Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3532

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/446251 / FA RK 26-1453
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning zorgmachtiging voor voortzetting verplichte psychiatrische zorg bij bipolaire stoornis

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, die verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene ontkent de noodzaak van opname en medicatie en wijst een diagnose af, terwijl de behandelaar een bipolaire stoornis type I met psychotische kenmerken vaststelt en het risico op stoppen met medicatie hoog acht.

Tijdens de zitting werden betrokkene, haar advocaat, behandelaars en haar vader gehoord. Betrokkene gaf aan zich rustiger te voelen maar wilde niet langer opgenomen blijven en wilde geen medicatie meer gebruiken. De behandelaar en co-assistente benadrukten de noodzaak van voortzetting van verplichte zorg om de positieve ontwikkeling te bestendigen.

De rechtbank concludeerde dat betrokkene lijdt aan een ernstige psychische stoornis die ernstig nadeel veroorzaakt, waaronder levensgevaar, zelfverwaarlozing, agressie en maatschappelijke teloorgang. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en betrokkene toont onvoldoende ziekte-inzicht en medewerking.

Daarom verleende de rechtbank de zorgmachtiging voor zes maanden, inclusief medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie. Het verzoek tot andere vormen van verplichte zorg werd afgewezen wegens onvoldoende noodzaak. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden voor verplichte psychiatrische zorg aan betrokkene met een bipolaire stoornis type I met psychotische kenmerken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446251 / FA RK 26-1453
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
thans verblijvende in [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats 2] ,
advocaat mr. W. van der Sande uit Goes.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, mr. Van der Sande;
  • mevrouw [persoon 1] , verpleegkundig specialist;
  • [persoon 2] , co-assistente;
  • De heer [persoon 3] , de vader van betrokkene.

2.Wat vaststaat

2.1.
Door de rechtbank is aan betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 23 maart 2026. Op grond daarvan verblijft betrokkene in [psychiatrisch ziekenhuis] te [plaats 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene stelt tijdens de zitting dat het goed met haar gaat en dat zij zich rustiger voelt op de huidige afdeling. Zij is het niet eens met haar opname en vindt deze onnodig omdat er volgens haar geen sprake is van een psychische stoornis of een psychose. Zij verklaart dat haar gedrag voortkomt uit recente ingrijpende gebeurtenissen, waaronder een relatiebreuk en financiële problemen. Betrokkene wil graag naar huis en staat open voor verdere begeleiding met name op financieel gebied. Zij wil echter niet langer opgenomen blijven. Betrokkene ervaart de medicatie als belastend vanwege bijwerkingen en geeft aan deze niet vrijwillig te willen gebruiken en daarmee te zullen stoppen bij ontslag. Ook wenst zij duidelijkheid over haar diagnose omdat zij zelf denkt aan ADHD. Betrokkene merkt nog op dat zij weliswaar wiet en hasj gebruikt, maar absoluut geen Flakka.
4.2.
De advocaat van betrokkene voert namens betrokkene aan dat op dit moment een definitieve diagnose ontbreekt en dat betrokkene zich niet herkent in de gestelde problematiek. Volgens de advocaat is het ernstig nadeel onvoldoende onderbouwd en is er sprake van een positieve ontwikkeling. Primair verzoekt de advocaat dan ook het verzoek af te wijzen. Subsidiair, bij toewijzing, wordt verzocht de duur van de zorgmachtiging te beperken tot drie maanden. Betrokkene is namelijk bereid tot behandeling en begeleiding in de thuissituatie. De advocaat benadrukt verder dat betrokkene het gebruik van harddrugs, zoals Flakka, uitdrukkelijk ontkent en vindt het belangrijk dat dit in de beschikking wordt opgenomen. Het is namelijk volstrekt onduidelijk waarom deze drug in de stukken wordt genoemd. Voorkomen moet worden dat dit een eigen leven gaat leiden.
4.3.
De behandelaar van betrokkene geeft tijdens de zitting dat er een positieve ontwikkeling bij betrokkene wordt gezien. Dit uit zich in meer rust en stabiliteit bij betrokkene sinds de huidige medicatie. Tegelijkertijd erkent betrokkene de noodzaak van medicatie niet waardoor het risico op stoppen met de medicatie groot wordt geacht. De diagnose is nog niet definitief en nader onderzoek is nog nodig. Voortzetting van verplichte zorg wordt noodzakelijk geacht om de ingezette verbetering te bestendigen. Een termijn van zes maanden wordt passend geacht zodat er voldoende tijd is om betrokkene verder te laten stabiliseren en te kunnen behandelen.
4.4.
De co-assistent geeft aan dat de benodigde behandelduur moeilijk vooraf is vast te stellen. Er is sprake van een stijgende lijn en deze moet worden voortgezet. Voortzetting van de behandeling wordt op dit moment noodzakelijk geacht waarbij de duur afhankelijk is van het verdere verloop van het toestandsbeeld van betrokkene.
4.5.
De vader geeft aan dat hij als toehoorder aanwezig is en merkt op dat betrokkene het mogelijk niet eens is met zijn visie. Hij ondersteunt de huidige behandeling omdat hij van mening is dat betrokkene nog niet zichzelf is.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Hoewel er nog nadere diagnostiek moet plaatsvinden om een definitieve diagnose te stellen, is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken en de toelichting ter zitting afdoende blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Uit de overgelegde stukken volgt dat er bij betrokkene sprake is van een bipolaire stoornis, type I met psychotische kenmerken en psychosociale problemen. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht en ziektebesef.
5.3.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige materiële schade;
- ernstige immateriële schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat betrokkene onder invloed van een ander raakt;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
5.4.
De rechtbank neemt hierbij in overweging dat er bij betrokkene sprake is van een manisch-psychotische ontregeling met (seksuele) ontremming, paranoïde gedachten en suïcidale uitspraken. Daarnaast kan betrokkene ook agressief reageren naar haar ouders toe en naar omwonenden. Ook is er sprake van zelfverwaarlozing en verwaarlozing van de woning van betrokkene. Betrokkene kan niet meer voor zichzelf zorgen tijdens ontregelingen en leeft eenzaam aan de rand van de maatschappij.
5.5.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
5.6.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene heeft een ambivalente houding als het gaat om het innemen van medicatie. Betrokkene neemt op dit moment haar medicatie in maar geeft duidelijk aan dat zij hier niet achter staat en dat zij geen medicatie nodig heeft en deze in de toekomst ook niet meer wil innemen. Betrokkene wil ook niet langer in de instelling opgenomen blijven omdat zij zichzelf niet ziek vindt. Verder constateert de rechtbank dat betrokkene op dit moment wel goed in de samenwerking is maar dat deze situatie nog maar pril is. De behandelaar verwacht dat betrokkene niet vrijwillig meewerkt zonder zorgmachtiging. De rechtbank heeft daarom onvoldoende vertrouwen in zorg op vrijwillige basis. Daarom is verplichte zorg nodig.
5.7.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
5.8.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de behandelaar tijdens de zitting gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
5.9.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met
30 september 2026;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. Borm, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 13 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.