Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3431

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/446015 / JE RK 26-436
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:265g lid 1 BWArt. 1:265g lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling minimale zorgregeling en begeleid contact tussen vader en minderjarige binnen ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een minimale zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarige, die onder toezicht is gesteld. De minderjarige woont bij de moeder, die met ambulante hulpverlening de zorg kan dragen, terwijl de vader vanwege problematiek met alcohol en verward gedrag begeleid contact moet hebben.

De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat het contact met de vader onder toezicht blijft plaatsvinden. De GI krijgt de regie over de overgang naar onbegeleid contact, de duur, frequentie, vorm en eventuele beperkingen bij problematisch gedrag van de vader. De vader erkent zijn problemen en volgt hulpverlening.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg en het contact te waarborgen. Hoewel de vader meer contact wenst, is dit voorlopig niet mogelijk, maar de kinderrechter sluit een toekomstige uitbreiding niet uit.

De beslissing is genomen op 27 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 7 april 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: Er is een minimale zorgregeling vastgesteld waarbij de vader wekelijks begeleid contact heeft met de minderjarige onder regie van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446015 / JE RK 26-436
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 november 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder tot 21 mei 2026.
2.4.
[minderjarige] woont bij de moeder, maar verblijft, op grond van voormelde machtiging, met de moeder in een moeder-kind huis.
2.5.
[minderjarige] en de moeder hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Surinaamse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, inhoudende dat er een minimale regeling geldt tussen vader en [minderjarige] , waarbij zij wekelijks begeleid contact hebben voor de duur van anderhalf uur, waarbij de regie ten aanzien van de overgang naar onbegeleid contact, duur, frequentie, vorm en een eventuele beperking wanneer vader door alcohol gebruik dan wel misbruik en/of verward gedrag niet in staat wordt geacht tot het hebben van een verantwoord contact met [minderjarige] , bij de GI wordt belegd.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en voert ter onderbouwing daarvan het volgende aan. De GI heeft de afgelopen periode gezien dat een plaatsing van de moeder met [minderjarige] binnen een moeder-kindhuis niet langer noodzakelijk is en dat de moeder met ambulante ondersteuning en hulp van haar netwerk de zorg voor [minderjarige] kan dragen. Een van de voorwaarden van de GI is daarbij dat de vader en de moeder niet samen zullen wonen. Vanwege de schuldenproblematiek van de ouders, zijn de ouders naar alle waarschijnlijkheid genoodzaakt om hun woning te verkopen. De moeder zal daarom met [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde gaan verblijven. De vader zal samen met de betrokken begeleiding zoeken naar een andere woonruimte. Voor beide ouders is urgentie aangevraagd. Nu er niets is geregeld ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige] , vindt de GI het belangrijk dat er een minimale regeling wordt bepaald, waarbij de vader minimaal eens per week voor de duur van 1,5 uur begeleid contact kan hebben met [minderjarige] . De vader en [minderjarige] hebben hier recht op en dit strekt tot bescherming van de vader. Sinds februari 2026 is het contact tussen [minderjarige] en de vader verplaatst naar het kantoor van de GI onder begeleiding van [hulpverlening 1] . De vader heeft daarnaast begeleiding van [hulpverlening 2] en krijgt ondersteuning van Novadic Kentron. De GI wenst dat de regie ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige] bij de GI wordt belegd voor zover dit ziet op de overgang naar onbegeleid contact, de duur van het contact, de frequentie van het contact en de vorm en de eventuele beperking wanneer vader door alcohol gebruik dan wel misbruik en/of verward gedrag niet in staat wordt geacht tot het hebben van een verantwoord contact. De GI wil dit contact stapsgewijs verder uitbreiden en de ouders hebben de wens om in de toekomst weer samen te wonen en samen voor [minderjarige] te zorgen. Zover is het echter nog niet.
4.2.
Hoewel de vader [minderjarige] graag meer zou willen zien dan in de voorgestelde regeling het geval is, stemt de vader wel in met de vastlegging van de door de GI voorgestelde regeling, waarbij de regie bij de GI blijft. De vader vindt het moeilijk dat het contact zo beperkt is. Hierdoor ziet hij [minderjarige] niet opgroeien. De vader erkent dat hij fouten heeft gemaakt door alcohol te gebruiken. Het gaat inmiddels beter met de vader. Met de problematiek die nu speelt, greep de vader vroeger naar de alcohol. Hij drinkt nu niet veel meer en wil dit uiteindelijk helemaal niet meer doen. De vader heeft hulpverlening van Novadic Kentron en zal deze hulp ook voortzetten. De vader hoopt dat alles snel wordt opgelost zodat het gezin weer bij elkaar kan komen. Het doet de vader veel verdriet dat de moeder en [minderjarige] nu ver van hem verwijderd zijn.
