De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 maart 2026 een zaak over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarige kinderen na de echtscheiding van hun ouders. De moeder en vader hadden verschillende verzoeken ingediend over waar de kinderen zouden moeten verblijven en hoe de zorgregeling eruit zou moeten zien. De zaak werd mede behandeld in samenhang met een verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen.
De rechtbank nam kennis van rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI), die adviseerden de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen en de kinderen om de week bij de vader te laten verblijven volgens een specifieke weekindeling. De vader stemde in met de hoofdverblijfplaats bij de moeder vanwege zijn tijdelijke woonsituatie op een camping.
De rechtbank stelde vast dat de kinderen het grootste deel van de tijd bij de moeder verblijven en bepaalde daarom het hoofdverblijf bij haar. De zorgregeling werd vastgesteld conform het advies van de Raad, met verblijven bij de vader van donderdag na school tot maandag ochtend en de andere week van donderdag na school tot zaterdagochtend. Tijdens vakanties is minimaal eenmaal per week videobellen met de andere ouder verplicht. De regie over monitoring en eventuele wijzigingen in de zorgregeling werd belegd bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling, die een jaar duurt.
De rechtbank wees verdere verzoeken af en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. De ouders worden aangespoord om binnen de ondertoezichtstelling te werken aan een stabiele opvoedsituatie en betere communicatie.