Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3523

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/444803 / KG ZA 26-66
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 824 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en executie uitsluitend gebruik woning en bijgebouw bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend en bij voorlopige voorzieningen is bepaald dat zij het uitsluitend gebruik van de woning krijgt en de man de woning moet verlaten.

De man vertrok naar een aan de woning gebouwde ruimte (bijgebouw) en vordert dat dit verblijf wordt toegestaan, stellende dat het bijgebouw zelfstandige woonruimte is en dat hij anders dakloos wordt. De vrouw betwist dit en stelt dat het bijgebouw onlosmakelijk verbonden is met de hoofdwoning en dat het verblijf van de man spanningen veroorzaakt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het bijgebouw geen zelfstandige woonruimte is en dat de man de beschikking moet naleven door ook het bijgebouw te verlaten. De belangenafweging weegt het belang van de vrouw en kinderen op rust en veiligheid zwaarder dan het woonbelang van de man. De vorderingen van de man worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vorderingen van de man worden afgewezen en hij moet het bijgebouw verlaten conform de beschikking van 19 december 2025.

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/444803 / KG ZA 26-66
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,
tegen
[de vrouw]
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 februari 2026, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord van 5 maart 2026, met een productie;
- de op 6 maart 2026 ingediende producties 5 tot en met 10 van de zijde van de man;
- de op 6 maart 2026 ontvangen pleitnota van mr. Voorvaart.
1.2
Op 11 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit vereist.
1.3
Tijdens de zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee, nog minderjarige, kinderen geboren.
2.2
Partijen woonden tijdens hun huwelijk met het gezin in de woning, gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (verder: de woning). De woning is eigendom van de man.
2.3
Op 15 januari 2026 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. De zaak is bekend onder zaaknummer C/02/444106 / FA RK 26-289.
2.4
Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 19 december 2025 is, voor zover van belang, bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning en is de man bevolen de woning te verlaten en deze niet verder te betreden. Daartoe heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:
“3.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting op de zitting blijkt dat de verhoudingen tussen partijen moeizaam zijn en er over en weer sprake is van
onbegrip. Het Centrum voor Jeugd en Gezin is bij het gezin betrokken geraakt, waarbij de
jeugdprofessional in oktober 2025 een gesprek heeft gehad met de kinderen. Beide kinderen
hebben verteld over de ruzies thuis. Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat het niet langer van partijen kan worden gevergd dat zij gezamenlijk in de echtelijke woning verblijven. Op de zitting is nog met partijen gesproken over mogelijke oplossingen, omdat zij beiden aangeven geen alternatieven te hebben, maar zij bleken niet bereid om onderling tot afspraken te komen. Dit leidt ertoe dat moet worden beoordeeld wiens belang bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt.
3.6.
Partijen zijn het er over eens dat de kinderen in de woning moeten blijven. Voor de
kinderen is hun leven al aan het veranderen doordat hun ouders uit elkaar gaan. Het is in het belang van de kinderen om verder zoveel als mogelijk is gelijk te houden en voor nu in hun vertrouwde omgeving te kunnen blijven. (…)
3.8.
Aldus is gebleken dat beide partijen belang hebben bij het uitsluitend gebruik van de
echtelijke woning. De rechtbank acht het belang van de kinderen in deze van
doorslaggevende betekenis. Zoals overwogen, is het belang van de kinderen er in gelegen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en dat er verder voor hen zo min mogelijk verandert. Onbetwist is gesteld dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen tijdens het huwelijk bij de vrouw lag en de man fulltime werkt(e). De vrouw is ook nu het merendeel voor de kinderen beschikbaar. De man heeft aangegeven dat het voor hem mogelijk is om zijn werkzaamheden in te gaan richten rondom de zorg voor de kinderen, maar dit is nog een onzekere factor en hierop kan niet worden vooruitgelopen. De rechtbank acht het op dit moment dan ook het meest in het belang van de kinderen dat zij worden toevertrouwd aan de vrouw en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt. De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw dan ook toewijzen. De verzoeken van de man worden afgewezen. (…).”
2.5
Bij exploot van 2 februari 2026 is op verzoek van de vrouw, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank van 19 december 2025 aan de man betekend en is de man bevolen om binnen drie dagen de woning te verlaten en niet nader te betreden.
2.6
Bij exploot van 11 februari 2026 is de man op verzoek van de vrouw bevolen te voldoen aan de veroordeling in de beschikking van de rechtbank van 19 december 2025 en de woning te verlaten op 3 maart 2026.
