Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- Mr. M.P.G.M. Gorgels, advocaat;
- Mr. P. Bilsel.
2.Het verzoek
going concern), respectievelijk € 220.361,00 (
piecemeal). Bij die waardering is nog geen rekening gehouden met kosten die gepaard gaan met het ontruimen van het (gehuurde) bedrijfsterrein en eventuele [extra werkzaamheden] (die daarop in mindering moeten worden gebracht). De reorganisatiewaarde gebaseerd op toekomstige kasstromen na [extra werkzaamheden] bedraagt € 2.756.791,00 negatief. De waarde die aan de schuldeisers onder het voorgenomen akkoord wordt aangeboden, bedraagt € 381.164,00 plus het bedrag dat betaald dient te worden ter voldoening van de artikel 29 lid 2 OB Pro claim van de Belastingdienst. Daarbij wordt aangesloten bij de
going concernwaardering van de activa, waarbij de kosten van reorganisatie van het personeel worden gedragen door [B.V.] (daarvoor is eerder al circa € 340.000,00 extra geld ter beschikking gesteld door [(indirect) aandeelhouder] B.V.) en de kosten van het akkoord worden voldaan daar [(indirect) aandeelhouder] B.V.. In totaal wordt voor de liquidatie een bedrag van ruim € 600,000,00 beschikbaar gemaakt, terwijl het te vereffenen vermogen in faillissement in het gunstigste geval € 300.361,00 zal zijn. In een faillissement zal er bovendien (door boedelschulden, zoals salaris curator, huur en de kosten van ontruiming van het terrein) geen uitkering aan de concurrente schuldeisers plaatsvinden. In het beoogde akkoord kunnen de concurrente crediteuren (anders dan de groepsvennootschappen) wel een uitkering op hun vorderingen tegemoetzien van 27,50%.