Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3417

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/437152 / FA RK 25/3360
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezag en opschorting zorgregeling in complexe echtscheidingszaak met lopende hulpverlening

De rechtbank behandelt een verzoek tot wijziging van het gezag en opschorting van de zorgregeling over drie minderjarigen na een echtscheiding. De vrouw verzoekt het gezag over minderjarige 1 aan haar toe te wijzen en de zorgregeling met de man op te schorten vanwege zorgen over onveiligheid en onhygiënische omstandigheden bij de man thuis. De man betwist deze zorgen en verzoekt de zorgregeling voor minderjarige 2 en 3 te handhaven en uit te breiden.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de beslissing over het gezag van minderjarige 1 aan te houden in afwachting van een lopend hulpverleningstraject (Uniform Hulp Aanbod, UHA) en voorlopig geen zorgregeling vast te stellen tussen de man en minderjarige 1. Voor minderjarige 2 en 3 adviseert de Raad uitbreiding van het contact met de man onder begeleiding.

De rechtbank oordeelt dat het belang van minderjarige 1 gediend is met opschorting van de zorgregeling en aanhouding van het gezagbesluit, zodat zij zich kan richten op haar individuele hulpverlening. Voor minderjarige 2 en 3 wordt de huidige begeleide omgang gehandhaafd met het oog op uitbreiding onder regie van de hulpverlener. De rechtbank verwijst partijen naar het UHA-traject en stelt een pro forma datum voor rapportage vast. De zaak wordt aangehouden voor definitieve beslissingen na afronding van de hulpverlening en eventuele aanvullende onderzoeken door de Raad.

Uitkomst: Zorgregeling voor minderjarige 1 wordt opgeschort en gezagsbeslissing aangehouden; begeleid contact voor minderjarige 2 en 3 wordt gehandhaafd met uitbreiding onder hulpverlening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/437152 / FA RK 25/3360
datum uitspraak: 27 maart 2026
beschikking over wijziging gezag en wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken,
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens in Raamsdonksveer,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. B.E.S. Chin-A-Fat in Breda,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, hierna: [minderjarige 2] ,
-
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2015, hierna: [minderjarige 3]
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Mr. I.P.M.J. Nelemans, bijzondere curator van [minderjarige 1] ,
hierna te noemen de bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 27 juni 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 21 oktober 2025 ontvangen rapport van de Raad;
- de op 30 oktober 2025 en 19 januari 2026 ontvangen brieven van mr. Chin-A-Fat;
- de op 6 november 2025 en 20 februari 2026 ontvangen brieven met bijlagen van mr. Smeulders-Martens;
- de op 26 november 2025 ontvangen brief van de bijzondere curator;
- het op 25 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdend zelfstandig verzoek.
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op 2 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten en de bijzondere curator. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3.
Voorafgaand aan deze mondelinge behandeling heeft de rechter op 27 februari 2026 met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gesproken over de verzoeken.
1.4.
Gelet op de nauwe samenhang tussen onderhavig verzoek en het verzoek van [minderjarige 1] met kenmerk C/02/435592/ FA RK 25-2583 zijn deze verzoeken gezamenlijk ter zitting behandeld. Op het verzoek van [minderjarige 1] wordt bij separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 20 augustus 2021 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 16 november 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de vrouw.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.5.
Bij voornoemde beschikking van 20 augustus 2021 heeft de rechtbank het door partijen ondertekende ouderschapsplan aan de beschikking gehecht. Hierin is onder meer een zorgregeling ten aanzien van alle minderjarigen vastgelegd.
2.6.
Op 19 juni 2025 heeft een zitting plaatsgevonden naar aanleiding van een brief van [minderjarige 1] aan de kinderrechter in de zaak met het kenmerk als vermeld onder 1.4. hiervoor. De kinderrechter heeft in een beschikking van 3 juli 2025:
- bepaald dat voorlopig de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de man niet meer zal gelden;
- een bijzondere curator benoemd over [minderjarige 1] ; en
- de Raad verzocht een onderzoek in te stellen.
Uit de beschikking volgt dat de kinderrechter heeft aangegeven dat het rapport van de Raad (ook) in deze zaak kan worden ingebracht.
2.7.
De rechtbank heeft op 21 oktober 2025 de rapportage van de Raad ontvangen.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, te bepalen dat:
I. de zorg- en contactregeling tussen man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt opgeschort, in afwachting van het advies van de Raad, waarna de vrouw een nader standpunt zal innemen;
II. de vrouw alleen belast wordt met het gezag over [minderjarige 1] .
3.2.
