Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3414

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/435592 FA RK 25/2583
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ambtshalve beslissing op verzoek minderjarige tot wijziging omgang en gezag

De minderjarige heeft de rechtbank verzocht om de omgang met haar vader te wijzigen en het gezag over haar niet langer aan hem toe te kennen. Eerder was een voorlopige zorgregeling getroffen en een bijzonder curator benoemd. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om de beslissing over het gezag en de zorgregeling aan te houden in afwachting van hulpverlening.

De vader stemde in met het aanhouden van de verzoeken, terwijl de moeder kritiek had op het onderzoek van de Raad en een uitgebreider onderzoek wenste. De bijzondere curator gaf aan dat de minderjarige zich niet serieus genomen voelt en het gezamenlijk gezag niet wenst.

Gezien de nauwe samenhang met een verzoek van de moeder, dat vergelijkbaar is, besloot de kinderrechter geen ambtshalve beslissing te nemen op het verzoek van de minderjarige. De moeder heeft het verzoek overgenomen in een eigen procedure, waarin de kinderrechter wel een beslissing zal nemen. De minderjarige is hierover geïnformeerd en de bijzondere curator blijft betrokken.

Uitkomst: De kinderrechter neemt geen ambtshalve beslissing op het verzoek van de minderjarige omdat de moeder het verzoek heeft overgenomen in een eigen procedure.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
zaakgegevens: C/02/435592 FA RK 25/2583
datum uitspraak: 27 maart 2026
nadere beschikking
in de zaak voortkomend uit de vragen van
[minderjarige],
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende te [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens te Raamsdonksveer,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. B.E.S. Chin-A-Fat te Breda,
Mr. I.P.M.J. Nelemans, bijzondere curator van [minderjarige] ,
hierna te noemen de bijzondere curator.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank te adviseren.

1.De documenten

1.1.
Tot de stukken behoren:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 3 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De kinderrechter heeft op 27 februari 2026 met [minderjarige] gesproken.
1.3.
Op 2 maart 2026 heeft de zitting plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen de ouders, met hun advocaten. De bijzonder curator van [minderjarige] en een vertegenwoordiger van de Raad waren ook aanwezig.

2.De vraag

2.1.
[minderjarige] heeft aan de kinderrechter gevraagd dat de omgang met haar vader gewijzigd wordt. Ook wil zij dat hij niet meer het gezag over haar zal dragen.

3.De feiten

3.1.
Bij de vorige beschikking heeft de kinderrechter onder meer bepaald dat de zorgregeling tussen [minderjarige] en haar vader voorlopig niet meer zal gelden, is een onderzoek door de Raad gelast en is er een bijzondere curator benoemd die [minderjarige] gaat bijstaan. De definitieve beslissing op de vragen van [minderjarige] is aangehouden
3.2.
De rechtbank heeft op 21 oktober 2025 de rapportage van de Raad ontvangen. De Raad adviseert, heel kort samengevat, om de definitieve beslissing over het ouderlijk gezag over [minderjarige] aan te houden in afwachting van de resultaten binnen het Uniform Hulpaanbod traject. De Raad adviseert hetzelfde ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen vader en [minderjarige] . De Raad adviseert tot slot om
voorlopiggeen zorgregeling vast te leggen tussen vader en [minderjarige] , aangezien [minderjarige] ernstige bezwaren heeft tegen contact met haar vader.
3.3.
Namens de vader is in reactie op het raadsadvies aangegeven dat hij instemt met het advies om de verzoeken aan te houden in afwachting van de hulpverlening. Daarbij merkt de vader op dat hij voor wat betreft de zorgregeling ook de wensen van [minderjarige] wil volgen.
3.4.
Namens de moeder is aangegeven dat geen goed beeld is geschetst van de ontstane situatie en dat er te vroeg conclusies zijn getrokken, waarbij niet alle informatie is meegenomen. Er is sprake van complexe echtscheidingsproblematiek, maar volgens de moeder spelen er meerdere en veel grotere zorgen. De moeder is al sinds 2021 bezig met het regelen van hulpverlening maar zij voelt zich niet gehoord en begrepen. Volgens de moeder wordt iedere hulpvraag gedraaid en gericht op het verbeteren van het contact tussen de vader en de minderjarigen. De moeder is van mening dat het onderzoek van de Raad niet volledig is en wenst dat dit verzoek wordt uitgebreid zodat de situatie volledig in beeld kan worden gebracht.
3.5.
De bijzondere curator heeft aangegeven dat [minderjarige] zich niet serieus genomen voelt door de Raad. Zij is onjuist geciteerd of haar woorden zijn verdraaid of niet juist weergegeven. [minderjarige] is blij met de uitkomst dat zij vooralsnog geen contact zal hebben met haar vader. Zij vraagt zich echter wel af welke termijn hieraan gekoppeld wordt. Zij heeft het gevoel dat zij niet wordt geloofd. [minderjarige] is het niet eens om het gezamenlijk gezag in stand te laten. Zij wil niet dat vader door middel van zijn gezagspositie invloed kan uitoefenen op haar keuzes en haar leven.
3.6.
Gelet op de nauwe samenhang tussen onderhavig verzoek het verzoek van de moeder met kenmerk C/02/437152 / FA RK 25/3360 zijn deze verzoeken gezamenlijk ter zitting behandeld. Op het verzoek van de moeder wordt bij separate beschikking beslist.

4.De beoordeling

4.1.
Omdat de moeder van [minderjarige] een verzoek heeft ingediend bij de rechtbank dat vergelijkbaar is met de vragen van [minderjarige] , zal de rechtbank geen ambtshalve beslissing nemen op haar vragen. De rechtbank zal in de procedure van de moeder een al dan niet voorlopige beslissing geven over het gezag en over het contact tussen de vader en [minderjarige] .
4.2.
De kinderrechter heeft in het gesprek met [minderjarige] op 27 februari 2026 deze gang van zaken verteld en uitgelegd. Zij heeft samengevat verteld dat de moeder het verzoek van [minderjarige] heeft overgenomen in een nieuwe procedure. De kinderrechter heeft verder uitgelegd dat zij het ook de verantwoordelijkheid van de ouders (in dit geval de moeder) vindt om verzoeken namens [minderjarige] te doen. [minderjarige] wilde eigenlijk graag zelf de regie houden, maar gaf aan dat zij de gang van zaken wel begreep.
4.3.
De kinderrechter zal [minderjarige] een brief sturen met de volgende inhoud.
Beste [minderjarige] ,
Wij hebben met elkaar gesproken op 27 februari 2026. In ons gesprek heb ik je al verteld wat er op de zitting besloten zou gaan worden, namelijk dat ik geen beslissing zal nemen op je verzoek. Dat komt omdat jouw moeder jouw verzoek heeft overgenomen.. Ze heeft dus eigenlijk jouw verzoek gekopieerd. Ik vind het ook de verantwoordelijkheid van je ouders (in dit geval je moeder) om verzoeken namens jou te doen.
De kinderrechter gaat (voorlopige) beslissingen nemen in de zaak van je moeder. Je krijgt daar ook een brief over van de rechtbank. Dat betekent dat jouw zaak nu stopt en er dus door de kinderrechter geen beslissingen genomen worden over jouw vraag. De taak van mevrouw Nelemans als jouw bijzondere curator is nog niet afgerond. Zij blijft bij jou betrokken omdat de zaak van jouw moeder nog loopt.
Bedankt voor ons fijne gesprek en ik wens je het beste voor de toekomst.
De kinderrechter.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige] ;
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Baggel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Rozendaal, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.