Uitspraak
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, hierna: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, hierna: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2015, hierna: [minderjarige 3]
1.Het procesverloop
2.De feiten
- bepaald dat voorlopig de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de man niet meer zal gelden;
- een bijzondere curator benoemd over [minderjarige 1] ; en
- de Raad verzocht een onderzoek in te stellen.
Uit de beschikking volgt dat de kinderrechter heeft aangegeven dat het rapport van de Raad (ook) in deze zaak kan worden ingebracht.
3.Het verzoek
De man voert aan dat veiligheid (op zijn bedrijf) bij hem hoog in het vaandel staat. Zijn melkveehouderij is een officieel stagebedrijf waardoor het voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen en er een Risico Inventarisatie en Evaluatie aanwezig is. Er is een incident geweest waarbij [minderjarige 2] van een hoge schommel is gevallen. Sindsdien is de man extra alert geweest op de veiligheid van de kinderen. De foto’s die aan de man zijn verstrekt naar aanleiding van de zitting van 19 juni 2025 geven niet de situatie weer zoals die bij hem thuis is. [hulpverlening 1] , Veilig Thuis, de Raad en [hulpverlening 2] zijn bij de man geweest en hebben geen van allen een onveilige situatie of onhygiënische omstandigheden geconstateerd. Er wordt door de Raad zelfs aangegeven dat de woonruimte op de boerderij netjes en opgeruimd is. De man acht het opvallend dat de vrouw steeds klachten indient tegen hulpverleners en het vertrouwen in hen opzegt. Het is hem niet bekend dat de vrouw al jaren haar zorgen zou hebben geuit bij Jeugdzorg en zij licht deze stelling ook niet toe. De begeleide omgang verloopt goed, maar is volgens de man niet meer nodig. De kinderen hebben behoefte aan normaal contact. Verder loopt de hulpverlening. Deze is nog niet afgerond.
Namens de Raad is ter zitting naar voren gebracht dat er veel informatie is verzameld en een (interne) afweging is gemaakt in zaken die zouden bijdragen aan het raadsonderzoek. De vrouw heeft meerdere informanten aangedragen, maar deze kunnen, naar het oordeel van de Raad, niet verklaren uit eigen waarneming. Daarom is besloten om hen niet te benaderen. De Raad heeft het onderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek naar de minderjarigen. Die onderzoeken zijn, na een interne afweging door de Raad, niet ingebracht in deze procedure. De Raad is in het kader van het onderzoek op de boerderij van de vader geweest. Op basis daarvan is de inschatting gemaakt dat het daar prima op orde is. Wat de zaak lastig maakt is dat de (beleving van de) minderjarigen in deze zaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Waar [minderjarige 1] een sterke wens heeft om geen contact met haar vader te hebben, vinden [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het juist verschrikkelijk dat zij hun vader zo weinig zien. De Raad heeft in het onderzoek geen vinger kunnen krijgen achter de oorzaak van dit verschil. De Raad heeft wel geconstateerd dat het contact tussen de ouders moeizaam verloopt en dat er niet goed wordt gesproken hetgeen tot escalaties leidt. De nu lopende hulpverlening aan ouders zal na de Masic verder vorm worden gegeven middels systeemtherapie. De Raad acht het, hoewel de situatie precair en gevoelig is, in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat het contact tussen hen en de man wordt uitgebouwd naar onbegeleid contact, bijvoorbeeld in de vorm dat er gedurende een periode van 6 weken een dagdeel per week onbegeleid contact is tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de man, welk contact na die periode verder wordt uitgebreid. Voorwaarde daarbij is wel dat [hulpverlening 2] ruimte heeft om de kinderen in dit verband te monitoren.
