Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 9 februari 2026, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht voor een WOZ-beschikking. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 behandeld en beoordeelt of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was.
De gemachtigde van belanghebbende voerde aan dat de griffierechtnota onduidelijk was, dat er geen deugdelijke herstelbrief was, dat de ontvangst van de nota's werd betwist en dat er sprake was van samenhang tussen besluiten waardoor slechts één griffierecht verschuldigd zou zijn. Tevens werd gesteld dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat track-and-trace informatie niet was voorgelegd.
De rechtbank oordeelt dat de griffierechtnota's voldoende duidelijk waren en dat de gemachtigde de koppeling met de zaak kon maken. De ontvangst van de aangetekende herinneringsnota is aannemelijk, mede omdat deze werd verzonden naar het door gemachtigde opgegeven postbusadres waar namens hem wordt getekend. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden omdat gemachtigde voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren. Er was geen sprake van één beroepschrift tegen meerdere besluiten. De rechtbank bevestigt dat het griffierecht niet is betaald binnen de gestelde termijn en verklaart het beroep terecht niet-ontvankelijk.
Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure nog geen anderhalf jaar heeft geduurd. De uitspraak van 9 februari 2026 blijft daarmee in stand.