Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3441

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/446319 / JE RK 26-494
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens geëscaleerde thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige vertoonde grensoverschrijdend gedrag richting de moeder, waardoor de thuissituatie onhoudbaar werd. Na een korte opvang bij de vader is de minderjarige geplaatst in een crisisgroep en vervolgens overgeplaatst naar een gezinshuis.

De moeder heeft eenhoofdig ouderlijk gezag en stemt in met de verlenging, ondanks de moeilijke situatie. Ook de vader ondersteunt het verzoek en erkent dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was. De kinderrechter constateert dat de thuissituatie bij beide ouders onvoldoende veiligheid en stabiliteit biedt voor de ontwikkeling van de minderjarige.

Op grond van de wettelijke bepalingen in artikel 1:265b en 1:265c BW wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor negen maanden. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, omdat onmiddellijke uitvoering noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd voor negen maanden en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446319 / JE RK 26-494
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De advocaat van de vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de advocaat van de vader wel juist is opgeroepen en op de hoogte is geweest van het moment van de zitting. De kinderrechter heeft bij aanvang van de zitting nog getracht om de advocaat van de vader te bereiken. Dit is echter niet gelukt.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.5.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de GI met het door de GI ingediende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de zaak met kenmerk C/02/445203 / JE RK 26-286, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. In voornoemde zaak wordt bij separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
Bij beschikkingen van 3 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (opnieuw) onder toezicht gesteld. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 oktober 2025, met ingang van 24 oktober 2025 en tot 3 april 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, tot 5 maart 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs is bij beschikking van 27 februari 2026 verlengd, tot 3 april 2026.
2.4.
[minderjarige 1] woont middels voormelde machtiging op een groep van Sterk Huis en wordt op de dag van de zitting overgeplaatst naar een gezinshuis in [plaats].

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. [minderjarige 1] heeft (fysiek) grensoverschrijdend gedrag vertoont richting de moeder, waardoor de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden. Na de escalatie bij de moeder is [minderjarige 1] eerst naar de vader gegaan, waarna zij op een crisisgroep van Sterk Huis is geplaatst. [minderjarige 1] zal heden vanuit de groep van Sterk Huis, geplaatst worden bij een gezinshuis in [plaats]. Ondanks de leeftijd en problematiek van [minderjarige 1] , is het gezinshuis bereid om de plaatsing aan te gaan. Er zijn mogelijkheden voor dagbesteding in de buurt van het gezinshuis, er zijn drie scholen benaderd voor [minderjarige 1] om in te kunnen stromen en de behandeling bij de Viersprong kan worden voortgezet. Ook zal worden gekeken naar behandeling binnen de GGZ. Gezien de problematiek van [minderjarige 1] is het belangrijk dat de behandeling zo snel mogelijk wordt hervat. De GI denkt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] positief kan zijn voor haar. Dit biedt haar de kans vanuit een neutrale setting de behandeling en begeleiding aan te gaan, hetgeen in de thuissituatie bij de ouders niet is gelukt.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. Hoewel de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] moeilijk is voor de moeder, staat zij hier wel achter. De moeder kan zich vinden in de plaatsing bij het gezinshuis in [plaats]. De gezinshuisouders hebben zich goed verdiept in de persoon van [minderjarige 1] en hebben een goed beeld bij de benodigde dagbesteding, schoolgang en behandeling van [minderjarige 1] . De plaatsing biedt hopelijk de nodige kansen om de problematiek van [minderjarige 1] te doorbreken. De moeder heeft er vertrouwen in dat het goed komt met [minderjarige 1] wanneer zij de juiste hulp krijgt. De moeder heeft geprobeerd om contact te onderhouden met [minderjarige 1] , maar ontvangt enkel haatberichten van haar.
4.3.
Ook de vader stemt in met het verzoek. De vader staat achter de voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Het is een goede keuze geweest om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen. De moeder heeft toen duidelijk aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige 1] niet meer aankon. De vader vond het fijn dat [minderjarige 1] naar hem is gekomen en hij haar heeft kunnen opvangen. Ook voor de vader was het zwaar dat [minderjarige 1] naar de crisisgroep moest en vandaag wordt overgeplaatst naar een gezinshuis. De vader had [minderjarige 1] graag zelf naar het gezinshuis in [plaats] gebracht.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat ook aan de voorwaarden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is voldaan. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.4.
Het is de kinderrechter gebleken dat het verblijf van [minderjarige 1] bij de moeder de afgelopen periode onhoudbaar is geworden vanwege het grensoverschrijdende gedrag van [minderjarige 1] richting moeder. Vanuit haar problematiek lijkt [minderjarige 1] bij de moeder moeite te hebben met grenzen en regels. De moeder is volledig uitgeput door de situatie en haar draagkracht is overschreden. Nadat de thuissituatie bij de moeder is geëscaleerd en [minderjarige 1] daar is weggelopen, heeft de vader [minderjarige 1] voor een korte periode opgevangen, maar de vader kon [minderjarige 1] op het moment evenmin een blijvend opvoedperspectief bieden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een plaatsing bij één van de ouders op dit moment niet tot de mogelijkheden behoord. Hier zijn alle betrokkenen het over eens. De huidige gezinsomstandigheden bieden onvoldoende veiligheid, stabiliteit en continuïteit om haar ontwikkeling te waarborgen. [minderjarige 1] is gebaat bij rust en voorspelbaarheid, zodat zij kan toekomen aan de professionele behandeling en begeleiding die zij nodig heeft voor haar problematiek. Dit kan haar in de thuissituatie onvoldoende worden geboden.
5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de duur van negen maanden. Tijdens de zitting is gebleken dat er inmiddels een plaatsing beschikbaar is voor [minderjarige 1] bij een gezinshuis in [plaats], alwaar [minderjarige 1] op de dag van de zitting zal worden geplaatst. De ingezette behandeling kan vanuit daar worden hervat en nader worden uitgebreid met behandeling binnen de GGZ. De kinderrechter spreekt daarbij de hoop uit dat er de komende periode meer rust zal ontstaan doordat de ingezette behandeling meer resultaat zal geven vanuit het verblijf van [minderjarige 1] bij het gezinshuis. Hier heeft [minderjarige 1] , maar ook de rest van het gezin, behoefte aan.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening tot 3 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.