Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3462

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/7287
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid beroep door ontbreken uittreksel handelsregister

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026, waarin het beroep tegen een naheffingsaanslag bpm niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een uittreksel uit het handelsregister.

De gemachtigde van belanghebbende stelde dat de benodigde stukken, waaronder een machtiging en het uittreksel, per post waren verzonden en dat er sprake was van een misverstand over de ontvangst en de juiste identiteit van het uittreksel. De rechtbank oordeelde echter dat het verzuim voor rekening van belanghebbende komt en dat het ontbreken van het juiste uittreksel binnen de gestelde termijn niet kan worden hersteld in verzet.

De rechtbank bevestigde dat zonder het juiste uittreksel niet kan worden beoordeeld of de machtiging is afgegeven door de bevoegd bestuurder, waardoor het beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [persoon] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag bpm met aanslagnummer [nummer] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gemachtigde voert in verzet aan dat op 12 november 2024 een machtiging en uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] B.V. per post is verstuurd. Naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 14 november 2024, waarin nogmaals werd verzocht om een uittreksel, verkeerde gemachtigde in de veronderstelling dat de brief en de inmiddels toegestuurde stukken elkaar hadden gekruist. Op 18 november 2025 is door een medewerker van de rechtbank telefonisch bevestigd dat er aanvullende stukken waren binnengekomen. Er is echter sprake geweest van verwarring, omdat een uittreksel van belanghebbende nodig was en niet van [bedrijf] B.V.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat een recent uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft bij brief van 4 november 2024 gevraagd om een machtiging en uittreksel uit het handelsregister. Gemachtigde heeft hierop gereageerd en een machtigingsformulier ingediend en een uittreksel uit het handelsregister van [bedrijf] B.V. De rechtbank heeft bij brief van 14 november 2024 gevraagd om een uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende (waarbij de tekst ‘van belanghebbende’ is dikgedrukt). Gemachtigde heeft deze brief ontvangen, maar is er onterecht vanuit gegaan dat het verzuim al was hersteld.
2.5.
Uit vaste rechtspraak komt naar voren dat het processuele handelen van een gemachtigde voor rekening komt van degene die de behartiging van zijn belangen aan hem heeft toevertrouwd. Dat geldt ook voor het niet overleggen van de gevraagde stukken.
De rechtbank is van oordeel dat de vergissing voor risico van belanghebbende komt.
2.6.
Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen uittreksel uit het handelsregister van belanghebbende heeft ontvangen. Pas in verzet heeft gemachtigde de juiste stukken overgelegd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet kan worden beoordeeld of de machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon.
2.7.
De rechtbank oordeelt dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. [2] De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.