2.7
De man heeft de woning op 3 maart 2026 verlaten en verblijft vanaf dat moment bij een buurvrouw.

3.Het geschil

3.1
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair: te bepalen dat de beschikking van 19 december 2025 aldus moet worden uitgelegd dat deze uitsluitend ziet op de hoofdwoning op adres [adres] [woonplaats] en niet op het zelfstandig bijgebouw en dat de vrouw gehouden is het ongestoord en exclusief verblijf van de man in het bijgebouw te gedogen, zolang de hoofdzaak niet is beslist;
2. subsidiair: te bepalen dat de lopende executie, ingesteld door de vrouw d.d. 2 februari 2026, inhoudende een bevel tot verlaten van de woning gelegen aan de [adres] [woonplaats] op grond van de beschikking d.d. 19 december 2025 van uw rechtbank wordt gestaakt en gestaakt wordt gehouden, zolang de hoofdzaak niet is beslist en dat de man deswege is toegestaan dat de vrouw gedoogd dat de man ongestoord en exclusief mag en kan verblijven in het zelfstandig bijgebouw;
3. te bepalen dat de vrouw -nu zij willens en wetens niet heeft opengestaan voor een schappelijke en minnelijke regeling- wordt veroordeeld in de proceskosten van dit geding.
3.2
De man legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Naar aanleiding van de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 december 2026 heeft hij de woning verlaten en heeft hij zijn intrek genomen in het bijgebouw, dat aan de (hoofd)woning is gebouwd. Het bijgebouw is een van de hoofdwoning (af)gescheiden, bouwkundig en functioneel zelfstandige woonruimte. Het bijgebouw ligt op een naastgelegen perceel ( [nummer 1] ), dat grenst aan het perceel van de hoofdwoning ( [nummer 2] ), en heeft aan de tuinzijde een eigen ingang. Het beschikt over een eigen keuken en eigen sanitaire voorzieningen. De beslissing over het uitsluitend gebruik van de woning ziet alleen op de hoofdwoning en niet op het bijgebouw. Doordat hij de hoofdwoning heeft verlaten en deze niet meer betrad, voldeed hij dus aan de beschikking. De beschikking biedt voor de tenuitvoerlegging door ontruiming van het bijgebouw dan ook geen grondslag. Dat hij gedwongen is het bijgebouw te verlaten en verlaten te houden levert jegens hem zelfs misbruik van recht op. De vrouw ondervindt geen enkel concreet nadeel als hij naar het bijgebouw terugkeert. Zij heeft het exclusief gebruik van de hoofdwoning en geen last van hem. Partijen leefden tijdens zijn eerdere verblijf in het bijgebouw zonder spanningen en problemen naast elkaar. Zijn aanwezigheid zorgde juist voor continuïteit en de nodige rust. De kinderen bewogen zich ongehinderd tussen beide ouders en hij kon hen helpen bij het huiswerk. Het belang van de kinderen vergt ook dat hij zijn verblijf in het bijgebouw kan voortzetten. Als hij niet in het bijgebouw bij de woning kan terugkeren wordt hij ernstig in zijn woonbelang getroffen. Hij beschikt op korte termijn niet over een andere woning waardoor hij dakloos dreigt te worden. Op dit moment verblijft hij bij een buurvrouw, maar dit verblijf eindigt per direct. De onzekerheid rondom beschikbaarheid van alternatieve woonruimte bezorgt hem bovendien veel stress. Hiermee is ook zijn spoedeisend belang gegeven.
