Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3432

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/416130 FA RK 23-5417
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige kinderen na echtscheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 maart 2026 een zaak over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarige kinderen na de echtscheiding van hun ouders. De moeder en vader hadden verschillende verzoeken ingediend over waar de kinderen zouden moeten verblijven en hoe de zorgregeling eruit zou moeten zien. De zaak werd mede behandeld in samenhang met een verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen.

De rechtbank nam kennis van rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI), die adviseerden de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen en de kinderen om de week bij de vader te laten verblijven volgens een specifieke weekindeling. De vader stemde in met de hoofdverblijfplaats bij de moeder vanwege zijn tijdelijke woonsituatie op een camping.

De rechtbank stelde vast dat de kinderen het grootste deel van de tijd bij de moeder verblijven en bepaalde daarom het hoofdverblijf bij haar. De zorgregeling werd vastgesteld conform het advies van de Raad, met verblijven bij de vader van donderdag na school tot maandag ochtend en de andere week van donderdag na school tot zaterdagochtend. Tijdens vakanties is minimaal eenmaal per week videobellen met de andere ouder verplicht. De regie over monitoring en eventuele wijzigingen in de zorgregeling werd belegd bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling, die een jaar duurt.

De rechtbank wees verdere verzoeken af en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. De ouders worden aangespoord om binnen de ondertoezichtstelling te werken aan een stabiele opvoedsituatie en betere communicatie.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen wordt bij de moeder vastgesteld en de zorgregeling met verblijven om de week bij de vader wordt vastgesteld met regie bij de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/416130 FA RK 23-5417
datum uitspraak: 27 maart 2026
nadere beschikking betreffende hoofdverblijfplaats en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D.V. Garib uit Rotterdam,
en
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. F. Ergec uit Bergen op Zoom,
de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het nader procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de terugmelding UHA van de gemeente Moerdijk, ontvangen door de rechtbank op 3 juli 2025;
- de brief ‘UHA screening’ van de Raad van 5 september 2025;
- het raadsrapport van 15 januari 2026.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 13 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI.
1.3. In verband met de samenhang met het door de Raad ingediende verzoek tot ondertoezichtstelling (met kenmerk: C/02/444026 / JE RK 26-76) zijn de zaken gezamenlijk mondeling behandeld. In deze zaak is per afzonderlijke beschikking beslist.

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van de rechtbank van 11 november 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de verdeling van de gemeenschappelijke goederen bepaald. De beslissing op de verzoeken over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling is aangehouden in afwachting van de rapportage van de zorgaanbieder in het kader van het uniform hulpaanbod.
2.2.
Aan de orde zijn de (resterende) verzoeken van de vrouw om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het hoofdverblijf van de minderjarigen te bepalen bij de vrouw;
- te bepalen dat de minderjarigen driemaal per maand op vrijdagmiddag van school tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijven;
Daarnaast zijn aan de orde de (resterende) verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het hoofdverblijf van de minderjarigen te bepalen bij de man;
- een co-ouderschapsregeling met een week op-week af verdeling te bepalen, in onderling overleg te bepalen, alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte in onderling overleg vast te stellen.
2.3.
Uit de terugmelding van de gemeente Moerdijk van 3 juli 2025 is gebleken dat de resultaten van de verwijzing binnen het uniform hulpaanbod niet zijn behaald.
2.4.
De Raad heeft in de raadsrapportage van 15 januari 2026 verzocht de minderjarigen onder toezicht van de GI (onder zaaknummer C/02/444026 / JE RK 26-76). Daarnaast adviseert de Raad dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw wordt bepaald en dat de kinderen voorlopig (onverminderd) de ene week van donderdag ( [minderjarige 1] na school, [minderjarige 2] 09:00 uur) tot en met maandag ( [minderjarige 1] voor school, [minderjarige 2] 09:00 uur) en de andere week van donderdag ( [minderjarige 1] na school, [minderjarige 2] 09:00 uur) tot zaterdagochtend 10:00 uur bij man verblijven.
2.5
De rechtbank overweegt als volgt.
Hoofdverblijfplaats
2.6
De man heeft aangegeven op dit moment akkoord te zijn met de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw, omdat hij nog op een camping woont. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepalen bij de vrouw. De kinderen verblijven immers ook het grootste deel van de tijd bij de vrouw.
Zorgregeling
2.7
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2026 (in de zaak met kenmerk C/02/444026 / JE RK 26-76) zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Binnen de ondertoezichtstelling dient zicht te komen op de opvoedsituaties bij de man en de vrouw, dient de ontwikkeling van de minderjarigen verder in kaart te worden gebracht en zal gewerkt moeten worden aan de verhouding en de communicatie tussen de ouders (stoppen met het diskwalificeren van elkaar, inzet van solo parallel ouderschap en het vaststellen van een ouderschapsplan).
2.8
De man heeft verzocht om uitbreiding van de zorgregeling en vaststelling van een vakantieregeling. De vrouw wil beperking van de zorgregeling en de overdracht van de minderjarigen op neutraal terrein. De rechtbank zal, zoals de Raad heeft geadviseerd, op dit moment echter geen wijzigingen aanbrengen in de zorgregeling en aldus de lopende zorgregeling vaststellen en daarbij bepalen dat tijdens de vakanties minimaal eenmaal per week een videobelmoment met de andere ouder zal plaatsvinden. Daarnaast zal de rechtbank de regie over de monitoring en wijziging van de zorgregeling en de vakantieverdeling beleggen bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. Er is op dit moment onvoldoende zicht op welke zorgregeling in het belang van de kinderen is. Het is aan de GI om zicht te krijgen op alle omstandigheden die daarbij een factor kunnen spelen, zoals de oudercommunicatie, de opvoedsituaties van beide ouders en de ontwikkeling van de minderjarigen. Het is aan de ouders om binnen de ondertoezichtstelling aan de slag te gaan om voor de minderjarigen rust en stabiliteit te gaan creëren op alle vlakken. De rechtbank ziet geen redenen om de verzoeken over de zorgregeling daarvoor aan te houden. De ouders kunnen in onderling overleg met wederzijdse instemming andersluidende afspraken over de zorgregeling vastleggen of één van de ouders en de GI kan (te zijner tijd) een vaststelling van een (gewijzigde) zorgregeling ter beoordeling voorleggen aan de rechtbank.
2.9.
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
2.10.
Aangezien de regie over de zorgregeling zal worden belegd bij de GI merkt de rechtbank de GI als belanghebbende aan, zodat de GI een afschrift van deze beschikking krijgt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats 2] , hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
3.2.
bepaalt dat, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, genoemde minderjarigen de ene week van donderdag ( [minderjarige 1] na school, [minderjarige 2] om 9:00 uur) tot en met maandag ( [minderjarige 1] voor school, [minderjarige 2] tot 09:00 uur) en de andere week van donderdag ( [minderjarige 1] na school, [minderjarige 2] om 09:00 uur) tot zaterdagochtend 10:00 uur bij man verblijven, alsmede dat de minderjarigen tijdens de (school)vakanties minimaal eenmaal per week via videobellen contact hebben met de andere ouder;
3.3.
belegt de regie voor de monitoring en de wijziging van voornoemde zorgregeling en vakantieregeling bij de GI;
3.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.