Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3521

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/437670 FA RK 25-3623
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 lid 1 BWArt. 7:266 lid 1 BWArt. 7:266 lid 5 BWArt. 827 lid 1 sub e Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning huurrecht aan man bij echtscheiding ondanks gezondheidsproblemen vrouw

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 maart 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw die sinds 2021 gehuwd waren in beperkte gemeenschap van goederen. De vrouw verzocht om echtscheiding, toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar en vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man verzocht primair om het huurrecht aan hem toe te kennen en subsidiair om het recht te behouden de woning te bewonen indien het huurrecht aan de vrouw zou worden toegekend.

Partijen bereikten overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder toewijzing van auto's, bankrekeningen en inboedel, en afspraken over de zorg voor hun hond. De rechtbank kon de verdeling niet vaststellen omdat partijen het eens waren, maar verklaarde de afspraken bindend.

De kern van het geschil betrof het huurrecht van de woning. De vrouw stelde dat haar COPD en de gelijkvloerse woning haar een zwaarwegend belang gaven, terwijl de man wees op zijn moeizaam herstel na een openhartoperatie, zijn geestelijke kwetsbaarheid en het ontbreken van een sociaal netwerk. Na belangenafweging oordeelde de rechtbank dat het belang van de man zwaarder woog en kende het huurrecht aan hem toe. De vrouw kon elders tijdelijk verblijven bij familie of vrienden. De man gaf aan de vrouw een termijn van zes maanden te gunnen om vervangende woonruimte te vinden.

Uitkomst: De rechtbank kent het huurrecht van de echtelijke woning toe aan de man vanwege zijn kwetsbare gezondheid en gebrek aan sociaal netwerk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/437670 FA RK 25-3623
datum uitspraak: 30 maart 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Elias,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. I. Gerrand.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 3 juli 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlage;
- het op 15 juli 2025 ontvangen aangepaste verzoekschrift;
- het op 6 oktober 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- de brief van mr. Elias van 10 februari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Gerrand van 10 februari 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2021 in de gemeente Oisterwijk met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- echtscheiding;
- bepaling dat zij de huurster van de echtelijke woning zal zijn;
- vaststelling van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap conform punt 8 van haar verzoekschrift.
3.2
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- primair bepaling dat hij de huurder van de echtelijke woning zal zijn;
- subsidiair, als het huurrecht aan de vrouw wordt toegewezen, bepaling dat hij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten;
- vaststelling van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap conform het verzoek van de vrouw, met dien verstande dat aan hem nog wordt toebedeeld hond [naam] , de helft van het bestek, een viertal bekers, een viertal glazen, een viertal borden, de elektrische fiets, zijn modelbouwverzameling, de kapotte antieke klok die hij cadeau heeft gekregen van zijn ouders en zijn gereedschap.

