Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3435

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/446435 / FA RK 26-1543
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Willemsen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Wet Zorg en Dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voortzetting inbewaringstelling wegens ontbreken verzet

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 maart 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, die lijdt aan frontotemporale dementie en verblijft in een zorgaccommodatie. Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd betrokkene gehoord, evenals zijn echtgenote en een specialist ouderengeneeskunde. De zoon was aanwezig maar niet gehoord.

Betrokkene gaf aan het naar zijn zin te hebben in de accommodatie en was rustig en vriendelijk. De specialist bevestigde dat er geen sprake was van verzet en dat betrokkene de zorg accepteert, ondanks een onrustige nacht. De thuissituatie was onhoudbaar geworden vanwege agressie en ontremming. De advocaat van betrokkene voerde aan dat het verzoek afgewezen moest worden omdat het verzetscriterium niet was vervuld.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van verzet betekent dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een rechterlijke machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Om die reden wees de rechtbank het verzoek af. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de mogelijkheid tot cassatie.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van verzet door betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446435 / FA RK 26-1543
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1950 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend aan de [adres] ,
nu verblijvende in de [accommodatie] , [afdeling] , [plaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden in de hierboven genoemde accommodatie op 27 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de echtgenote van betrokkene;
  • mevrouw [persoon] , specialist ouderengeneeskundige.
Tevens is de zoon van betrokkene aanwezig. Hij is echter niet gehoord.

2.Wat vaststaat

2.1.
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [accommodatie] . De burgemeester van Rucphen heeft de inbewaringstelling op 24 maart 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene is lastig te verstaan, maar duidelijk wordt dat hij het een naar zijn zin heeft in de accommodatie en dat het eten wel lekker is.
4.2.
De echtgenote brengt naar voren dat de familie de afgelopen twee weken enorm heeft afgezien. Het is een vreselijke ziekte waar betrokkene mee kampt.
4.3.
De specialist ouderengeneeskunde laat weten dat betrokkene bekend is met frontotemporale dementie. Er is geen sprake van verzet. Betrokkene accepteert de te ontvangen zorg en begeleiding. Ondanks dat sprake is geweest van een onrustige nacht, is betrokkene stabiel. De thuissituatie is onhoudbaar geworden. Soms is er sprake van agressie en ontremming. Voor betrokkene is een woonplek op een andere afdeling aangevraagd, nu hij niet op de observatie afdeling kan verblijven. Er is nog geen indicatie voor betrokkene afgegeven, maar hiervoor is inmiddels een onderbouwing geschreven.
4.4.
De advocaat voert aan dat het verzoek afgewezen dient te worden nu er geen sprake is van verzet.

5.De beoordeling

5.1.
Vanwege proceseconomische redenen gaat de rechtbank eerst in op het verzetscriterium (artikel 2 lid 1 van Pro de Wet Zorg en Dwang).
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er geen sprake is van verzet van betrokkene en/of een onvrijwillige opname in de accommodatie. Betrokkene lijkt op zijn gemak te zijn in de accommodatie. Hij is rustig en vriendelijk aanwezig. Daarnaast is betrokkene te begeleiden en gerust te stellen. Als betrokkene tijdens de mondelinge behandeling wordt gevraagd langer te blijven, dan zegt betrokkene dat hij het best naar zijn zin heeft en dat het eten wel lekker is. Nu er geen sprake is van verzet, wordt niet voldaan aan de wettelijk vereisten voor een rechterlijke machtiging en daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Willemsen, rechter, in aanwezigheid van Oonincx, griffier en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.