Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd wegens het rijden met een snelheid van 22 km per uur boven de toegestane limiet op een weg buiten de bebouwde kom. Tegen deze boete is beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens is beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Op de zitting van 9 maart 2026 verschenen alleen de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie; betrokkene en diens gemachtigde waren afwezig. De gemachtigde had aangevoerd dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) die de boete oplegde niet bevoegd was, omdat de specifieke taakomschrijving niet kenbaar was en de verkeershandhaving niet onder het domein generieke opsporing zou vallen.
De kantonrechter oordeelde dat de sanctie was opgelegd door een BOA binnen het domein generieke opsporing en dat de enkele betwisting van de bevoegdheid onvoldoende is om daaraan te twijfelen. Vaste rechtspraak stelt dat de bevoegdheid van de verbalisant in beginsel mag worden aangenomen tenzij concrete aanwijzingen ontbreken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wegens snelheidsovertreding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.