ECLI:NL:RBZWB:2026:3550

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/445475 / KG ZA 26-95 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • Van der Weide
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing conservatoire beslagen op exclusieve auto na veiling

Eiser [eiser 1] B.V., een privaat veilinghuis, verkocht via een veiling een exclusieve Mercedes-Benz SLR McLaren Stirling Moss voor €3.050.000. Het voertuig bevond zich tijdens de veiling in Duitsland en werd later opgehaald en opgeslagen door Cars Europe. Na een strafrechtelijk beslag en opheffing daarvan, legde [gedaagde partij] conservatoire beslagen op wegens een vordering uit onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid.

Eisers vorderden opheffing van deze beslagen, stellende dat het beslag onrechtmatig was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is, met Duits recht voor de eigendomsvraag. Eisers faalden in hun stelplicht en onderzoeksplicht, vooral gezien de hoge waarde en exclusiviteit van het voertuig. Er was onvoldoende transparantie over de veiling en de koper, en het ontbreken van het originele deel II van de registratiecertificaten versterkte de positie van [gedaagde partij].

De voorzieningenrechter concludeerde dat niet summierlijk is gebleken dat het beslag ondeugdelijk of onnodig was gelegd. De belangenafweging viel in het voordeel van [gedaagde partij]. Eisers werden veroordeeld tot betaling van proceskosten. De vordering tot opheffing van de beslagen werd afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van conservatoire beslagen op de exclusieve auto wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/445475 / KG ZA 26-95
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 15 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

gevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eisende partijen] ,
eisende partijen,
advocaten: mr. T. Mimpen en mr. K van Laar,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde partij] GMBH,
te [adres] (Duitsland),
hierna te noemen [gedaagde partij] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. Van der Weide, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. Van de Kar als griffier.
Aanwezig zijn:
- namens de eisende partij: [eisende partijen] als bestuurder van [eiser 1] en voor zich in privé, bijgestaan door mr. Mimpen en mr. Van Laar,
- namens gedaagde partij: mr. R.W. Lagerwaard.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de producties 1 t/m 23 van [eiser 1] en [eiser 2] ,
- de conclusie van antwoord,
- de producties 1 t/m 30 van [gedaagde partij] ,
- de mondelinge behandeling van 15 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota en verweren pleitnota [gedaagde partij] van [eiser 1] en [eisende partijen] ,
- de kern van de aanvulling – betoogvoering ter zitting van [gedaagde partij] .
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiser 1] is een privaat veilinghuis dat onderdeel uitmaakt van [bedrijf]
. [eisende partijen] is sinds 30 juni 2023 statutair bestuurder van [eiser 1] .
Op 23 oktober 2025 is een zeer exclusieve auto Mercedes-Benz SLR McLaren Stirling Moss (hierna: het voertuig) via de veiling van [eiser 1] verkocht aan een derde voor
€ 3.050.000,00. Het voertuig bevond zich tijdens de veiling nog in Duitsland. Het voertuig is vervolgens door Cars Europe in Duitsland opgehaald en bij haar in voorlopige opslag gestald. Op het voertuig is op 16 december 2025 strafrechtelijk beslag gelegd. Dit beslag is op 15 januari 2026 opgeheven. De auto is op 16 januari 2026 uit de opslag van Cars Europe gehaald en getransporteerd naar elders, vermoedelijk het buitenland (VS). Volgens [gedaagde partij] was [eiser 1] niet bevoegd om het voertuig te veilen omdat het voertuig haar eigendom was. Zij heeft op 20 februari 2026 ten laste van [eiser 1] en [eisende partijen] diverse conservatoire verhaalsbeslagen gelegd op grond van een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad, toerekenbare tekortkoming en bestuurdersaansprakelijkheid. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] strekken tot opheffing van de conservatoire beslagen. Die vorderingen worden afgewezen. Hierna volgt de onderbouwing van die beslissing.

