijdrageplicht van de man is voor [kind 2] .
4.62
De draagkrachtvergelijking tussen de man en zijn huidige echtgenote ziet er als volgt uit:
aandeel man: € 477/ € 1.853 = 0,26 * € 1.036 = € 269,= per maand;
aandeel echtgenote: € 1.376 / € 1.853 = 0,74 * € 1.036 = € 767,= per maand.
4.63
Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat de man per maand met een bedrag van € 269,= moet bijdragen aan de kosten van [kind 2] , hoewel hij voor [kind 2] op basis van een verdeling naar rato van de behoeftes van de kinderen een bedrag van € 477,= per maand van zijn draagkracht beschikbaar heeft. Dat betekent dat de man (€ 477 - € 269 =) € 208,= per maand van zijn draagkracht niet benut.
Gezamenlijke draagkracht partijen
4.64
De gezamenlijke (voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beschikbare) draagkracht van de man en de vrouw bedraagt (€ 340 + € 847 =) € 1.187,= per maand. Daarmee is sprake van een tekort, omdat de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in totaal € 1.847,= per maand bedraagt. Er hoeft daarom geen draagkrachtvergelijking tussen partijen plaats te vinden. Zij dienen beiden hun volledige (beschikbare) draagkracht voor de kinderen aan te wenden.
4.65
Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.63 heeft overwogen, heeft de man een deel van zijn (voor [kind 2] ) beschikbare draagkracht niet benut. Omdat de gezamenlijke (beschikbare) draagkracht van de man en de vrouw niet toereikend is om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , bestaat aanleiding om het bedrag dat de man niet benut ten behoeve van [kind 2] , over te hevelen. Het aandeel van de man wordt daarom met een bedrag van € 208,= per maand verhoogd, waarmee zijn totale bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] komt op een bedrag van (€ 847 + € 208 =) € 1.055,= per maand.
Aangehechte berekeningen
4.66
De draagkrachtberekeningen voor de vrouw, de man en de huidige echtgenote van de man heeft de rechtbank als bijlagen aan deze beschikking gehecht. Zij maken daarvan deel uit.
Aanpassen woonbudget
4.67
Ook na het overhevelen van een deel van de voor [kind 2] beschikbare draagkracht van de man naar [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] blijft er zowel in 2025 als in 2026 een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van de kinderen van partijen te voorzien. Dat tekort beloopt in 2025 een bedrag van (€ 1.766 – € 1.231 – € 332 =) € 203,= per maand. In 2026 gaat het om een bedrag van (€ 1.847 – € 1.055 – € 340 =) € 452,= per maand.
4.68
De vrouw heeft in de door haar overgelegde draagkrachtberekeningen aan de zijde van de man gerekend met een woonbudget van € 800,=. Tijdens de zitting heeft de vrouw toegelicht dat naar aanleiding van het tekort aan gezamenlijke draagkracht, aan de zijde van de man gerekend moet worden met een aangepast woonbudget. Zij heeft erop gewezen dat de man en zijn huidige echtgenote beiden een goed inkomen hebben waardoor hun gezamenlijke woonbudget volgens de draagkrachtformule (30% van het NBI) bijna € 3.000,= per maand bedraagt. Volgens de vrouw is het redelijk om een gezamenlijk woonbudget van € 1.600,= per maand aan te houden, zodat voor de man rekening moet worden gehouden met een woonlast van € 800,=.
4.69
De man heeft ter zitting aangevoerd dat de vrouw in de stukken niet het standpunt heeft ingenomen dat aan de zijde van de man moet worden gerekend met een aangepast woonbudget. Hij maakt er bezwaar tegen dat de vrouw die stelling eerst tijdens de zitting inneemt en toelicht. Verder betoogt de man dat geen aanleiding bestaat om te rekenen met een lagere woonlast omdat de werkelijke woonlast van de man en zijn huidige echtgenote overeenkomt met het forfaitaire bedrag volgens de formule.