De vrouw heeft haar verzoek als volgt toegelicht en onderbouwd. Al vrij snel na de echtscheiding tussen partijen kreeg de vrouw signalen van de kinderen dat de situatie bij de man thuis niet op orde was. De kinderen en met name [minderjarige 1] noemden onveiligheid, ongedierte, gebrek aan (goede) voeding en een onprettige sfeer. Het is de afgelopen jaren vaak voorgekomen dat de vrouw (een van) de minderjarigen vroegtijdig bij de man heeft opgehaald. De vrouw heeft dit willen bespreken met de man, echter hij stond daar niet voor open. Hij herkende haar zorgen niet. Wel heeft hij altijd ingestemd met het feit dat de minderjarigen eerder naar huis wilden. Er zijn ook periodes geweest dat de minderjarigen niet naar de man wilden en ook niet gingen. Ondanks dat leek het contact tussen de man en de minderjarigen goed. Dit is veranderd vanaf begin 2025. [minderjarige 1] gaf toen aan dat zij het contact met haar vader wilde verbreken vanwege, naar eigen zeggen, manipulatief gedrag, treiteren en fysieke onveiligheid. De vrouw heeft hulp ingeschakeld en aan de bel getrokken bij de huisarts, scholen, [jeugdzorg] , het CJG en bij [hulpverlening 1] . De problematiek werd afgedaan als een gevolg van de scheiding. Nadien zijn er meerdere meldingen gedaan door derden bij Veilig Thuis. Deze meldingen zijn, na een klacht van de vrouw, alsnog opgepakt door Veilig Thuis. [minderjarige 1] en de vrouw zijn voor hun gevoel niet serieus genomen in de afwikkeling van deze meldingen. Nadat de brief van [minderjarige 1] op de zitting van 19 juni 2025 is besproken, heeft de vrouw zich genoodzaakt gezien de verzoeken van [minderjarige 1] over te nemen en uit te breiden ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Zij verzoekt, in lijn met het op de zitting van 19 juni 2025 mondeling door de Raad gegeven advies, om de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te schorten. De vrouw neemt daarnaast het verzoek van [minderjarige 1] over omtrent de wijziging van het gezag. Ter toelichting voert de vrouw aan dat het contact tussen partijen zeer moeizaam verloopt en dat zij angst heeft voor (het gedrag van) de man.
3.3.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig:
I. De vrouw te bevelen de verdeling van de zorg-en opvoedingstaken zoals overeengekomen in art. 8 ‘zorgverdeling in tijd en plaats’ van het ouderschapsplan dat is bekrachtigd bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 20 augustus 2021 na te komen met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en als volgt aan te vullen: aanvullend zullen de kinderen, in overleg te bepalen, één middag in de week na schooltijd tot 18.00u. bij de man verblijven;
II. artikel 10 sub Pro ‘aanvullende afspraken vakanties’ van het ouderschapsplan dat bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 20 augustus 2021 is bekrachtigd als volgt te wijzigen en te bepalen dat de kinderen de helft van alle (school)vakanties bij de man zullen verblijven, waarbij de verdeling in onderling overleg plaatsvindt;
3.4.
De man heeft zijn verweer en zelfstandige verzoeken als volgt toegelicht en onderbouwd. Gedurende een periode van 4,5 jaar na de echtscheiding was er niets aan de hand. Er waren geen signalen van de kinderen met betrekking tot onder meer onveiligheid en er was ook geen sprake van aan de man gerelateerde zorgen. Er zijn in die periode wel onderzoeken geweest, maar die hadden betrekking op hoogsensitiviteit en hoogbegaafdheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De man betwist dat tussen partijen een afspraak gold over het ophalen van de kinderen in verband met onveiligheid en hij betwist ook dat de vrouw hen regelmatig vroegtijdig zou hebben opgehaald. Vanaf begin 2025 is de situatie veranderd. Vanaf toen is [minderjarige 1] niet meer bij de man geweest. De vrouw heeft vervolgens de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] stopgezet naar aanleiding van (een) melding(en) bij Veilig Thuis. Dit vindt de man incorrect, omdat dit is gebeurd nog voor hij deze melding heeft kunnen inzien. De man vreest dat [minderjarige 1] is beïnvloed door de vrouw of door de schoonzus van de vrouw, die als jeugdprofessional werkzaam is. De school van de minderjarigen is uitgebreid geïnformeerd over een vermeend onveilige situatie bij de man thuis. Zij hebben nooit contact met hem opgenomen om zijn kant van het verhaal te horen. Het bevreemdt de man dat [minderjarige 1] van de ene op de andere dag geen contact meer met hem wil en hij hier nooit signalen van heeft opgevangen. Daarbij wil zij ook geen enkel contact meer met de familie van de man, dit terwijl er sprake is van een hechte band, aldus de man.
