De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een minimale zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarige, die onder toezicht is gesteld. De minderjarige woont bij de moeder, die met ambulante hulpverlening de zorg kan dragen, terwijl de vader vanwege problematiek met alcohol en verward gedrag begeleid contact moet hebben.
De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat het contact met de vader onder toezicht blijft plaatsvinden. De GI krijgt de regie over de overgang naar onbegeleid contact, de duur, frequentie, vorm en eventuele beperkingen bij problematisch gedrag van de vader. De vader erkent zijn problemen en volgt hulpverlening.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg en het contact te waarborgen. Hoewel de vader meer contact wenst, is dit voorlopig niet mogelijk, maar de kinderrechter sluit een toekomstige uitbreiding niet uit.
De beslissing is genomen op 27 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 7 april 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.