3.3
De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.4
De vrouw voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De man heeft naar aanleiding van de beschikking voorlopige voorzieningen voor zichzelf provisorisch een eigen woning gecreëerd door een spaanplaat afscheiding te plaatsen tussen de hoofdwoning en de aanbouw aan de woning. De aanbouw is geen bijgebouw en geen zelfstandige woonruimte; de aanbouw is onlosmakelijk verbonden met de hoofdwoning. Met het plaatsen van de afscheiding is de aanbouw ook niet ineens een aparte woonruimte geworden. De aanbouw kan verder ook niet als woonruimte worden beschouwd, omdat het niet aan de minimale eisen voldoet die je van een woning mag verwachten. Tijdens de zitting in de voorlopige voorzieningen is niet gesproken over de mogelijkheid dat de man gedurende de echtscheidingsprocedure in de aanbouw zou verblijven. De rechter heeft deze optie in de afwegingen voor de beslissing ook niet meegewogen. Door zijn intrek te nemen in de aanbouw aan de woning voldeed de man dus niet aan de beschikking voorlopige voorzieningen. De vrouw heeft de man ruimschoots de tijd gegeven om op zoek te gaan naar alternatieve woonruimte. De man heeft echter op geen enkele wijze aangetoond dat hij pogingen heeft ondernomen om elders een woonplek te vinden. Het verblijf van de man in de aanbouw zorgt voor een onveilige en onprettige situatie, omdat de aanbouw aan de woning grenst. De afscheiding tussen de woning en de aanbouw heeft de man zonder overleg met haar aangebracht. Hij kan deze afscheiding ook op elk moment weer ongedaan maken en zich gemakkelijk de toegang tot de woning verschaffen. Zij ervaart de dreiging die hiervan uitgaat des te meer, omdat de man vaak zonder overleg handelt en zich niet aan afspraken houdt. De verhouding tussen partijen is moeizaam. Zij wil alleen rust voor haar en de kinderen. Door de acties van de man neemt de onrust bij de kinderen juist toe. Er is voor de man geen sprake van een noodsituatie, hij heeft onderdak gevonden bij de buurvrouw en hij ziet de kinderen omdat er een zorgregeling is. Met deze procedure ondermijnt de man de ordemaatregel die in het kader van de voorlopige voorziening is gegeven en zet hij de verhoudingen tussen partijen juist op scherp. Van een evidente juridische misslag in de beschikking voorlopige voorzieningen is evenmin sprake. Aan de voorwaarden die voorliggen in een executiegeschil is niet voldaan en van spoedeisend belang is geen sprake.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1
Artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, de voorzieningenrechter bevoegd is deze te geven.
4.2
De vrouw betwist dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Volgens haar heeft de man op geen enkele wijze onderbouwd dat de man dakloos wordt en dat bij hem sprake is van een zodanig grote mate van stress dat hij zal uitvallen op zijn werk. De man heeft ruimschoots de tijd gehad om alternatieve woonruimte te zoeken. Pas begin februari van dit jaar, ruimschoots na de beschikking voorlopige voorzieningen, heeft zij de daadwerkelijke executie in werking gezet.
4.3
In dit kort geding is tussen partijen in geschil of het in de beschikking van 19 december 2026 aan de vrouw toegekende uitsluitend gebruik van de woning enkel betrekking heeft op de (hoofd)woning of tevens op de aan de (hoofd)woning gebouwde ruimte, en of de man, door zijn intrek te nemen in de aangebouwde ruimte, uitvoering heeft gegeven aan de beschikking van 19 december 2025. Ook is in geschil of de tenuitvoerlegging van de beschikking van 19 december 2025 kort gezegd onaanvaardbaar is. Gelet op de patstelling tussen partijen en de urgentie om duidelijkheid te verkrijgen over de uitvoering van de beschikking voorlopige voorzieningen staat het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen vast.
De inhoudelijke beoordeling
4.4
Uit de stukken en zijn toelichting tijdens de zitting begrijpt de voorzieningenrechter dat de man vordert te verklaren voor recht dat hij op basis van de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 december 2025 rechtmatig in het bijgebouw bij de woning mag verblijven, dan wel dat hij vordert de vrouw te verbieden hem te sommeren om het bijgebouw te verlaten. Echter, de man heeft dit niet gevorderd. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat de man op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen wel gehouden is om de aanbouw aan de (hoofd)woning dan wel bijgebouw te verlaten en niet verder te betreden. De voorzieningenrechter zal hieronder uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
4.5
De man heeft zijn stelling dat de destijds aan de (hoofd)woning aangebouwde ruimte een (af)gescheiden woonruimte, een bijgebouw is en geen onderdeel is van de (hoofd)woning, onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat de aangebouwde ruimte bouwkundig en functioneel zelfstandig is en beschikt over een eigen ingang, keuken en sanitaire voorzieningen is daarvoor onvoldoende. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanbouw onlosmakelijk met de woning verbonden is. Tussen de aangebouwde ruimte en de (hoofd)woning is een open verbinding en de man heeft deze opening zelf, na de beschikking voorlopige voorzieningen, met spaanplaat dichtgemaakt. De stelling dat de aangebouwde ruimte een eigen adres zou hebben als het over een eigen voordeur zou beschikken is evenmin voldoende, omdat deze situatie zich (nu) niet voordoet.
