Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3540

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
02-222413-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 45 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar in flatwoning

Op 30 juli 2025 stichtte verdachte opzettelijk brand op drie afzonderlijke plaatsen in zijn flatwoning, waardoor gemeen gevaar voor zijn woning, omliggende woningen en de bewoners ontstond. De brand werd snel ontdekt dankzij een alerte onderbuurvrouw en de brandweer, waardoor erger werd voorkomen.

Verdachte ontkende de brand te hebben gesticht en probeerde zijn dochter als schuldige aan te wijzen, maar zijn verklaringen waren wisselend en leugenachtig. Forensisch onderzoek toonde aan dat de brandhaarden onafhankelijk van elkaar waren ontstaan door opzettelijk vuur.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte de brand heeft gesticht en sprak hem vrij voor zover het gevaar voor zijn dochter betreft, omdat hij tijdig met haar vertrok. Gezien de ernst van het feit, de proceshouding van verdachte en het reclasseringsadvies legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-222413-25
vonnis van de meervoudige kamer van 28 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] , Syrië
gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie]
raadsman mr. G.A.R. di Antonio, advocaat in Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 30 juli
2025 opzettelijk brand heeft gesticht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten was.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie staat vast dat er sprake is geweest van brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was. Verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij de brand heeft gesticht, maar hij heeft steeds wisselend verklaard en zijn verklaring is op bepaalde onderdelen ook aantoonbaar leugenachtig. Het alternatieve scenario, dat de brand is gesticht door de dochter van verdachte, vindt geen steun in het dossier. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak. Het staat vast dat sprake is geweest van brandstichting; voor het duchten van gemeen gevaar voor goederen en personen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Er kan echter niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte degene was die de brand heeft gesticht. Verdachte heeft dit steeds stellig ontkend en daarover consistent en betrouwbaar verklaard. Niet kan worden uitgesloten dat zijn dochter de brand heeft gesticht. Zij heeft ook steeds wisselend verklaard.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 30 juli 2025 om 13:59:28 uur liepen verdachte en zijn toen achtjarige dochter (hierna: zijn dochter) de lift op de begane grond uit en verlieten zij hun flatgebouw aan de [straat] in [plaats]. Verdachte bewoonde daar op de zesde etage een appartement met [nummer 1] . Die dag omstreeks 14:00 uur hoorde de onderbuurvrouw van [nummer 2] een harde knal en na ongeveer een minuut zag zij veel rook uit de woning op [nummer 1] komen. Zij belde direct de brandweer. Om 14:02 uur kwam bij de meldkamer van de politie een melding binnen van de brand aan de [adres] . Verdachte en zijn dochter liepen om 14:29:03 uur het flatgebouw weer binnen.
Uit forensisch onderzoek is gebleken van drie primaire brandhaarden in de woning van verdachte, die onafhankelijk en afzonderlijk van elkaar zijn ontstaan. De eerste brandhaard is ontstaan op het bed in de slaapkamer van verdachte, de tweede in de linkerhoek achterin de kinderslaapkamer en de derde op een kartonnen doos met speelgoed in de rechterhoek achterin de kinderslaapkamer. In de slaapkamer van verdachte werd op de vloer tussen het bed en het dressoir een opengeklapte deodorantspuitbus aangetroffen. In het forensische onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat zonder de inzet van hulpdiensten, in het bijzonder de brandweer, de brand zich verder had kunnen ontwikkelen en uitbreiden naar de naastgelegen woning, waarbij grotere schade aan de woning en belendende objecten te verwachten was. Er was daarom gemeen gevaar voor goederen te duchten, alsmede levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Eveneens is uit het forensische onderzoek gebleken dat de drie brandhaarden zijn ontstaan door het opzettelijk bijbrengen van vuur.
Door wie is de brand gesticht?
Verdachte heeft op zitting onder meer verklaard dat hij de deur van de woning op de zesde etage achter zich heeft dichtgetrokken en samen met zijn dochter bij de woning is weggelopen. Gelet op de hiervoor vastgestelde gebeurtenissen en tijdstippen moet de brand al zijn gesticht vóórdat verdachte die deur dichttrok en met zijn dochter wegliep. Zoals verdachte ter zitting beaamde, betekent dat ook dat een van beiden de brand(en) moet hebben gesticht: verdachte of zijn dochter.
Verdachte heeft steeds ontkend dat hij de brand heeft gesticht. Op zitting heeft hij verklaard dat hij buiten op de galerij voor de deur van zijn woning op zijn dochter stond te wachten en dat zij als laatste uit de woning is gekomen. Zij was nog 10 à 12 minuten in de woning om zich om te kleden en haar sandalen aan te doen. Verdachte heeft geen brand opgemerkt en ook zijn dochter heeft niets tegen hem gezegd over vuur. Wel heeft zij hem een aansteker gegeven toen zij als laatste naar buiten kwam. Zij heeft daar niets bij gezegd en hij heeft daar niets bij gevraagd. De rechtbank gelooft de ontkenning van verdachte en zijn verklaring niet om de volgende redenen.