3.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
De voorzieningenrechter sluit aan bij het vonnis in kort geding van Rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2026 inzake [gedaagde partij] tegen Cars Europe, waarin is geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en Nederlands recht van toepassing is op de vordering ter zaken waarvan beslag is gelegd. Bovendien is de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd omdat het opheffing van beslagen betreft waarvoor verlof is verleend door de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Daarnaast is Duits recht van toepassing waar het gaat om de beoordeling van de eigendomsvraag van het voertuig.
21 Rv
3.2.
De meest verstrekkende stelling van [eiser 1] en [eisende partijen] is dat bij het vragen van het verlof tot beslaglegging artikel 21 Rv Pro zou zijn geschonden. De voorzieningenrechter verwerpt deze stelling. Het verwijt dat aan de beslagleggende partij ( [gedaagde partij] ) wordt gemaakt is dat het verlof feitelijke onwaarheden zou bevatten. [eiser 1] en [eisende partijen] noemen dan met name dat [gedaagde partij] in het verzoekschrift heeft vermeld dat er sprake is van onder meer: het frustreren van beslaglegging, verduistering van de zaak, het onderdeel uitmaken van een crimineel netwerk en het handelen met militaire precisie. Dit zijn allemaal kwalificaties maar geen feitelijke stellingen die op waarheid te toetsen zijn.
Op voorhand is echter niet aannemelijk geworden dat er feitelijkheden zijn aangevoerd die evident onjuist zijn. Mr. Lagewaard heeft terecht gesteld dat het hem vrij staat om aan processtukken bepaalde kwalificaties te verbinden. In de bodemprocedure tussen partijen zal uiteindelijk worden geoordeeld of er sprake is van onwaarheden. Het beroep op artikel 21 Rv Pro wordt verworpen.
Opheffing beslagen
3.3.
In artikel 705 Rv Pro is bepaald dat de opheffing van het beslag onder meer wordt uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt.
3.4.
De vraag met betrekking tot de eigendom van het voertuig en de eventuele eigendomsoverdracht daarvan dient naar Duits recht te worden beantwoord. Het is aan partijen om de voorzieningenrechter voor te lichten over wat het Duits recht hierover leert. De voorzieningenrechter stelt vast dat daar slechts in beperkte mate invulling aan is gegeven, waarschijnlijk ook omdat het hier een kort geding betreft. Dat betekent dat die invulling in de reeds aanhangige bodemprocedure nader zal moeten plaatsvinden waarbij te denken is aan het in het geding brengen van gezaghebbende legal opinions van Duitse rechtsgeleerden of in ieder geval van rechtsgeleerden die bekend zijn met het Duits recht. Vooralsnog leidt de voorzieningenrechter uit de door partijen overgelegde stukken en ingenomen standpunten af dat ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat het Duitse recht meer eist dan het enkel voorhanden hebben van de Zulassungsbescheinigungen Teil I en II. Deel II is niet in het bezit is van de verkrijger van de het voertuig. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagde partij] het originele deel II nog steeds onder zich heeft, zoals zij heeft gesteld. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dat niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij hebben desgevraagd niet kunnen antwoorden op de vraag bij wie dit deel zich dan wel zou bevinden terwijl [gedaagde partij] heeft verklaard het origele deel II ter zitting te kunnen tonen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter er vooralsnog rekening mee houdt dat deel II niet is overgegeven aan de verwerver die het voertuig op de veiling heeft gekocht en dat het voertuig dus is verkocht zonder dat deel II overgedragen kon worden.
3.5.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat door [gedaagde partij] steekhoudende argumenten zijn aangevoerd om de stelling te onderbouwen dat [eiser 1] op de hoogte was van de positie die [gedaagde partij] innam. Het mag zo zijn dat er door [gedaagde partij] gecommuniceerd is met de advocaat en de moedermaatschappij van [eiser 1] , maar dat geeft toch stevige aanwijzingen dat de positie van [gedaagde partij] daardoor ook bekend is geworden bij [eiser 1] en [eisende partijen] .