De man voert aan dat veiligheid (op zijn bedrijf) bij hem hoog in het vaandel staat. Zijn melkveehouderij is een officieel stagebedrijf waardoor het voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen en er een Risico Inventarisatie en Evaluatie aanwezig is. Er is een incident geweest waarbij [minderjarige 2] van een hoge schommel is gevallen. Sindsdien is de man extra alert geweest op de veiligheid van de kinderen. De foto’s die aan de man zijn verstrekt naar aanleiding van de zitting van 19 juni 2025 geven niet de situatie weer zoals die bij hem thuis is. [hulpverlening 1] , Veilig Thuis, de Raad en [hulpverlening 2] zijn bij de man geweest en hebben geen van allen een onveilige situatie of onhygiënische omstandigheden geconstateerd. Er wordt door de Raad zelfs aangegeven dat de woonruimte op de boerderij netjes en opgeruimd is. De man acht het opvallend dat de vrouw steeds klachten indient tegen hulpverleners en het vertrouwen in hen opzegt. Het is hem niet bekend dat de vrouw al jaren haar zorgen zou hebben geuit bij Jeugdzorg en zij licht deze stelling ook niet toe. De begeleide omgang verloopt goed, maar is volgens de man niet meer nodig. De kinderen hebben behoefte aan normaal contact. Verder loopt de hulpverlening. Deze is nog niet afgerond.
3.5.
De bijzonder curator heeft naar voren gebracht dat [minderjarige 1] zich niet goed en veilig voelt in het contact met de man. Zij verblijft daarom sinds begin 2025 niet meer volgens de zorgregeling bij hem. [minderjarige 1] vindt de man onvoorspelbaar, waardoor er bij hem thuis altijd een gespannen sfeer hangt en ze vindt zijn huis onveilig en onhygiënisch. Er is ook niet altijd (voldoende) eten. Zij maakte zich vanwege de onveiligheid, toen er nog geen begeleid contact was, om die reden ook zorgen om haar broertje en zusje als zij bij de man verbleven. Zij verdenkt de man er van dat hij bewust gevaarlijke situaties creëert. Zo is [minderjarige 2] een keer van vier meter hoog gevallen op de boerderij en belde hij de ambulance niet, terwijl dat wel nodig was. Hij gedroeg zich raar en [minderjarige 1] was op dat moment bang van hem. Ze snapt zijn gedrag niet.
3.6.
De Raad adviseert in het door haar ingediende rapport, kort samengevat, de definitieve beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen vader en [minderjarige 1] aan te houden in afwachting van de resultaten binnen het Uniform Hulpaanbod traject. In het verlengde hiervan adviseert de Raad om voorlopig geen zorgregeling vast te leggen tussen vader en [minderjarige 1] , aangezien [minderjarige 1] ernstige bezwaren heeft tegen contact met haar vader.
Namens de Raad is ter zitting naar voren gebracht dat er veel informatie is verzameld en een (interne) afweging is gemaakt in zaken die zouden bijdragen aan het raadsonderzoek. De vrouw heeft meerdere informanten aangedragen, maar deze kunnen, naar het oordeel van de Raad, niet verklaren uit eigen waarneming. Daarom is besloten om hen niet te benaderen. De Raad heeft het onderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek naar de minderjarigen. Die onderzoeken zijn, na een interne afweging door de Raad, niet ingebracht in deze procedure. De Raad is in het kader van het onderzoek op de boerderij van de vader geweest. Op basis daarvan is de inschatting gemaakt dat het daar prima op orde is. Wat de zaak lastig maakt is dat de (beleving van de) minderjarigen in deze zaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Waar [minderjarige 1] een sterke wens heeft om geen contact met haar vader te hebben, vinden [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het juist verschrikkelijk dat zij hun vader zo weinig zien. De Raad heeft in het onderzoek geen vinger kunnen krijgen achter de oorzaak van dit verschil. De Raad heeft wel geconstateerd dat het contact tussen de ouders moeizaam verloopt en dat er niet goed wordt gesproken hetgeen tot escalaties leidt. De nu lopende hulpverlening aan ouders zal na de Masic verder vorm worden gegeven middels systeemtherapie. De Raad acht het, hoewel de situatie precair en gevoelig is, in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat het contact tussen hen en de man wordt uitgebouwd naar onbegeleid contact, bijvoorbeeld in de vorm dat er gedurende een periode van 6 weken een dagdeel per week onbegeleid contact is tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de man, welk contact na die periode verder wordt uitgebreid. Voorwaarde daarbij is wel dat [hulpverlening 2] ruimte heeft om de kinderen in dit verband te monitoren.
