Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3537

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/443212 / JE RK 25-2270
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.4 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wegens onvoldoende gedragsverbetering minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om een voorwaardelijke machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige. Eerder was een machtiging verleend voor de periode van 8 januari tot 9 april 2026. Het resterende verzoek betrof verlenging van 9 april tot 8 juli 2026.

Tijdens de zitting op 30 maart 2026 werd vastgesteld dat de minderjarige het traject bij een kliniek had doorlopen en sinds 11 maart 2026 weer thuis woont. Hoewel hij geen middelen meer gebruikt, houdt hij zich niet aan de afspraken, gaat sporadisch naar meetings, mist veel school en vertoont verbaal agressief gedrag. De ouders en het college gaven aan dat het gedrag en de veiligheid nog onvoldoende zijn verbeterd.

De kinderrechter concludeerde dat ondanks het positieve effect van het verblijf bij de kliniek, de minderjarige onvoldoende gedragsverandering toont en de voorwaarden niet naleeft. Daarom wordt het resterende verzoek toegewezen en wordt de voorwaardelijke machtiging verlengd. De minderjarige krijgt een laatste kans om verantwoordelijkheid te nemen, met steun van zijn ouders en het college, om een positieve gedragsontwikkeling te realiseren.

Uitkomst: Het resterende verzoek tot voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wordt toegewezen vanwege onvoldoende gedragsverbetering van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443212 / JE RK 25-2270
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
hierna te noemen het college,
gevestigd te Tilburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[minderjarige],
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Dit blijkt uit de (tussen)beschikking van de kinderrechter van 8 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken.
1.2.
Op 30 maart 2026 is de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met zijn advocaat;
  • de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van het college.

2.De feiten

2.1.
Bij voormelde beschikking van 8 januari 2026 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 8 januari 2026 tot 9 april 2026. Het resterende verzoek is aangehouden in afwachting van het schriftelijke bericht van het college over de laatste stand van zaken en het standpunt over het resterende verzoek. Daarbij is bepaald dat het college, [minderjarige] en zijn advocaat en de ouders zullen worden gehoord ter zitting van 30 maart 2026. De kinderrechter heeft zich iedere verdere beslissing voorbehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
Aan de orde is nog het verzoek van het college om een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de nog resterende duur met ingang van 9 april 2026 tot 8 juli 2026.