4.3.
De moeder is het ermee eens dat de vader minimaal eenmaal per week een contactmoment heeft met [minderjarige] . Daarbij stelt de moeder wel de voorwaarde dat de vader niet onder invloed van alcohol is. De moeder benoemt verder dat zij ook achter een eventuele uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader kan staan (voor wat betreft de duur en de begeleiding), onder regie van de GI.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter stelt vast dat de vader de Surinaamse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
5.4.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt een dergelijke regeling, op grond van het derde lid van het voormelde artikel, als een reguliere omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter beoordeelt of het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat er een (minimale) zorgregeling wordt vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader. De kinderrechter is, gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, van oordeel dat dit het geval is. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.6.
Het is de kinderrechter gebleken dat er de afgelopen periode goede stappen zijn gezet binnen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Binnen het moeder-kindhuis is gebleken dat de moeder in staat moet worden geacht om met ambulante hulpverlening en ondersteuning vanuit haar netwerk de zorg voor [minderjarige] te dragen. Daarom wordt er de komende periode ingezet op een beëindiging van de plaatsing bij het moeder-kindhuis en zal de moeder terugkeren naar de thuissituatie (bij haar moeder). Nu de ouders na beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing, niet (meteen) zullen gaan samenwonen (in de vorm van een gezinshereniging), brengt dit een verandering met zich mee in de gezinssituatie van [minderjarige] en de ouders.
5.7.
Als gevolg daarvan moeten er afspraken worden gemaakt over het contact tussen [minderjarige] en de vader. De kinderechter is met de GI van oordeel dat het, vanwege de forse zorgen over (het alcoholgebruik, de agressie en het verwarde gedrag van) de vader noodzakelijk is dat er vooralsnog toezicht is op dit contact. [minderjarige] is immers zeer jong en kwetsbaar en heeft in zijn leven al onveiligheid en instabiliteit doorgemaakt in de thuissituatie bij de ouders. Het contact met de vader moet daarom op een verantwoorde en veilige wijze blijven plaatsvinden, waarbij er kan worden gewerkt aan de band tussen vader en [minderjarige] en zicht kan worden verkregen op de opvoedvaardigheden van de vader. Hier is nog de nodige tijd voor nodig. De kinderrechter kan zich daarom vinden in de door de GI voorgestelde (minimale) contactregeling tussen de vader en [minderjarige] , waarbij zij wekelijks begeleid contact hebben voor de duur van anderhalf uur. De regie zal – zoals verzocht – bij de GI worden belegd ten aanzien van de overgang naar onbegeleid contact, de duur, de frequentie, de vorm en een eventuele beperking wanneer vader door alcoholgebruik dan wel verward gedrag niet in staat wordt geacht tot het hebben van een verantwoord contact met [minderjarige] . Het vastleggen van deze minimale zorgregeling biedt de vader ook de zekerheid dat zijn recht op contact met [minderjarige] en het recht van [minderjarige] op contact met de vader, behoudens in de gevallen dat een beperking noodzakelijk is, daadwerkelijk zal worden geëffectueerd. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de vader [minderjarige] het liefst vaker wenst te zien en idealiter de volledige zorg samen met de moeder voor [minderjarige] zou willen dragen, behoort dit op dit moment nog niet tot de mogelijkheden. Dit wil echter niet zeggen dat dit voor de toekomst in zijn geheel is uitgesloten. Het is daarbij van belang dat de vader laat zien dat hij de komende periode aan zijn problematiek blijft werken en dat hij een blijvende stabiele factor kan zijn in het leven van [minderjarige] . Het stemt de kinderrechter daarbij positief dat de vader de zorgen ten aanzien van zijn alcoholgebruik erkent en inziet dat hij daarvoor hulpverlening nodig heeft.
5.8.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat er tussen [minderjarige] en de vader een minimale regeling geldt, waarbij zij wekelijks begeleid contact hebben voor de duur van anderhalf uur en de regie ten aanzien van de overgang naar onbegeleid contact, de duur, de frequentie, de vorm en een eventuele beperking wanneer vader door alcohol gebruik dan wel verward gedrag niet in staat wordt geacht tot het hebben van een verantwoord contact met [minderjarige] , bij de GI is gelegen;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.