Van belang is verder dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een verzwaarde onderzoeksplicht op [eiser 1] rust. Het gaat immers om een exclusief voertuig met een zeer hoge waarde. Het voertuig heeft als een zeer bijzonder object te gelden en [eiser 1] profileert zich als een deskundig autoveiler. Op een dergelijke veiler rust een meer verdergaande onderzoekplicht dan hier in acht is genomen. Verwacht mag worden dat ten aanzien van een dergelijk object getracht is om de zogenaamde “paypertrail” zoveel mogelijk in kaart te brengen. Niet gebleken is dat dit gebeurd is. Ook is zeer veel onduidelijk gebleven omtrent de gang van zaken rondom de veiling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] tekort zijn geschoten in hun stelplicht. Zij hebben een positie ingenomen die zich laat vergelijken met het verweer in een strafprocedure, waarin de officier van justitie de volledige bewijslast heeft en een verdachte achterover kan leunen en alles kan betwisten. Dat is niet de positie in een civielrechtelijk kort geding waarin de waarschijnlijkheid van een onrechtmatige daad ter beoordeling staat. In dat geval had er openheid van zaken moeten worden gegeven: wat is hier gebeurd, hoe is de veiling op [eiser 1] afgekomen, wie zijn de personen die dan wel gehandeld zouden hebben als het niet [eisende partijen] is geweest, welke andere documenten zijn er nog die mogelijk een nadere beoordeling van de verhoudingen mogelijk maken en wie is de koper?
De voorzieningenrechter ziet niet in waarom de identiteit van de koper om privacy redenen niet kan worden bekendgemaakt en waarom er een geheimhoudingsplicht zou bestaan. Er is daarvoor geen rechtsgrond aangevoerd of gebleken. Er zijn geen veilingvoorwaarden of overeenkomst overgelegd waaruit een dergelijke verplichting blijkt. Bovendien, zelfs al zou dat het geval zijn, dan is dit een handicap waarmee [eiser 1] zichzelf heeft behept als zij onder dergelijke voorwaarden of verplichtingen zaken doet. Dat kan met zich meebrengen dat zij tussen twee kwaden moet kiezen: namelijk of het openbaren van wat geheim moet blijven in het kader van haar stelplicht in een civielrechtelijke procedure en daarmee wellicht contractueel in de problemen komen met de verwerver of het niet kunnen voldoen aan de stelplicht en daarmee tekortschieten in haar processuele plicht om gedetailleerd en met stukken gestaafd stelling te nemen.
3.6.
Ten slotte is onduidelijk hoe een en ander na de veiling is afgewikkeld. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eiser 1] / [eiser 2] erkend dat de auto niet via Schiphol maar via Luik het land heeft verlaten. Dit betekent dat er kennelijk wel informatie bekend is wat er na de veiling met het voertuig is gebeurd en dat geeft steun aan het verwijt dat er onvoldoende openheid van zaken is gegeven ten aanzien van de eigen rol in de feitelijke gang van zaken, resulterend in het thans onvindbaar zijn van het voertuig.
3.7.
Hoewel dit alles niet in extenso door [gedaagde partij] is aangevoerd rust op de voorzieningenrechter de taak om in te schatten hoe deze zaak zich in een bodemprocedure zal ontwikkelen. Slotsom van die inschatting is dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering.
3.8.
Evenmin is gebleken dat het beslag onnodig is gelegd. Ook hier geldt dat een stelplicht rust op de beslagenen dat en waarom er verhaal zou zijn zonder beslag. Vooralsnog is dat niet aannemelijk geworden.
3.9.
Ten slotte maakt een afweging van belangen dit alles niet anders en valt deze in het voordeel uit van [gedaagde partij] .
conclusie
3.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten
3.11.
[eiser 1] en [eisende partijen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00

4.De beslissing

de voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.