3.7.
Namens de vrouw is in reactie op het advies van de Raad en ter zitting het volgende aangevoerd. Er is geen goed beeld geschetst van de ontstane situatie en er zijn te vroeg conclusies getrokken. Er is sprake van complexe echtscheidingsproblematiek, maar volgens de vrouw spelen er meerdere en veel grotere zorgen. De vrouw is al sinds 2021 bezig met het regelen van hulpverlening, maar zij voelt zich niet gehoord en begrepen. Volgens de vrouw wordt iedere hulpvraag gedraaid en gericht op het verbeteren van het contact tussen de man en de minderjarigen. De vrouw is van mening dat het onderzoek van de Raad niet volledig is en wenst dat dit onderzoek wordt uitgebreid zodat de situatie volledig in beeld kan worden gebracht.
Ten aanzien van de door [hulpverlening 2] begeleide omgang tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geeft de vrouw aan dat die voor [minderjarige 3] goed loopt, maar voor [minderjarige 2] niet. [minderjarige 3] is heel blij na de omgang. [minderjarige 2] kan inmiddels niet meer naar school. Zij is verward en de begeleide omgang put haar uit. Ze wil haar vader graag helpen en ze wil naar de man toe om alles te herstellen. Ze zit daarin klem. De vrouw ziet samenhang tussen de (negatieve) ontwikkeling in de schoolgang van [minderjarige 2] en de begeleide omgang. Er loopt geen hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Zij hebben alleen 10 uur kindgesprekken met de omgangsbegeleiders. De begeleiding door [hulpverlening 2] gaat over contactherstel. De overige hulpverlening is gericht op ouders (systeemtherapie in welk verband ook de Masic wordt afgenomen). De vrouw heeft ook daar haar zorgen over de veiligheid van de minderjarigen willen bespreken, maar dat is niet meegenomen. De hulpverlening is nog niet afgerond en er zijn ook nog geen tussentijdse (evaluatie)verslagen opgemaakt. [minderjarige 1] heeft haar eigen hulpverlening, niet bij [hulpverlening 2] . Alle hulpverlening is op vrijwillige basis.
De zorgen die de vrouw heeft over de veiligheid bij de man thuis zijn niet afgenomen. Zo heeft [minderjarige 3] daar een vlindermes in zijn bezit gehad, kijken de kinderen filmpjes die niet voor hun leeftijd bestemd zijn en heeft [minderjarige 3] geprobeerd met een slijptol een kartonnen doos open te zagen waarin [minderjarige 2] verstopt zat. Daarnaast spelen de kinderen tussen de machines en mag [minderjarige 3] zelfstandig koeien van het land halen. Dit zijn enkele voorbeelden over de onveiligheid daar en het totale gebrek aan toezicht door de man. Op de vraag of er een oplossing bestaat die tegemoet komt aan de zorgen van de vrouw, merkt zij op dat zij door haar opties heen is. In het onderzoek door de Raad is informatie over de veiligheidszorgen blijven liggen, zoals appjes en informatie van degenen die een melding bij Veilig Thuis hebben gedaan, aldus nog steeds de vrouw. Hoewel zij het in het belang vindt van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat sprake is van contact met de man, vindt zij de situatie nu niet veilig genoeg.
3.8.
Namens de man is in reactie op het advies van de Raad en ter zitting nog het volgende aangevoerd. Hij stemt in met het advies om de verzoeken van de vrouw met betrekking tot [minderjarige 1] aan te houden in afwachting van de hulpverlening. Daarbij merkt de man op dat hij graag zou zien dat het contact met [minderjarige 1] wordt hersteld, maar hij wil daarin de wensen van [minderjarige 1] volgen en de uitkomsten van de hulpverlening afwachten. Er is geen reden voor nader onderzoek volgens de man. De informanten, de melders bij Veilig Thuis, die niet zijn gehoord betreffen twee anonieme melders, een jeugdarts vanuit school en de psycholoog van de moeder. Zij kunnen niet uit eerste hand verklaren over de kennelijke veiligheidszorgen. Het komt de man wel nuttig voor dat de rapporten in het kader van het beschermingsonderzoek over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in deze procedure worden ingebracht.