4.De beoordeling

Echtscheiding
4.1
De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken.
4.2
De man heeft zich voor wat betreft het echtscheidingsverzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Gelet op de referte van de man zal de rechtbank het verzoek van de vrouw als op de wet gegrond toewijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
4.4
Partijen hebben ter zitting bevestigd dat zij overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de gemeenschap. Die afspraken houden in dat:
- de auto Citroën C3 aan de man wordt toebedeeld;
- de auto Toyota Aygo aan de vrouw wordt toebedeeld;
- de rekening bij de Rabobank met [eindcijfers 1] door de vrouw wordt voortgezet;
- de rekening bij de ABN AMRO met [eindcijfers 2] door de man wordt voortgezet;
- de volgende inboedelgoederen aan de man worden toebedeeld:
- de laptop;
- de printer;
- de linnenkast op zolder;
- de kleine grijze kast;
- de draaistoel in de huiskamer;
- het groene servies;
- wat handdoeken;
- zijn kleding en lijfsgoederen;
- de helft van het bestek, een viertal bekers, een viertal glazen, een viertal borden;
- de elektrische fiets;
- zijn modelbouwverzameling;
- de kapotte antieke klok;
- zijn gereedschap;
- alle overige inboedelgoederen aan de vrouw worden toebedeeld;
- bovenstaande verdeling plaatsvindt zonder enige verrekening over en weer.
4.5
Partijen hebben tijdens de zitting ook afspraken gemaakt over de verdeling van (de zorg voor) hond [naam] . Die afspraak houdt in dat hond [naam] onverdeeld blijft. Niet in geschil is dat de man op dit moment vanwege gezondheidsredenen (tijdelijk) niet in staat is om zelfstandig voor de hond te zorgen en hem uit te laten. Zodra de gezondheid van de man het toelaat, zullen partijen uitvoering geven aan een zogenaamde “co-ouderschapsregeling” waarbij de hond week op week af bij ieder van partijen zal verblijven. Zij zullen beslissingen omtrent hond [naam] gezamenlijk nemen en ieder de helft van de kosten die aan de hond zijn verbonden voor hun rekening nemen.
4.6
Omdat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, kan de rechtbank de verdeling niet vaststellen, gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal de verzoeken van partijen om de verdeling vast te stellen daarom afwijzen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de hiervoor weergegeven, tussen partijen gemaakte afspraken tussen hen wel bindend zijn, maar zich niet lenen voor opname in het dictum van deze beschikking.
Huurrecht
4.7
Beide partijen verzoeken toekenning van het huurrecht van de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] .
4.8
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub e van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met artikel 7:266 lid 5 BW Pro op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. Voor toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan één van de echtgenoten moet een afweging van de belangen van de man en de vrouw worden gemaakt.
4.9
De vrouw voert aan dat zij COPD heeft. Haar longcapaciteit is fors achteruitgegaan. De woning is gelijkvloers en zodanig ingericht dat zij daar nog jaren kan wonen. Ook is het in dat verband voor de vrouw van belang dat er familie in de buurt woont die haar af en toe kan helpen. Daarnaast wijst de vrouw erop dat partijen de woning toegewezen hebben gekregen op basis van de inschrijftijd van de vrouw. Zij staat ook als hoofdbewoner vermeld en in het begin voldeed zij de huur. Verder voert de vrouw aan dat de man eind maart van dit jaar een gesprek heeft met GGZ. Zij vermoedt dat dit is vanwege het alcoholprobleem van de man. Volgens de vrouw zal de man naar alle waarschijnlijkheid minimaal zeven weken worden opgenomen, met de optie tot verlenging. Het zou beter zijn voor de man als hij (daarna) niet meer zelfstandig zou wonen.
4.1
De man voert aan dat hij in 2023 een openhartoperatie heeft ondergaan, waarvan het herstel moeizaam verloopt. Hij heeft regelmatig ziekenhuisafspraken en gebruikt veel medicatie om onder meer angst en spanning te verminderen. Ook de echtscheiding levert de man veel spanning op, waarvoor hij hulp bij een psychiater heeft gezocht. Zijn modelbouwhobby, waarvoor in de woning een kamer is ingericht, heeft de man daardoor al een hele tijd niet meer kunnen uitoefenen. Voor de man is van belang dat hij in de woning kan blijven om aan zijn herstel te werken en niet de spanning te hebben om dakloos te worden. Verder wijst de man erop dat de vrouw twee zussen, een zoon en een dochter in de nabije omgeving heeft wonen waar zij tijdelijk zou kunnen verblijven. Ook heeft de vrouw een vriendin bij wie partijen voordat zij in de huurwoning trokken samen een tijdje hebben gewoond op de zolderverdieping. Daar kan de vrouw nu mogelijk ook terecht. De man heeft daarentegen geen familie of vrienden waar hij onderdak kan vinden.