4.De nadere standpunten

4.1.
[minderjarige] is afzonderlijk en in aanwezigheid van zijn advocaat gehoord. Hij heeft samengevat verklaard dat het traject bij [kliniek] moeilijk was, maar dat het traject hem goed gedaan heeft. Hij kan nu anders met dingen omgaan in plaats van naar middelen te grijpen. Er wordt nazorg geboden en hij kan met andere mensen praten. Sinds 11 maart 2026 is hij weer thuis. Het gaat thuis beter dan eerst. Hij heeft nog wel moeite met de regels maar er zijn geen escalaties. [minderjarige] vindt dat het resterende verzoek moet worden afgewezen. Wanneer het verzoek gehandhaafd wordt voelt het voor hem alsof er geen vertrouwen is en daar heeft hij last van. Desgevraagd erkent [minderjarige] dat hij niet heel vaak naar de meetings van [gemeenschap] gaat. Maar hij drinkt en blowt niet meer. Hij vindt het jammer dat zijn ouders niet benoemen dat er ook dingen zijn die goed gaan en dat zij trots op hem zijn. Hij wil niet terug naar [accommodatie] , aldus [minderjarige] .
4.2.
Van de zijde van het college is tijdens de zitting de laatste stand van zaken en het standpunt over het resterende verzoek toegelicht. Aanvankelijk was het idee dat de voorwaardelijke machtiging niet meer nodig was. Het verblijf van [minderjarige] bij [kliniek] is afgerond maar het traject loopt nog door. [minderjarige] is nu weer thuis maar dit gaat nog niet zoals ieder zich dit had voorgesteld. Hij valt makkelijk terug in oude gewoonten en gedrag. Het traject zal nog acht weken doorlopen. Er is nazorg en er zijn voorwaarden verbonden. [minderjarige] moet naar meetings van [gemeenschap] , op afspraken verschijnen en bij de hulpverlener komen. Hij heeft de voorwaardelijke machtiging nodig als signaal dat hij er nog niet is. De hoop is dat de situatie ten goede kan keren en dat kan worden voorkomen dat [minderjarige] weer naar de gesloten setting van [accommodatie] moet. Het verblijf bij [kliniek] heeft niet het verwachte effect op [minderjarige] gehad. Het is lastig in te schatten wat nu in het belang van [minderjarige] is. De voorkeur is om in te kunnen grijpen wanneer nodig en niet om de situatie nu los te laten. Het college handhaaft daarom het resterende verzoek
4.3.
Door de vader is samengevat naar voren gebracht dat [minderjarige] een ander beeld heeft van de situatie; [minderjarige] vindt dat er niks aan de hand is. Hij heeft bij [minderjarige] aangegeven dat hij zijn vertrouwen aan hem geeft maar dat hiervoor drie pijlers nodig zijn: herstel, communicatie en school. Van deze pijlers is nog geen sprake. [minderjarige] komt de afspraken niet goed na, hij gaat schaars naar de meetings van [gemeenschap] , hij komt (veel) later thuis dan is afgesproken, hij plant zijn dag niet en hij heeft de helft van school gemist. Daar komt bij dat [minderjarige] zijn zus uitscheldt. De vader heeft dan ook nog geen vertrouwen in [minderjarige] . Het traject van [kliniek] is niet alleen bedoeld voor de verslaving van [minderjarige] maar ook voor bijvoorbeeld zijn emotieregulatie. De voorwaardelijke machtiging moet in de ogen van de vader doorlopen. De agressiviteit bij [minderjarige] is alweer aan de orde. Hij gaat alleen om met vrienden die niet zeggen dat hij niet moet drinken. De vader stelt dat hij en de moeder heel veel moeite hebben gedaan om [minderjarige] naar school te laten gaan in plaats van naar [scholing] , omdat [minderjarige] aangaf dat hij zijn best wilde doen op school. De voorwaardelijke machtiging werkt misschien niet motiverend voor [minderjarige] , maar deze is wel belangrijk voor zijn veiligheid en om in te kunnen grijpen.
4.4.
De moeder heeft samengevat te kennen gegeven dat [minderjarige] van mening is dat zolang hij geen middelen gebruikt, het goed gaat en hij gewoon oud gedrag kan laten zien. Hoewel dit niet vergelijkbaar is met een jaar geleden, is [minderjarige] nog verbaal agressief. Hij vertoont nog probleemgedrag, gaat met zijn drinkende vrienden om en komt veel later thuis dan afgesproken. De moeder vindt enerzijds dat [minderjarige] een kans verdient als dat alles voor hem zou veranderen maar aan de andere kant wil zij dat hij laat zien dat hij te vertrouwen is. Volgens de moeder wil zij absoluut niet dat [minderjarige] terug naar [accommodatie] moet maar het moet wel tot hem doordringen dat het anders moet. Zij stelt dat de vader en zij trots zijn op [minderjarige] maar dat hij wel verder aan de bak moet.