Allereerst heeft verdachte niet consistent, maar juist wisselend verklaard over het tijdstip waarop hij met zijn dochter zijn woning heeft verlaten. Op de dag van de brand zelf is hij al om 15:19 uur gehoord als getuige. Toen heeft hij verklaard dat hij om ongeveer 13:00 uur met zijn dochter weg is gegaan uit de woning. In zijn eerste verdachtenverhoor op 11 augustus 2025 heeft hij herhaaldelijk verklaard dat hij tussen 11:00 en 12:00 uur de woning had verlaten en dat hij pas terug naar zijn woning is gegaan, nadat hij door de politie werd gebeld vanwege de brand. Verdachte heeft dit in zijn tweede en tevens laatste politieverhoor op 13 augustus 2025 nogmaals verklaard. Zelfs toen hij geconfronteerd werd met screenshots van een cameraopname van de in/uitgang van het flatgebouw waarop het vertrek van hem en zijn dochter en het tijdstip 13:59 uur te zien was. Naar het oordeel van de rechtbank kan geen sprake zijn geweest van een vergissing in deze aantoonbaar onjuiste verklaringen over het vertrektijdstip. Verdachte is namelijk vrijwel na het moment waarop de brand moet zijn ontstaan met zijn dochter vertrokken en is slechts een halfuur weggeweest. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze verklaringen als kennelijk leugenachtig worden aangemerkt. Zij zijn bedoeld om verdachte ver(der) weg te halen van het moment van uitbreken van de brand en zo te verhullen dat hij daar actief bij betrokken was. De rechtbank gebruikt deze leugenachtige verklaringen als bewijs tegen verdachte.
Leugenachtig is naar het oordeel van de rechtbank ook de verklaring van verdachte dat zijn dochter niets tegen hem heeft gezegd over vuur voordat zij bij de woning weg gingen. Haar moeder, tevens ex-vrouw van verdachte, heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hun dochter op de dag van de brand tegen haar heeft verteld dat er brand was in de woning op haar kamer bij de kleding. Dat had haar dochter ook tegen verdachte gezegd en verdachte had bevestigd dat zijn dochter dat tegen hem had gezegd. Zijn dochter zelf is niet als getuige gehoord, maar in een telefoongesprek met verdachte op 12 oktober 2025 zegt zij dat ze het wel tegen hem heeft gezegd. Dat was meteen in reactie op verdachte die tegen haar zegt dat ze niet heeft gezegd dat er vuur was. Ook deze ontkenning van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank bedoeld om zijn actieve betrokkenheid bij het uitbreken van de brand te verhullen en gebruikt de rechtbank als bewijs tegen verdachte.
Tot slot komt verdachte in een telefoongesprek op 8 oktober 2025 voor de eerste keer met het scenario dat zijn dochter een aansteker aan hem heeft gegeven. Hij vertelt dat dan tegen zijn ex-vrouw, nadat hij daarvoor met zijn dochter heeft gesproken en zijn dochter daar niet mee heeft geconfronteerd. Overigens vertelt hij dan niet aan zijn ex-vrouw dat hij buiten stond te wachten, maar dat hij naar buiten ging en dat zijn dochter toen “de aansteker” aan hem gaf. In een telefoongesprek met zijn ex-vrouw op 9 oktober 2025 vertelt hij voor het eerst dat hij buiten voor de deur op zijn dochter heeft gewacht, die zich aan het kleden was in haar slaapkamer. In een telefoongesprek op 10 oktober 2025 zegt hij tegen zijn dochter dat hij haar heeft gevraagd de aansteker aan hem te geven toen hij naar buiten ging, nee, toen ze bij de deur stonden. Zij dochter antwoordt dan hem geen aansteker te hebben gegeven.