4.11
Hoewel partijen beiden een groot belang hebben bij toekenning van het huurrecht van de woning, is de rechtbank na afweging van de wederzijdse belangen van oordeel dat het belang van de man zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij verkrijging van het huurrecht. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
4.12
In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat de man op dit moment een broze geestelijke gezondheid heeft. Volgens de vrouw hangt de (in haar woorden: forse) problematiek van de man samen met overmatig alcoholgebruik door hem. De man heeft het bestaan en de ernst van het door de vrouw geschetste alcoholprobleem betwist. Wel heeft hij tijdens de zitting erkend en nader toegelicht dat hij slecht in zijn vel zit en last heeft van gevoelens van angst en spanning. Voor die klachten heeft hij hulp gezocht. Eind deze maand heeft de man een (intake)gesprek met de GGZ. De rechtbank is van oordeel dat de gezondheid van de man vergt dat hij in een vertrouwde omgeving kan verblijven. De man bevindt zich op dit moment in een kwetsbare positie, waarbij alleen al het vooruitzicht dat hij de woning zal moeten verlaten en op straat komt te staan de ernst van zijn klachten en uiteindelijk zijn herstel niet ten goede zal komen. Weliswaar gaat de vrouw ervanuit dat de man op korte termijn zal worden opgenomen in een kliniek, maar die stelling heeft zij niet onderbouwd, terwijl de man tijdens de zitting heeft gezegd niet op de hoogte te zijn van een mogelijke opname. Zelfs als een opname aan de orde zou zijn, overweegt de rechtbank dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn die erop duiden dat de man daarna niet meer zelfstandig zou kunnen (en moeten) wonen. Ook in geval van een opname zal het voor de man en voor zijn herstel dus van belang zijn dat hij weet dat hij terug kan keren naar de voor hem vertrouwde woning.
4.13
In de tweede plaats is voor de rechtbank niet duidelijk geworden dat de gezondheid van de vrouw op dit moment en in de (nabije) toekomst dwingt tot een verblijf in de huidige woning. Hoewel niet in geschil is dat de vrouw lijdt aan COPD, is de rechtbank niet gebleken dat de woning van partijen (specifiek) aan de gezondheidsproblematiek van de vrouw is aangepast. Integendeel, tijdens de zitting heeft de man onweersproken aangevoerd dat de woning niet gelijkvloers is, maar over twee verdiepingen beschikt.
4.14
In de derde plaats heeft de vrouw erkend dat er familie en vrienden van haar in de buurt wonen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het niet ideaal zou zijn als de vrouw daar tijdelijk onderdak moet vinden, heeft de vrouw niet onderbouwd naar voren gebracht dat die mogelijkheid niet bestaat. Daar staat tegenover dat de man niet beschikt over een netwerk van familie of vrienden waar hij terecht zou kunnen, zo heeft de man gesteld en de vrouw niet weersproken.
4.15
In de vierde en laatste plaats overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat partijen de huurwoning hebben verkregen op basis van de inschrijfduur van de vrouw en zij als hoofdbewoner vermeld staat op het inkomensregistratieformulier van de woningbouwvereniging, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, in dit geval van ondergeschikt belang is. Op grond van artikel 7:266 lid 1 BW Pro is de echtgenoot van een huurder van rechtswege medehuurder. Dat partijen beiden huurders zijn van de woning aan de [adres] te [woonplaats] staat dan ook niet ter discussie. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat zij beiden de aan de woning verbonden (huur)lasten kunnen dragen. Het gaat erom wie op dit moment het grootste belang heeft bij toewijzing van het huurrecht.
4.16
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man vanaf de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Dat betekent dat het verzoek van de vrouw met betrekking tot het huurrecht en de overige verzoeken van de man in dat kader zullen worden afgewezen.
4.17
In zijn verweerschrift en tijdens de zitting heeft de man gezegd dat partijen elkaar hebben beloofd dat zij elkaar niet op straat zullen zetten. De man heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij de vrouw een termijn van zes maanden zal gunnen om vervangende woonruimte te vinden. De rechtbank gaat ervanuit dat de man die toezegging gestand zal doen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2021 in de gemeente Oisterwijk met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woning, gelegen aan de [adres] in [woonplaats] ;
5.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.