Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3420

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/438212 / FA RK 25-3889
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderbijdrage na tijdelijke wijziging hoofdverblijf minderjarige

Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. In een eerder ouderschapsplan was bepaald dat het hoofdverblijf van het kind bij de vader zou zijn vanaf 1 april 2024, met een kinderbijdrage van €0 door de vader aan de moeder.

Door een tijdelijke uithuisplaatsing van het kind bij de moeder vanaf februari 2025 tot september 2025 heeft de moeder de kosten voor verzorging en opvoeding gedragen. De vrouw verzocht daarom om een bijdrage van de man voor deze periode. De man betwistte een wijziging van omstandigheden en stelde dat de vrouw zonder overleg het kind had ingeschreven op haar adres.

De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke wijziging van het hoofdverblijf een relevante wijziging van omstandigheden vormt die een hernieuwde beoordeling van de kinderbijdrage rechtvaardigt. De rechtbank stelt de bijdrage voor de periode van 1 augustus tot 1 september 2025 vast op €80 per maand, conform de eerdere beschikking, en wijst het verzoek voor een bijdrage over een langere periode af.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderbijdrage voor de periode 1 augustus tot 1 september 2025 naar €80 per maand en wijst het overige verzoek af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/438212 / FA RK 25-3889
beschikking d.d. 27 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.X. Scholten, gevestigd te Vlissingen,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. J. van Elk, gevestigd te Utrecht.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 25 juli 2025 ingekomen verzoekschrift tot wijziging alimentatie, met bijlagen;
- het op 25 september 2025 ingekomen verweerschrift wijziging kinderalimentatie, met bijlagen;
- de brief d.d. 10 november 2025 van mr. Scholten, tevens houdende een wijziging van het verzoek, met bijlagen;
- de brief d.d. 16 februari 2026 van mr. Van Elk, met bijlagen.
1.2
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 27 februari 2026. Bij die
gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw heeft zich doen vertegenwoordigen door haar advocaat.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank, locatie Breda, van 1 september 2022 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Breda op 8 september 2022.
2.2
Partijen zijn de ouders van het navolgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] .
2.3
Partijen zijn verder de ouders van de inmiddels [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2006 te [geboorteplaats] .
2.4
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.5
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
2.6
In voornoemde beschikking van 1 september 2022 is bepaald dat de man € 80,00 per kind per maand dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Dit volgt ook uit het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan van 4 augustus 2022 dat door de vrouw als productie 7 bij het verzoekschrift is overgelegd.
2.7
Uit het als productie 8 bij het verzoekschrift door de vrouw overgelegde gewijzigde ouderschapsplan dat door partijen op 6 november 2023 respectievelijk 7 november 2023 is ondertekend volgt dat gelet op de voorgenomen verhuizing van de vrouw (van [plaats 3] ) naar [plaats 1] , de kinderen vanaf 1 april 2024 hun hoofdverblijf bij de man (in [plaats 3] ) zullen hebben en bij hem ingeschreven staan en de man recht heeft op de kinderbijslag. Afgesproken is verder dat de kinderen gezien hun leeftijd zelf mogen beslissen waar zij verblijven. Daarnaast is bepaald dat met ingang van 1 april 2024 de vader aan de moeder een alimentatie betaalt van € 0,00 per kind per maand.
2.8
Bij beschikking van 26 februari 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van
de GI voor de duur van drie maanden, met ingang van 26 februari 2025 en tot 26 mei 2025.
2.9
Bij beschikking van 14 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de
duur van een jaar, met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026.
2.1
Bij beschikking van 1 september 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend voor de duur van twee
weken, met ingang van 1 september 2025 en tot 15 september 2025. Het resterende deel van
het verzoek is aangehouden.
2.11
Bij beschikking van 11 september 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd met ingang van 15 september 2025 en tot 1 maart 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter het zelfstandig verzoek van de moeder, te weten te bepalen dat een bijzondere curator wordt benoemd op grond van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek, afgewezen.
2.12
Bij beschikking van 18 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd met ingang van 1 maart 2026 en tot 14 mei 2026;
2.13
[minderjarige] staat sinds 5 december 2024 ingeschreven bij het adres van de moeder, maar op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de vader.

