ECLI:NL:RBZWB:2026:3456
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling UWV na intrekking beroep wegens tegemoetkoming
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin haar bezwaar ongegrond werd verklaard. Het beroep richtte zich niet zozeer op de inhoud van het besluit, maar op de toerekening van de uitkering aan verzoekster als eigen-risicodrager. Tijdens de procedure heeft het UWV op 9 december 2025 toegezegd de door verzoekster gemaakte loon- en re-integratiekosten te vergoeden en haar los te koppelen van de WGA-premie indien een WIA-uitkering wordt toegekend aan de (ex)werknemer.
Naar aanleiding van deze toezegging heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren, waarop het UWV akkoord is gegaan met de proceskostenveroordeling.
De rechtbank oordeelt dat het UWV geheel aan verzoekster is tegemoetgekomen en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. De proceskostenvergoeding bedraagt € 934,-, bestaande uit de kosten van het ingediende beroepschrift. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 28 april 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.