Het betoog van de man dat de beslissing in de beschikking van 19 december 2025 ziet op het hoofdgebouw en niet op de aan de (hoofd)woning gebouwde ruimte, het bijgebouw, slaagt dan ook niet. De man voldeed, door zijn intrek te nemen in de aan de (hoofd)woning gebouwde ruimte, niet aan de beschikking van 19 december 2025 en de vrouw heeft de man op basis van die beschikking terecht gesommeerd de (aangebouwde ruimte aan) de woning te verlaten.
4.6
De volgende vraag die moet worden beantwoord is of de tenuitvoerlegging van de beschikking van 19 december 2025, voor zover de man daarin is bevolen de woning te verlaten en deze niet verder te betreden, moet worden geschorst. Tegen de beschikking van 19 december 2025 staat geen hoger beroep open (artikel 824 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). De beschikking heeft dus kracht van gewijsde en is onherroepelijk.
- Het toetsingskader
4.7
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis (of in dit geval beschikking) slechts schorsen, indien zij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
4.8
De man heeft niets gesteld over een juridische of feitelijke misslag en daarvan is ook niet gebleken. Indien en voor zover de man heeft willen betogen dat sprake is van een feitelijke misslag, omdat de (hoofd)woning niet de aan de woning gebouwde ruimte (het door de man gestelde bijgebouw) omvat en de voorzieningenrechter dit feit niet in de beoordeling heeft meegewogen, kan dit betoog onder verwijzing naar dat wat de voorzieningenrechter hiervoor in de overwegingen 4.6. tot en met 4.8. heeft overwogen, niet slagen. Wat dan resteert is een belangenafweging. De man stelt dat aan zijn kant een zeer kwetsbare situatie ontstaat als hij de woning moet verlaten en deze verlaten moet houden.
- Belangenafweging
4.9
In de beschikking van 19 december 2025 heeft de rechtbank met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning een belangenafweging tussen partijen gemaakt. Het belang van de kinderen is in deze belangenafweging meegenomen en is voor de beslissing van doorslaggevende betekenis geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat het op dit moment het meest in het belang van de kinderen is te achten dat zij worden toevertrouwd aan de vrouw en dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toekomt. In haar afweging heeft de rechtbank meegenomen dat de verhoudingen tussen partijen moeizaam zijn en dat van hen niet langer kan worden gevergd dat zij gezamenlijk in de woning verblijven. Uit de stukken en tijdens de zitting in onderhavige zaak is de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat de verstandhouding tussen partijen niet (veel) is verbeterd en dat zij nagenoeg niet met elkaar communiceren. Indien de man in de aan de woning gebouwde ruimte zou verblijven, bevindt hij zich dicht in de buurt van de woning waarin de vrouw met de kinderen woont. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de man in de aanbouw spanningen bij haar veroorzaakt. Het is aannemelijk dat de kinderen deze spanningen meekrijgen en dat dit ook bij hen onrust veroorzaakt, terwijl het voor de kinderen in deze periode rondom de echtscheiding juist belangrijk is dat er rust is. Tegenover het belang van de vrouw staat het belang van de man bij terugkeer naar de aan de woning gebouwde ruimte. Bij de afweging van deze belangen weegt de voorzieningenrechter mee dat onvoldoende is gebleken dat de man heeft geprobeerd vervangende woonruimte te zoeken. Dat het voor hem ingrijpend is om de aan de woning gebouwde ruimte te verlaten en deze verlaten te houden, is een onmiskenbaar gevolg van het in de beschikking daartoe gegeven bevel waarvoor de vrouw hem nog een aantal maanden tijd heeft gegund. Dat de man op dit moment (nog) niet over passende vervangende woonruimte beschikt is weliswaar heel ingrijpend, maar gelet op het voorgaande kan niet van de vrouw worden verlangd dat de tenuitvoerlegging van de beschikking wordt geschorst. Daarbij wordt opgemerkt dat de man verder geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit van een noodsituatie aan zijn zijde zou blijken.
Conclusie
4.1
De belangen van de man bij schorsing van de executie wegen gelet op het vorenstaande niet zwaar genoeg om af te wijken van de hoofdregel dat de vrouw een onherroepelijke (voorlopige voorzieningen) beschikking direct ten uitvoer mag leggen. Zoals hiervoor overwogen weegt haar belang om de beschikking ten uitvoer te leggen, zodat er rust ontstaat voor haar en de kinderen, in dit geval zwaarder.
4.11
Al het voorgaande betekent dat de vorderingen van de man onder 1. en 2. zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.12
In zaken tussen echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De vorderingen van partijen zullen worden afgewezen en de proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
wijst alle vorderingen af;
5.2
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier.