Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 6 februari 2026, waarin de rechtbank zijn beroepen op WOZ-beschikkingen niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 behandeld en beoordeelt of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was.
De gemachtigde van belanghebbende voerde aan dat de griffierechtnota's onduidelijk waren, dat een herstelbrief ontbrak, dat de ontvangst van de aangetekende stukken werd betwist en dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat track-and-trace informatie niet was voorgelegd. De rechtbank oordeelt dat de griffierechtnota's voldoende duidelijk waren en dat de herinneringsnota met termijn en rechtsgevolg is verzonden. De ontvangst van de aangetekende herinneringsnota wordt geacht te zijn geschied, mede gelet op de gangbare praktijk bij het PostNL-punt.
Verder is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden omdat gemachtigde voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren. De rechtbank bevestigt dat bij samenhangende beroepen slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is en dat het niet betalen van griffierecht in de risicosfeer van belanghebbende ligt. Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure nog geen anderhalf jaar heeft geduurd.