Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3525

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/440471 / JE RK 25-1771
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens zorgen over ontwikkeling en contact ouders

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2009, die bij hun moeder wonen. De gecertificeerde instelling (GI) had de ondertoezichtstelling reeds meerdere malen verlengd, maar achtte verdere verlenging niet noodzakelijk vanwege verbeterd contact met de vader. De minderjarigen en hun moeder verzetten zich tegen verlenging, stellende dat het goed gaat en zij zelf het contact met de vader willen regelen.

De vader en de Raad uiten echter zorgen over de duurzaamheid van het contact en de ontwikkeling van de minderjarigen, mede vanwege het ontbreken van hulpverlening en de gesloten geloofsgemeenschap waar de kinderen deel van uitmaken. De kinderrechter heeft de minderjarigen gehoord en concludeert dat ondanks het verbeterde contact er nog onzekerheid bestaat en dat een gesprek tussen vader en kinderen onder begeleiding van een hulpverlener wenselijk is.

De kinderrechter weegt de belangen en constateert dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, met name de ernstige bedreiging van de ontwikkeling en het ontbreken van voldoende hulpverlening. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 19 augustus 2026 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 19 augustus 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440471 / JE RK 25-1771
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Rotterdam.
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas uit Bergen op Zoom.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 9 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het F9-formulier met bijlagen van mr. Baas van 27 maart 2026.
1.2.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de GI en de verzoeken van de vader en de moeder betreffende de vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedtaken (met zaaknummer C/02/422537 / FA RK 24-2300) zijn de verzoeken gelijktijdig tijdens de zitting van 30 maart 2026 met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en
[minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 19 augustus 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 augustus 2024 en tot 19 november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 18 november 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 19 november 2024 en tot 19 november 2025. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 9 februari 2026 tot 19 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden met een tussentijds toetsmoment na zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 19 april 2026 tot 19 augustus 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI is van mening dat verlenging van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is. De GI licht toe dat hulpverlening bij de moeder en de minderjarigen niet van de grond is gekomen, maar dat het contact tussen de vader en de minderjarigen wel is verbeterd. Zij hebben elkaar in de afgelopen periode meerdere keren gezien. Het overkoepelende doel van de ondertoezichtstelling, te weten het realiseren van onbelast contact met beide ouders, lijkt daardoor op dit moment te zijn behaald. Tegelijkertijd bestaat er nog wel onzekerheid over de bestendigheid en duurzaamheid van dit contact. Daarbij betrekkende dat de andere doelen van de ondertoezichtstelling niet zijn behaald en er geen hulpverlening is gestart, kan de GI zich voorstellen dat de ondertoezichtstelling toch wordt verlengd. Doordat de structurele medewerking vanuit de moeder en de minderjarigen uitblijft, ziet de GI echter onvoldoende mogelijkheden om de ondertoezichtstelling inhoudelijk verder vorm te geven.
4.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen geen verlenging meer van de ondertoezichtstelling. Het gaat goed met de minderjarigen en zij willen contact met hun vader, maar willen zelf regelen wanneer en op welke manier deze contacten plaatsvinden. Het contact met hun vader verloopt op dit moment goed omdat er geen verplichtingen zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vinden het belangrijk dat zij daarin zelf keuzes mogen maken en dat er geen contacten worden opgelegd. Dat zal namelijk averechts werken.
4.3.
De moeder is van mening dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het gaat namelijk goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en er is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging. De moeder laat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vrij in het contact met de vader en zij denkt dat er meer ruimte zal ontstaan bij de minderjarigen voor contact met de vader als de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. Het dwingen van de minderjarigen tot contact met de vader of het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder, zal in deze situatie averechts werken.
4.4.
De vader vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. De vader heeft namelijk nog steeds veel zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , onder andere doordat zij klem zitten en deel uitmaken van een gesloten geloofsgemeenschap. Ook heeft de vader er weinig vertrouwen in dat het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in stand blijft als de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. Dit maakt dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet zijn behaald. De vader is van mening dat de GI verschillende instrumenten kan inzetten om te werken aan deze doelen. Er is gedurende de ondertoezichtstelling vrijwel geen hulpverlening ingezet en de vader is van mening dat er binnen het kader van de ondertoezichtstelling meer mag worden verwacht van de GI dan tot nu toe is ingezet. De vader zou graag samen met een hulpverlener in gesprek gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om te bespreken wat er in het verleden is gebeurd en om samen naar een oplossing te zoeken.
4.5.
De Raad vreest dat het averechts zal werken als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedwongen worden tot contact met de vader. Ook gelet op de leeftijd van de minderjarigen, dienen zij ruimte te krijgen om daarin zelf keuzes te maken. Tegelijkertijd dient de moeder de minderjarigen hierin niet te veel ruimte te geven. Ook gaat de moeder eraan voorbij dat de keuzes die zij zelf maakt effect hebben op de keuzes die de minderjarigen maken, bijvoorbeeld ten aanzien van het accepteren van hulpverlening. Doordat de hulpverlening bij de minderjarigen en de moeder niet van de grond komt, ziet de Raad op dit moment niet in wat er binnen het kader van de ondertoezichtstelling nog kan worden ingezet om de situatie te verbeteren. Hierdoor ziet de Raad weinig mogelijkheden om te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling.

5.De nadere beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de omstandigheid dat de ingezette hulpverlening bij de moeder en de minderjarigen niet van de grond is gekomen. De moeder wil niet meewerken aan hulpverlening en het ingezette traject bij de kindbehartiger bij [hulpverlening] is na een aantal gesprekken stopgezet door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daar komt bij er in de afgelopen periode weliswaar contact is geweest tussen de minderjarigen en de vader, maar nog onzeker is hoe bestendig en duurzaam dit contact is. Hoewel door de GI wordt gesteld dat het doel van onbelast contact met beide ouders lijkt te zijn behaald, heeft de kinderrechter hier nog wel zorgen over. Tijdens de zitting is door de vader verklaard dat hij graag in gesprek zou gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om samen te praten over wat er in het verleden is gebeurd en over de toekomst. De kinderrechter acht zo’n gesprek in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook zodat de vader en de minderjarigen meer op één lijn kunnen komen en het vertrouwen over en weer kan groeien. De kinderrechter hoopt dan ook dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hiervoor open staan en vindt het verder belangrijk dat een dergelijk gesprek wordt aangegaan in het bijzijn van een hulpverlener om ervoor te zorgen dat het goed verloopt. De kinderrechter vindt het van belang dat de jeugdbeschermer in de komende periode betrokken blijft zodat het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden opgevolgd en het gesprek tussen de vader en de minderjarigen op een goede manier kan worden vormgegeven. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van vier maanden, te weten tot 19 augustus 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 19 april 2026 en tot 19 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.