Ten aanzien van de door [hulpverlening 2] begeleide omgang tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geeft de vrouw aan dat die voor [minderjarige 3] goed loopt, maar voor [minderjarige 2] niet. [minderjarige 3] is heel blij na de omgang. [minderjarige 2] kan inmiddels niet meer naar school. Zij is verward en de begeleide omgang put haar uit. Ze wil haar vader graag helpen en ze wil naar de man toe om alles te herstellen. Ze zit daarin klem. De vrouw ziet samenhang tussen de (negatieve) ontwikkeling in de schoolgang van [minderjarige 2] en de begeleide omgang. Er loopt geen hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Zij hebben alleen 10 uur kindgesprekken met de omgangsbegeleiders. De begeleiding door [hulpverlening 2] gaat over contactherstel. De overige hulpverlening is gericht op ouders (systeemtherapie in welk verband ook de Masic wordt afgenomen). De vrouw heeft ook daar haar zorgen over de veiligheid van de minderjarigen willen bespreken, maar dat is niet meegenomen. De hulpverlening is nog niet afgerond en er zijn ook nog geen tussentijdse (evaluatie)verslagen opgemaakt. [minderjarige 1] heeft haar eigen hulpverlening, niet bij [hulpverlening 2] . Alle hulpverlening is op vrijwillige basis.
De man heeft moeite met de inhoud van de meldingen bij Veilig Thuis. Het is onduidelijk welke zorgen en veiligheidsvragen er nu precies zijn. De man herkent de specifieke voorbeelden niet. [minderjarige 3] mag best een zakmes hebben, maar geen vlindermes. Verder is er geen sprake geweest van zagen in een kartonnen doos met een slijptol. Het betrof een gewone handzaag. De minderjarigen krijgen vrijheid en vertrouwen in hun spel, maar worden niet aan hun lot overgelaten. De beschuldigingen van de vrouw op dit vlak worden nergens gestaafd. Daar komt bij dat de Raad naar aanleiding van het beschermingsonderzoek geen verzoek tot ondertoezichtstelling heeft gedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de Raad ook geen zorgen ziet.
De Masic is nu in de afrondende fase. De man geeft aan het moeilijk te vinden daaraan mee te werken, omdat hij de stellingen van de vrouw in dit verband betwist en het gaat om moeilijk te weerleggen beschuldigingen. De kinderen zijn hoogsensitief en hoogbegaafd en met hen is veel aan de hand Onderzocht moet worden wat de kern van het probleem is en hoe dit moet worden opgelost. Net als de vrouw ziet de man de echtscheidingsproblematiek niet als hoofdoorzaak.
Met betrekking tot het door hem verzochte onbegeleide contact tussen hem en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geeft de man nog aan dat zijn partner, indien dit voor de vrouw rust brengt, eventueel daarin tijdelijk een rol zou kunnen vervullen. Tot slot brengt de man naar voren dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige 1] . Hij betwijfelt of hij er de oorzaak van is dat het niet goed met haar gaat. Het feit dat hij geen contact heeft met haar doet pijn, hij houdt onvoorwaardelijk van haar en geeft aan dat ze altijd mag terugkomen.
4.De beoordeling
5.Uniform Hulp Aanbod (ten aanzien van alle minderjarigen)
Er is al geruime tijd sprake van complexe echtscheidingsproblematiek, maar ook van andere problematiek. Ook met de kinderen is het nodige aan de hand en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn hoogsensitief en hoogbegaafd. Bij de vrouw is sprake van grote zorgen over de kinderen als zij bij de man zijn. Die zorgen zien zowel op hun fysieke welzijn (veiligheid) als op hun emotionele welzijn. De man weerspreekt deze zorgen. De Raad, die recent onderzoek heeft gedaan, en enkele andere hulpverleningsinstanties hebben deze zorgen niet kunnen verifiëren. De man heeft op dit moment via [hulpverlening 2] begeleid contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Ook vindt er bij [hulpverlening 2] systeemtherapie plaats en is onlangs de Masic bij beide ouders afgenomen om zicht te krijgen op het mogelijke partnergeweld.
Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat deze hulpverlening bij deze hulpverlener ( [hulpverlening 2] in het kader van het UHA zal worden voortgezet.
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte, systeemgerichte interventie);
- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor het contact en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
tot 30 juni 2026. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
7.De beslissing
30 juni 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om op die datum de rapporten inzake het beschermingsonderzoek met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het geding te brengen;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.