3.Het geschil

3.1
De vrouw verzoekt - na vermindering van haar verzoek - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man over de periode vanaf 26 februari 2025 tot 1 september 2025 aan de vrouw een bijdrage dient te betalen van € 647,= per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] , althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede
justitie zal vermenen te behoren.
3.2
De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw aldus dat wordt verzocht de in de beschikking van 1 september 2022 en ouderschapsplan van augustus 2022 bepaalde kinderbijdrage alsmede de nadien in het gewijzigde ouderschapsplan van november 2023 overeengekomen afspraak ten aanzien van de kinderbijdrage te wijzigen.
3.3
De man voert verweer en verzoekt de vrouw in haar verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
3.4
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Wijziging van omstandigheden;
4.1
Op grond van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
4.2
De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van het door partijen ondertekende ouderschapsplan in november 2023 waarbij het hoofdverblijf van de destijds nog beide minderjarige kinderen is bepaald bij de man. De man heeft ermee ingestemd dat [minderjarige] voorlopig bij de vrouw zou wonen en ingeschreven kon worden op een school bij de vrouw in de buurt.
4.3
De man betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft [minderjarige] zonder overleg met de man op 5 december 2024 overgeschreven op haar adres. Dat de vrouw hoofdzakelijk de kosten voor [minderjarige] heeft gedragen is te wijten aan de handelswijze van de vrouw. De man heeft diverse voorstellen gedaan om op voorlopige basis in de onderhoudskosten van [minderjarige] bij te dragen. Alle voorstellen zijn door de vrouw van de hand gewezen.
4.4
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 februari 2025 alsmede voornoemde beschikking van de kinderrechter van 11 september 2025 volgt dat de man ermee heeft ingestemd dat het hoofdverblijf van [minderjarige] - in ieder geval tijdelijk - bij de vrouw was. Niet in geschil is dat de vrouw in de periode waarover om een bijdrage wordt verzocht de kosten voor [minderjarige] heeft gedragen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van voornoemd artikel die een hernieuwde beoordeling van de eerder bepaalde kinderbijdrage rechtvaardigt.
Ingangsdatum;
4.5
De vrouw verzoekt – na wijziging van haar verzoek – om een door de man te betalen kinderbijdrage over de periode vanaf 26 februari 2025 tot 1 september 2025.
4.6
Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst ingaan op de ingangsdatum van de door de vrouw verzochte wijziging van de kinderbijdrage. Uitgangspunt is dat artikel 1:402 BW Pro de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van een ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking. Daarnaast heeft te gelden dat in geval van een verhoging van alimentatie met terugwerkende kracht de rechter niet dezelfde behoedzaamheid in acht dient te nemen en op hem niet dezelfde motiveringsplicht rust als in geval van een verlaging van de alimentatie of bij op nihilstelling daarvan met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór zijn desbetreffende beschikking (HR 22 december 2009, NJ 2010,14).
4.7
Uitgegaan zal worden van 1 augustus 2025, zijnde de eerste dag van de maand na de datum van indiening van het verzoekschrift van 25 juli 2025, omdat de man redelijkerwijs vanaf die datum er rekening mee kon houden dat de rechter de alimentatieverplichting zou wijzigen. In hetgeen door de vrouw is gesteld ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. De vrouw had eerder een verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage kunnen indienen.
4.8
Uit het vorenstaande volgt dat het geschil is beperkt tot de periode van 1 augustus 2025 tot 1 september 2025. Door de man is ter zitting onweersproken gesteld dat hij in deze periode niet in aanmerking kwam voor kinderbijslag en kindgebonden budget. Met ingang van 1 september 2025 ontvangt de man (weer) de kinderbijslag. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in voornoemde periode van 1 augustus tot 1 september 2025 geen sprake was van een wijziging van de eerdere situatie ten tijde van de beschikking van 1 september 2022, waarbij de minderjarige haar hoofdverblijf had bij de vrouw en de vrouw in aanmerking kwam voor de toeslagen en de man een kinderbijdrage van € 80,= per kind per maand was verschuldigd. De rechtbank zal om die reden bepalen dat de man over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 september 2025 een bedrag van € 80,= aan de vrouw dient betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] .

5.De beslissing

De rechtbank:
bepaalt – voor zover nodig onder wijziging van de beschikking van 1 september 2022 en het gewijzigde ouderschapsplan van november 2023 – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] , voor de periode van 1 augustus 2025 tot 1 september 2025 op een bedrag van € 80,=;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in aanwezigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.