De begeleide omgangsmomenten verlopen goed en zijn gezellig, maar wel heel intensief. Tussendoor heeft de man ook nog videobelcontact met [minderjarige 2] en hij heeft af en toe contact met [minderjarige 3] onder begeleiding van een leerkracht op school. Die contacten verlopen veel rustiger, omdat dit op een moment plaatsvindt waarop het hen uitkomt. De man geeft aan dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet snappen waarom de situatie zo is en waarom de stiefkinderen wel bij hem mogen zijn. Zij missen de dieren op de boerderij.
De man heeft moeite met de inhoud van de meldingen bij Veilig Thuis. Het is onduidelijk welke zorgen en veiligheidsvragen er nu precies zijn. De man herkent de specifieke voorbeelden niet. [minderjarige 3] mag best een zakmes hebben, maar geen vlindermes. Verder is er geen sprake geweest van zagen in een kartonnen doos met een slijptol. Het betrof een gewone handzaag. De minderjarigen krijgen vrijheid en vertrouwen in hun spel, maar worden niet aan hun lot overgelaten. De beschuldigingen van de vrouw op dit vlak worden nergens gestaafd. Daar komt bij dat de Raad naar aanleiding van het beschermingsonderzoek geen verzoek tot ondertoezichtstelling heeft gedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de Raad ook geen zorgen ziet.
De Masic is nu in de afrondende fase. De man geeft aan het moeilijk te vinden daaraan mee te werken, omdat hij de stellingen van de vrouw in dit verband betwist en het gaat om moeilijk te weerleggen beschuldigingen. De kinderen zijn hoogsensitief en hoogbegaafd en met hen is veel aan de hand Onderzocht moet worden wat de kern van het probleem is en hoe dit moet worden opgelost. Net als de vrouw ziet de man de echtscheidingsproblematiek niet als hoofdoorzaak.
Met betrekking tot het door hem verzochte onbegeleide contact tussen hem en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geeft de man nog aan dat zijn partner, indien dit voor de vrouw rust brengt, eventueel daarin tijdelijk een rol zou kunnen vervullen. Tot slot brengt de man naar voren dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige 1] . Hij betwijfelt of hij er de oorzaak van is dat het niet goed met haar gaat. Het feit dat hij geen contact heeft met haar doet pijn, hij houdt onvoorwaardelijk van haar en geeft aan dat ze altijd mag terugkomen.
3.9.
De bijzondere curator heeft in reactie op het advies van de Raad en ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige 1] voelt zich niet serieus genomen door de Raad. Zij is onjuist geciteerd, haar woorden zijn verdraaid en/of niet juist weergegeven. Zij is blij met de uitkomst dat zij vooralsnog geen contact zal hebben met haar vader. Zij vraagt zich echter wel af welke termijn hieraan gekoppeld wordt. Zij heeft het gevoel dat zij niet wordt geloofd. Zij is het niet eens om het gezamenlijk gezag in stand te laten. Zij wil niet dat haar vader door middel van zijn gezagspositie invloed kan uitoefenen op haar keuzes en haar leven. De bijzondere curator heeft verder aangevoerd dat zij afgelopen week heeft gesproken met [minderjarige 1] . De situatie is momenteel wat meer tot rust gekomen. [minderjarige 1] voert gesprekken met een psycholoog en heeft dagbesteding waar zij zich gehoord voelt. Wat ook helpend is, is dat de moeder haar eigen stress en spanningen minder projecteert op [minderjarige 1] .
3.10.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Gezag
4.1.
In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarige krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de situatie van [minderjarige 1] voor haar al meer dan een jaar ingewikkeld en zwaar is. Zij heeft nu eindelijk wel individuele hulpverlening en is bezig met haar persoonlijke proces. Zij heeft daar baat bij en het gaat wat beter met haar. [minderjarige 1] heeft de man al langere tijd niet gezien en dat geeft haar nu ook rust. De man geeft [minderjarige 1] de ruimte om met de hulpverlening aan de slag te gaan. Verder is gebleken dat het de vrouw inmiddels ook beter lukt om de spanningen die zij ervaart minder te projecteren op [minderjarige 1] . Hoewel uit de stukken naar voren komt dat het de ouders niet lukt om met elkaar samen te werken en constructief over [minderjarige 1] te communiceren, is niet gebleken van een situatie waarin zaken voor [minderjarige 1] vanwege het ontbreken van toestemming van de man niet of pas laat geregeld worden. De man heeft ook aangegeven overal voor te zullen tekenen. De door [minderjarige 1] ervaren fysieke en emotionele onveiligheid bij de man wordt door beide ouders anders uitgelegd en gewaardeerd en is voor de Raad en ook voor de rechtbank, waar het gaat om het gedrag van de man, (vooralsnog) niet verifieerbaar en ten aanzien van de fysieke onveiligheid bij hem thuis (tot op heden) niet (in zodanig ernstige mate) gebleken. Wel is duidelijk geworden dat de man en de vrouw via het UHA (gaan) werken aan hun communicatie en ouderschap en dat het gezinssysteem in dat verband systemische ondersteuning krijgt vanuit [hulpverlening 2] , in welk verband de Masic bij partijen wordt afgenomen. De rechtbank acht, gelet op hetgeen zij hiervoor over de veiligheid heeft overwogen, de informatie die hieruit zal volgen en ook de resultaten van de hulpverlening relevant voor de door haar te nemen beslissing. Gelet op het voorgaande en de lopende hulpverleningstrajecten zal de rechtbank de definitieve beslissing ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] aanhouden.
