ECLI:NL:RBZWB:2026:3499
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde bedrijfsruimte wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn bedrijfsruimte, vastgesteld op €175.000 per 1 januari 2024, en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2025. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep op 4 februari 2026.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde en de aanslag te hoog waren vastgesteld. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatiematrix met vergelijkingsmethode, gebruikmakend van drie referentieobjecten. Belanghebbende betwistte de vergelijkbaarheid van deze objecten, onder meer vanwege verschillen in isolatie, ligging, functionaliteit en de aanwezigheid van een hijskraan bij een referentieobject.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende had aangetoond dat met deze verschillen rekening was gehouden. De onderbouwing van de vergelijkingen was onvoldoende, en de waarde van €175.000 was daardoor niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende kon zijn lagere waarde van €108.000 ook niet aannemelijk maken. Daarom stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €170.000 en vernietigde de uitspraak op bezwaar. De aanslag OZB werd dienovereenkomstig verminderd en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De WOZ-waarde en aanslag OZB worden verminderd tot €170.000 wegens onvoldoende onderbouwing door de heffingsambtenaar.