De advocaat van [minderjarige] heeft aangevoerd dat de situatie ingewikkeld is. Enerzijds heeft [minderjarige] het verblijf bij [kliniek] doorlopen en dat is knap, maar het traject is nog niet helemaal afgerond. Anderzijds hoort hij wat de ouders hebben verklaard. De advocaat stelt zich ook de vraag wat het plan is binnen de voorwaardelijke machtiging. Wat gaat er gebeuren en wanneer is een gesloten plaatsing aan de orde? [minderjarige] heeft een bepaalde denkwijze: hij is naar [kliniek] gegaan, hij is terug thuis gekomen, hij gebruikt geen middelen meer dus het is goed zo. Maar zo simpel is het niet. De ouders zien gedragspatronen bij [minderjarige] . De vraag is wat een gesloten plaatsing gaat toevoegen en wat daarvan het opbouwende effectis. [minderjarige] stelt zich op het standpunt dat het resterende verzoek moet worden afgewezen en dat een gesloten plaatsing demotiverend werkt voor hem. Het is jammer dat [minderjarige] niet meer onderneemt in de nazorg en dat hij niet naar meetings van [gemeenschap] gaat. De advocaat hoopt dat [minderjarige] gaat beseffen dat hij het anders moet gaan doen maar de vraag is wel of een voorwaardelijke machtiging daarbij gaat helpen.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Op het resterende verzoek van het college tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp is eveneens van toepassing artikel 6.1.4. van de Jeugdwet, zoals al is overwogen in voormelde beschikking van 8 januari 2026. Aan de in lid 3 van dat artikel wettelijke vereiste dat het verzoek de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper behoeft, is reeds bij het indienen van het verzoek voldaan. Nu de gedragswetenschapper in zijn verklaring heeft ingestemd met een voorwaardelijke machtiging voor de duur van zes maanden, kan het resterende verzoek ook op die instemmingsverklaring worden beoordeeld.
Gelet op hetgeen ter zitting is besproken constateert de kinderrechter dat het traject [kliniek] (nog) niet het gewenste effect heeft bereikt. Hoewel op dit moment niet kan worden vastgesteld dat [minderjarige] is vervallen in middelengebruik, is gebleken dat [minderjarige] zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Hij komt de afspraken met de hulpverlening niet allemaal na, hij gaat maar af en toe naar een meeting van [gemeenschap] , hij gaat slechts voor de helft naar school en hij houdt zich niet aan de afspraken die hij met de ouders gemaakt heeft. Daarnaast is er bij [minderjarige] nog sprake van gedragsproblematiek. Hij is verbaal agressief, scheldt zijn zus uit en is zelfbepalend. Dit terwijl behandeling noodzakelijk was voor de verslaving en de gedragsproblematiek van [minderjarige] . [minderjarige] wil dit alles echter niet onder ogen zien. Zowel thuis als ter zitting laat hij een onverschillige houding zien. [minderjarige] heeft zijn verblijf bij [kliniek] prima doorlopen maar het feit dat een machtiging gesloten plaatsing boven zijn hoofd hangt, maakt niet dat hij zich na zijn verblijf aan de gestelde regels/voorwaarden houdt. De vraag is enerzijds of het toewijzen van het resterende verzoek van het college het gewenste effect bereikt, namelijk dat [minderjarige] inzicht krijgt in zijn gedrag, daarnaar gaat handelen door zich aan de gestelde afspraken/voorwaarden te houden en een positieve ontwikkeling laat zien. Anderzijds is het bij afwijzing van het resterende verzoek ook de vraag of [minderjarige] zich aan de gestelde regels/voorwaarden houdt en een positieve gedragsverandering laat zien. Weliswaar stelt [minderjarige] dat hij vertrouwen wil maar dat vertrouwen moet hij wel verdienen. De kinderrechter is gelet op het feit dat [minderjarige] nog onvoldoende inzicht toont in zijn gedrag en onvoldoende positieve gedragsverandering heeft laten zien, van oordeel dat nog steeds aan de wettelijke vereisten voor een voorwaardelijke machtiging tot gesloten plaatsing is voldaan en zal daarom het resterende verzoek toewijzen en de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verlenen als na te melden.
5.2.
Daarbij merkt de kinderrechter op dat dit niet betekent dat zij geen vertrouwen in [minderjarige] heeft. [minderjarige] heeft heel hard zijn best gedaan binnen [kliniek] en dat is een compliment waard. Hij heeft zich tot nu toe onthouden van middelengebruik, wat aangeeft dat zijn verblijf wel effect heeft gehad. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] nu gaat inzien dat hij niet alleen van de middelen moet afblijven, maar dat ook zijn gedrag moet veranderen. Daarvoor is onder andere nodig dat hij zich houdt aan de regels en voorwaarden zoals voornoemd. De kinderrechter verwacht dat dit [minderjarige] uiteindelijk rust zal gaan geven. Alle aanwezigen op de zitting hebben aangegeven dat zij niet willen dat [minderjarige] weer gesloten moet worden geplaatst. [minderjarige] wordt nu een laatste kans gegeven. Hij krijgt de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er een positieve verandering komt. Dit moet hij voor het grootste gedeelte zelf doen. De kinderrechter vertrouwt erop dat de ouders hem daarbij zullen helpen en hem (blijven) stimuleren om door te zetten. Het zal niet elke dag even goed gaan maar belangrijk is om een positief doel voor ogen te blijven houden. Van het college verwacht de kinderrechter dat zij er alles aan doet om te voorkomen dat [minderjarige] opnieuw gesloten moet worden geplaatst.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende verzoek toe en verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten voor jeugdhulp met ingang van 9 april 2026 tot 8 juli 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het plan van aanpak zijn gesteld, welk plan opnieuw is aangehecht.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.