Zorgregeling
4.3.
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
4.4.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing.
4.5.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het vaststellen van het ouderschapsplan.
4.6.
In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind.
4.7.
De rechtbank maakt hierna onderscheid tussen de situatie met betrekking tot [minderjarige 1] enerzijds en die van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] anderzijds.
[minderjarige 1]
4.8.
[minderjarige 1] heeft duidelijk aangegeven dat zij op dit moment geen contact wil met haar vader en dat zij veel last heeft van hetgeen zij aangeeft met hem te hebben meegemaakt. Zij is inmiddels 17 jaar oud en is nu bezig met een individueel hulpverleningsproces bij haar psycholoog en bij [dagbesteding] . De rechtbank is van oordeel dat het in haar belang is dat zij duidelijkheid ervaart en in alle rust aandacht en energie kan besteden aan deze ingezette individuele hulpverlening. Zij heeft lang moeten wachten op de start van de hulpverlening en er is op dit moment nog geen ruimte om te kijken naar contactherstel met de man en samenwerking van haar hulpverleners met [hulpverlening 2] . Wellicht dat daarvoor in de toekomst wel ruimte ontstaat. Contact met haar vader acht de rechtbank op dit moment in strijd met de belangen van [minderjarige 1] . De man heeft aangegeven dat hij, weliswaar met emotionele bezwaren, zich niet zal verzetten tegen het verzoek van de vrouw en de wens van [minderjarige 1] zal respecteren, waarbij het belangrijk is om op te merken dat hij heeft verklaard dat de deur voor [minderjarige 1] altijd open staat. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek aldus zal toewijzen en de zorgregeling voor onbepaalde tijd zal opschorten zodat [minderjarige 1] de vrijheid heeft om onder begeleiding van hulverlening aan zichzelf te werken.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3]
4.9.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben op dit moment begeleid contact met de man. Er is sprake van hulpverlening aan de ouders en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vanuit [hulpverlening 2] . In december 2025 is systeemtherapie opgestart in welk verband de Masic bij beide ouders is afgenomen. Deze hulpverlening zal, zo hebben partijen ter zitting afgesproken, worden voortgezet via het UHA. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, volgt dat het traject bij [hulpverlening 2] loopt tot juni 2026. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben aangegeven de grote wens te hebben om zo snel mogelijk weer naar de man op de boerderij te gaan en daar, zoals het eerder was, te blijven slapen. De Raad adviseert dat uitbreiding van het contact en (onbegeleid) contact op de boerderij in hun belang is. De vrouw acht contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook in hun belang maar zit, zoals zij aangeeft, in een spagaat: zij acht onbegeleid contact te onveilig.
4.1
De rechtbank is met de Raad en partijen van oordeel dat uitbreiding van het contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in hun belang is. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gebaat bij een onbelast contact met hun beide ouders omdat dit belangrijk is voor hun identiteitsontwikkeling. Ook dienen zij in deze situatie, waarbij spanningen en echtscheidingsproblematiek helaas nog altijd op de voorgrond staan, een onafhankelijk vaderbeeld te kunnen vormen. De rechtbank wil echter het lopende hulpverleningstraject en de stappen die daar worden gezet niet doorkruisen en acht het daarom in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat onder regie van de thans betrokken hulpverlener, [hulpverlening 2] , en in het kader van de lopende hulpverlening zo mogelijk op korte termijn wordt toegewerkt naar uitbreiding van de contacten en naar contact op de boerderij, waarbij [hulpverlening 2] de kinderen monitort. Voorstelbaar is dat het pad wordt gevolgd wat de Raad heeft voorgesteld (zie r.o. 3.6. van deze beschikking), maar de wijze waarop wordt uitgebreid, laat de rechtbank, als gezegd, over aan [hulpverlening 2] als betrokken hulpverlener. Hoewel de Raad de zorgen van de vrouw over de fysieke veiligheid van de kinderen niet deelt en een beschermingsmaatregel niet nodig acht en ook de rechtbank deze zorgen (nog) moeilijk te verifiëren acht, acht de rechtbank van belang dat [hulpverlening 2] in dit verband wel aandacht besteedt aan die zorgen van de vrouw. Zij dient namelijk aan [minderjarige 2] en [minderjarige 3] haar emotionele toestemming te geven voor de uit te breiden omgang.
Het voorgaande betekent dat de huidige regeling voorlopig zal worden vastgelegd en de beslissing op de verzoeken van partijen met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor het overige worden aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening De rechtbank gaat er vanuit met de informatie die komt uit de ingezette hulpverleningstrajecten (onder andere de Masic) beter voorgelicht te zijn om een definitieve beslissing te kunnen nemen.

5.Uniform Hulp Aanbod (ten aanzien van alle minderjarigen)

5.1.
Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij ten aanzien van de kinderen de hulpverlening die op dit moment loopt willen voortzetten in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna UHA).
5.2.
De problematiek van de ouders omvat, kort samengevat, het volgende:
Er is al geruime tijd sprake van complexe echtscheidingsproblematiek, maar ook van andere problematiek. Ook met de kinderen is het nodige aan de hand en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn hoogsensitief en hoogbegaafd. Bij de vrouw is sprake van grote zorgen over de kinderen als zij bij de man zijn. Die zorgen zien zowel op hun fysieke welzijn (veiligheid) als op hun emotionele welzijn. De man weerspreekt deze zorgen. De Raad, die recent onderzoek heeft gedaan, en enkele andere hulpverleningsinstanties hebben deze zorgen niet kunnen verifiëren. De man heeft op dit moment via [hulpverlening 2] begeleid contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Ook vindt er bij [hulpverlening 2] systeemtherapie plaats en is onlangs de Masic bij beide ouders afgenomen om zicht te krijgen op het mogelijke partnergeweld.
Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat deze hulpverlening bij deze hulpverlener ( [hulpverlening 2] in het kader van het UHA zal worden voortgezet.
5.3.
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 19 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
5.4.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
5.5.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte, systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
5.6.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. Partijen worden in dat geval tevens in de gelegenheid gesteld om, zoals ter zitting besproken, de rapporten inzake het beschermingsonderzoek met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het geding te brengen
5.7.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het de minderjarigen.
5.8.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
5.9.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
5.10.
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen in die zin dat zij een update zal uitbrengen van haar eerdere advies met betrekking tot [minderjarige 1] en voorts ter beantwoording van de volgende vragen met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :
- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor het contact en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.11.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.12.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5.13.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
5.14.
Omdat ouders en hun kind(eren) in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject en in aanmerking nemende hetgeen overwogen onder in 4.11. hiervoor beslist de rechtbank als na te melden op de verzoeken met betrekking tot de (wijziging van de) verdeling van de zorg en opvoedingstaken en houdt zij deze voor het overige aan.
5.15.
Omdat sprake is van een verwijzing naar het UHA met begeleide omgang zou de zaak normaal gesproken worden aangehouden voor de duur van 9 maanden. Nu echter de hulpverlening bij [hulpverlening 2] reeds loopt en volgens de stellingen van partijen begin juni 2026 zal zijn afgerond, ziet de rechtbank aanleiding de zaak aan te houden
tot 30 juni 2026. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
6. Brief aan de minderjarigen
6.1.
De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan de minderjarigen terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot de minderjarigen richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar apart naar ieder van de minderjarigen wordt gestuurd.
6.2.
[minderjarige 1]
Beste [minderjarige 1] ,
Op 27 februari heb je een gesprek gehad met de kinderrechter, mevrouw Baggel. Je hebt toen verteld hoe het met je gaat. Ook heb je verteld dat je niet meer wil dat jouw vader beslissingen over jou mag nemen en dat je ook niet naar je vader wil gaan. Je mening hierover is nog hetzelfde als toen je in juni vorig jaar met een andere kinderrechter sprak.
Op 2 maart heeft er een zitting plaatsgevonden. Daar waren jouw ouders, allebei met een advocaat, iemand van de Raad voor de Kinderbescherming en de bijzondere curator aanwezig.
