Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. In een eerder ouderschapsplan was bepaald dat het hoofdverblijf van het kind bij de vader zou zijn vanaf 1 april 2024, met een kinderbijdrage van €0 door de vader aan de moeder.
Door een tijdelijke uithuisplaatsing van het kind bij de moeder vanaf februari 2025 tot september 2025 heeft de moeder de kosten voor verzorging en opvoeding gedragen. De vrouw verzocht daarom om een bijdrage van de man voor deze periode. De man betwistte een wijziging van omstandigheden en stelde dat de vrouw zonder overleg het kind had ingeschreven op haar adres.
De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke wijziging van het hoofdverblijf een relevante wijziging van omstandigheden vormt die een hernieuwde beoordeling van de kinderbijdrage rechtvaardigt. De rechtbank stelt de bijdrage voor de periode van 1 augustus tot 1 september 2025 vast op €80 per maand, conform de eerdere beschikking, en wijst het verzoek voor een bijdrage over een langere periode af.