De rechtbank schuift het door verdachte op zitting verklaarde scenario, dat hij al langere tijd buiten stond te wachten en dat zijn dochter hem een aansteker gaf (zonder daarbij iets gezegd of gevraagd werd) als ongeloofwaardig terzijde. Allereerst is verdachte in de hiervoor aangehaalde telefoongesprekken zelf niet consistent over het moment van geven (toen hij naar buiten ging of al langer buiten stond) en de wijze van geven (gevraagd, dus met woorden, of ongevraagd). Maar daarnaast komt verdachte pas heel laat met dit voor zichzelf cruciale scenario. In de eerder aangehaalde politieverhoren heeft verdachte niet alleen niet verklaard dat zijn dochter als laatste de woning is uitgegaan, maar ook niet dat zij hem een aansteker zou hebben gegeven. In zijn politieverhoor op 13 augustus 2025 heeft hij verklaard dat hij zelf als laatste is weg gegaan van huis en dat hij zijn dochter later nog heeft gevraagd of zij een aansteker aan heeft gehad, maar dat zij zei dat dat niet het geval was. Ook bij de voorgeleiding voor de rechter-commissaris op 14 augustus 2025 en in de raadkamer van 22 augustus 2025 heeft hij het (buiten wachten en) geven van een aansteker niet benoemd. Dat is bij het raadkamerverhoor extra opvallend, omdat hij dan wel expliciet verklaart dat het zou kunnen dat zijn dochter de brand heeft gesticht. Ook op zitting heeft verdachte niet uit kunnen leggen waarom hij dit voor zichzelf overduidelijk belangrijke aspect niet eerder heeft benoemd dan tijdens de pro forma zitting van 5 november 2025.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan het niet anders dan dat verdachte de branden heeft gesticht en acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken voor zover het levensgevaar of het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ziet op de zich op dat moment in die woning bevindende personen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet zijn dochter in gevaar heeft gebracht. Hij is op tijd met haar vertrokken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 30 juli 2025 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met brandbare stoffen/goederen, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor zijn woning en goederen in die woning en omliggende woningen en goederen in die omliggende woningen en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
De rechtbank heeft in de bewezenverklaring achter het eerste gedachtestreepje de woorden “die woning” vervangen door “zijn woning”. Uit het dossier en de bespreking op zitting was voor alle betrokkenen duidelijk dat de brandstichting in de toenmalige woning van verdachte had plaatsgevonden. Verdachte is door deze vervanging dan ook niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij is zij er van uit gegaan dat er ook levensgevaar voor het dochtertje van verdachte bestond.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit komt, bepleit de verdediging te volstaan met een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een flink voorwaardelijk deel als stok achter de deur.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft in zijn flatwoning in [plaats] op drie afzonderlijke plaatsen in twee verschillende slaapkamers opzettelijk brand gesticht. Door zo gericht en bewust te handelen heeft hij niet alleen gemeen gevaar voor goederen in zijn eigen woning veroorzaakt, maar ook voor belendende woningen in het flatgebouw. Daarnaast was er door de brand sprake van levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor andere bewoners van het flatgebouw. Brand in een flatgebouw brengt naar zijn aard een groot risico op snelle uitbreiding met zich en kan verstrekkende gevolgen hebben voor de veiligheid van meerdere personen. Zoals eerder overwogen is de rechtbank van oordeel dat daarbij geen gevaar te duchten is geweest voor de toen achtjarige dochter van verdachte.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij na het stichten van de brand de woning heeft verlaten zonder enige maatregel te treffen om de (mogelijke) gevolgen van de brand te beperken. Evenmin heeft verdachte de hulpdiensten gewaarschuwd, terwijl hij zich wel bewust was van het gevaar. Dat de brand snel werd ontdekt en zich niet verder heeft verspreid, is geenszins aan verdachte te danken. Door oplettend handelen van de onderbuurvrouw en het kordate optreden van de door haar gealarmeerde brandweer en de politie is erger voorkomen.
Gelet op de bewezenverklaring stelt de rechtbank ook vast dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn handelen, maar juist heeft geprobeerd zijn eigen handelen te verhullen door zijn achtjarige dochter ten onrechte als schuldige aan te wijzen. Hij heeft haar vanuit het huis van bewaring zelfs onder druk gezet om in zijn voordeel te gaan verklaren. Zij is niet onder die druk bezweken. De rechtbank vindt het bijzonder kwalijk dat een vader zijn kind wil opofferen om zijn eigen hachje te redden. Gelet op de ernst van het feit en de proceshouding van verdachte is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur moet worden opgelegd. Dat is niet anders voor iemand die niet eerder met justitie in aanraking is gekomen zoals verdachte.
Uit het reclasseringsadvies van 4 december 2025 blijkt onder meer dat zij door de ontkennende houding van verdachte geen delictanalyse heeft kunnen beschrijven en geen oorzakelijke verbanden heeft kunnen leggen met de verschillende leefgebieden van verdachte. De beeldvorming van de reclassering is op bepaalde punten vaag en onvolledig gebleven. Verdachte is selectief in zijn communicatie en ontwijkt stelselmatig kritische vragen over het delict, zijn financiën en zijn relationele situatie. De reclassering heeft niet de indruk dat het ontwijkende gedrag van verdachte het gevolg is van een taalbarrière, maar van een bewuste keuze om geen volledig inzicht te geven in zijn situatie. Hij is niet bereid om kritisch naar zijn eigen gedrag en handelen te kijken of stappen te zetten om hierin te veranderen. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor een zinvolle en effectieve reclasseringsinterventie. Zij heeft daarom geadviseerd om aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Gelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 30 maanden;
- bepaalt dat
de tijddie verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in
voorarrestheeft doorgebracht
in minderingwordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en
mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 april 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 30 juli 2025 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen)/goed(eren), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en/of goederen in die woning en/of omliggende woningen en/of goederen in die omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of
- levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in die woning en/of dat gebouw bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.
(art 157 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)