Het gezag van jouw vader en het contact tussen jouw en hem is toen besproken. Iedereen heeft daar wat over mogen zeggen. De bijzondere curator heeft jouw mening nog een keer naar voren gebracht.
De rechter heeft besloten dat jij nog steeds geen contact met jouw vader hoeft te hebben. Hopelijk geeft jou dat de rust die je nodig hebt om met de individuele hulpverlening door te gaan bij jouw psycholoog en bij [dagbesteding] . Ik wil je daarbij nog wel meegeven dat je vader op zitting heeft gezegd dat hij van je houdt en dat zijn deur altijd open staat voor je.
De kinderrechter heeft nog niet beslist over het gezag van jouw vader over jou. Ze weet dat jij dat wel graag wilde en dat het voor jouw gevoel heel fijn zou zijn dat hij niet meer het gezag over je heeft. Dat begrijpt ze ook. Ze vindt het alleen belangrijk om nog informatie te krijgen over de hulpverlening waar jouw ouders nu mee bezig zijn. Zij hebben namelijk hulp gezocht om te proberen weer met elkaar over jou te kunnen praten. Ze vindt het ook belangrijk dat jouw vader heeft aangegeven dat hij overal voor zal tekenen. Pas als duidelijk is wat het resultaat is van de nu ingezette hulpverlening aan je ouders, zal de rechter een beslissing nemen over het gezag over jou.
Ik kan me voorstellen dat dit nieuws veel met je doet. Misschien voel je je verdrietig, boos, opgelucht, verward of allemaal tegelijk en zit je met vragen. Alle gevoelens die je hierbij hebt, zijn oké.
Je hoeft hier niet alleen mee te zijn. Als je wilt praten of iets wilt vragen, kun je terecht bij bijvoorbeeld jouw psycholoog of een andere volwassene waar je fijn mee kunt praten.
Als je over de beslissing zelf nog vragen hebt dan kun je die aan je bijzondere curator stellen.
Met vriendelijke groet,
De griffier
6.3.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3]
Beste [persoon] ,
Op 27 februari heb je een gesprek gehad met de kinderrechter, mevrouw Baggel. Je hebt toen verteld hoe het met je gaat. Ook heb je verteld dat je graag weer naar je vader wil gaan op de boerderij en dat je eigenlijk niet goed weet waarom dat nu niet mag.
Op 2 maart heeft er een zitting plaatsgevonden. Daar waren onder andere jouw ouders, allebei met een advocaat, en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig.
Het contact tussen jou en jouw vader is toen besproken. Iedereen heeft daar wat over mogen zeggen.
De kinderrechter heeft gezien dat je op dit moment 1,5 uur per week contact hebt met je vader onder begeleiding bij [hulpverlening 2] . Voorlopig blijft dat zo. De rechter heeft wel aan [hulpverlening 2] gevraagd om te proberen te organiseren dat het contact met je vader wordt uitgebreid en ook dat het bij jouw vader thuis op de boerderij kan, dat is wat jij graag wil. Daar gaat [hulpverlening 2] mee aan de slag.
Er is nu nog geen definitieve beslissing over het contact tussen jouw en je vader. Over een aantal maanden komt de zaak weer terug bij de rechter. Daarna wordt opnieuw gekeken wat het beste is voor jou.
Misschien vind je het jammer dat er nog niet meteen meer duidelijkheid is. Toch is het belangrijk dat er goed wordt gekeken naar wat fijn en veilig is voor jou.
Als je vragen hebt, of als je ergens over wilt praten, kun je terecht bij de hulpverlening.
.
Met vriendelijke groet,
De griffier

7.De beslissing

De rechtbank
7.1.
verandert de eerdere beschikking van deze rechtbank van 20 augustus 2021 als volgt:
7.1.1.
bepaalt dat de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] voor onbepaalde tijd wordt opgeschort;
7.1.2.
bepaalt dat de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van wekelijks begeleid contact met elkaar bij [hulpverlening 2] , een en ander voorts met inachtneming van hetgeen overwogen met betrekking tot uitbreiding van die contacten in r.o. 4.10. hiervoor;
7.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en de kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
7.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op
30 juni 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om op die datum de rapporten inzake het beschermingsonderzoek met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het geding te brengen;
7.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
7.6.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
7.7.
verzoekt de Raad, regio West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 5.10. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren
7.8.
verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen en stelt ouders in de gelegenheid dan ook de rapporten met betrekking tot het beschermingsonderzoek van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het geding te brengen;
7.9.
houdt aan de definitieve beslissing op de verzoek(en) met betrekking tot het gezag over [minderjarige 1] en de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in aanwezigheid van Rozendaal, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.