De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 maart 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende het gezamenlijk gezag van de stiefouder over drie minderjarige kinderen. De vader oefent sinds 2017 eenhoofdig gezag uit over de kinderen, die bij hem en de stiefmoeder verblijven. De biologische moeder is niet meer in beeld en er is geen contact met de kinderen.
De vader en de stiefmoeder hebben sinds 2015 een affectieve relatie en zorgen al jaren gezamenlijk voor de kinderen. Vanwege de psychische en verslavingsproblematiek van de vader is er een ondertoezichtstelling en tijdelijke uithuisplaatsing geweest. De stiefmoeder heeft tijdens de afwezigheid van de vader de zorg voortgezet. De kinderen en de gecertificeerde instelling steunen het verzoek.
De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1:253t BW is voldaan en dat geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen worden verwaarloosd. Het gezamenlijk gezag wordt toegekend en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.