4.7
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad [3] volgt dat de rechter, indien met de berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, steeds zal dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
4.71
De rechtbank ziet in dit geval geen aanwijzingen dat de werkelijke woonlast van de man duurzaam aanmerkelijk lager is dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait. De rechtbank zal dus niet nagaan of een hogere onderhoudsbijdrage aan de man kan worden opgelegd uitgaande van een lagere woonlast aan zijn zijde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw haar stelling dat voor de berekening van de draagkracht van de man met een lagere woonlast rekening moet worden gehouden, in de processtukken niet heeft ingenomen. Weliswaar heeft zij in de door haar overgelegde draagkrachtberekeningen voor de man een lager bedrag als woonbudget opgenomen, maar zij heeft daar in de stukken noch in die berekeningen expliciet de aandacht op gevestigd of een toelichting op gegeven. Pas tijdens de zitting heeft zij betoogd dat het redelijk is om met een lagere woonlast voor de man rekening te houden gelet op de inkomens van de man en zijn huidige echtgenote. In reactie daarop heeft de man tijdens de zitting aangevoerd, onder opsomming van verschillende kosten die tot zijn woonlast behoren, dat de werkelijk woonlast van hem en zijn echtgenote nagenoeg gelijk is aan de voor hen geldende forfaitaire bedragen samen. Er bestaat voor de rechtbank geen reden om aan de juistheid van die stelling van de man te twijfelen. Aan de omstandigheid dat de man geen stukken heeft overgelegd waaruit zijn werkelijke woonlast blijkt, verbindt de rechtbank geen gevolgen. Gelet op het processuele debat bestond er voor de man geen aanleiding om dergelijke stukken voorafgaand aan de zitting in het geding te brengen. De vrouw heeft met haar tijdens de zitting ingenomen standpunt over de in de berekening te betrekken woonlast van de man en de door haar gegeven toelichting daarop, het debat uitgebreid. De goede procesorde waartoe ook het beginsel van een efficiënte procesvoering hoort, verzet zich daar in dit geval tegen. De rechtbank vindt het daarom ook niet nodig om de man alsnog op te dragen inzicht te bieden in zijn werkelijke woonlast.
Conclusie met betrekking tot de verdeling van de kosten van de kinderen
4.72
Op grond van het voorgaande is de (tussen)conclusie dat de onderhoudsplicht van de man ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 17 september 2025 een bedrag beloopt van € 1.231,= per maand. Per 1 januari 2026 gaat het om een bedrag van € 1.055,= per maand.
Zorgkorting
4.73
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%.
4.74
De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt in 2025 € 1.766,= per maand. Daar hoort een zorgkorting bij van € 618,= per maand. In 2026 is de behoefte van de kinderen van partijen € 1.847,= per maand. De zorgkorting komt dan op een bedrag van € 646,= per maand.
4.75
Het tekort wordt gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage per 17 september 2025 als volgt wordt berekend: € 1.231 – (€ 618 – € 102) = € 715,= per maand. Dat is € 238,= per kind per maand. De door de man te betalen bijdrage per 1 januari 2026 komt op [€ 1.055 – (€ 646 – € 226) =] € 635,= per maand, oftewel € 212,= per kind per maand.
Terugbetalingsverplichting
4.76
Omdat de rechtbank de onderhoudsverplichting van de man met ingang van een voor deze uitspraak gelegen datum zal verlagen, moet de rechtbank aan de hand van de gebleken feiten en omstandigheden beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard.
4.77
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat, voor zover de vrouw over de periode van 17 september 2025 tot de datum van deze beschikking van de man hogere bedragen ter zake de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen heeft ontvangen, het meerdere niet van haar mag worden teruggevorderd of worden verrekend, omdat er vanuit moet worden gegaan dat deze bedragen inmiddels daadwerkelijk aan de kinderen zijn besteed en de vrouw geen financiële middelen heeft om tot terugbetaling van de te veel ontvangen kinderalimentatie over te gaan. Bovendien overschrijdt de door de man betaalde kinderalimentatie de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet.
Conclusie
4.78
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang 17 september 2025 wijzigingen in € 238,= per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2026 wijzigen in € 212,= per maand per kind.
Proceskosten
4.79
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijzigt voormelde beschikking en het daaraan gehechte ouderschapsplan dat partijen laatstelijk op 17 januari 2023 hebben gewijzigd, als volgt:
5.2
bepaalt dat de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011,
[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de reguliere weken gedurende de weekenden van vrijdag 19:30 uur tot zondag 19:30 uur bij de man verblijven, behalve het laatste weekend van de maand, dan verblijven zij bij de vrouw, waarbij de datum van de vrijdag waarmee het weekend begint bepalend is voor de vraag tot welke maand een weekend behoort;
5.3
bepaalt dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de vakanties en op feestdagen bij partijen zullen verblijven conform het hiervoor onder 4.17 opgenomen schema, waarbij geldt dat vakanties beginnen op vrijdag na school en eindigen op de laatste zondag van die vakantie om 19:30 uur, waarna de hiervoor onder 5.2 bepaalde regeling wordt hervat. Bij vakanties langer dan één week zal het wisselmoment plaatsvinden op zaterdag om 18:00 uur;
5.4
bepaalt dat de ouder waar de kinderen zullen verblijven de kinderen bij de andere ouder ophaalt. Als een ouder incidenteel niet in staat is de kinderen op te halen, maken partijen in onderling overleg andere afspraken;
5.5
bepaalt dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van 17 september 2025 nader wordt vastgesteld op € 238,= (tweehonderdachtendertig euro) per maand per kind en per 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 212,= (tweehonderdtwaalf euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
5.6
bepaalt dat de vrouw jegens de man geen terugbetalingsverplichting heeft met betrekking tot de door de man aan haar teveel betaalde kinderalimentatie in de periode van 17 september 2025 tot en met de datum van deze beschikking;
5.7
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8
compenseert de kosten van het geding, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.9
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Burgerlijk Wetboek.
2.Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314.
3.HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.