ECLI:NL:RBZWB:2026:3558

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/445885 / KG ZA 26-120 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Geloven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:109 BWArt. 3:119 BWArt. 99 RvArt. 108 RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave van in vuistpand genomen zaken van derden grotendeels afgewezen

Ultron B.V. had haar bedrijfsvoorraad verpand aan ING Bank als zekerheid voor een kredietfaciliteit. Na beëindiging van de kredietrelatie nam ING in vuistpand een groot aantal zaken, waaronder scooters, in het bedrijfspand van Ultron. Ultron, E-Mo en HF stelden dat ook zaken van derden, waaronder E-Mo, HF en Second Life Battery, ten onrechte in beslag waren genomen en vorderden teruggave.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de pandakte geen grondslag biedt voor teruggave van alle in beslag genomen zaken en wees de primaire vordering af. Wel werd vastgesteld dat enkele scooters, een hefbrug en een kist met helmen van E-Mo en scooters met batterijopladers van Second Life Battery onterecht in beslag waren genomen en deze moesten worden geretourneerd.

De vordering van ING om Ultron te bevelen ontbrekende documenten en accu’s te overleggen werd afgewezen als te onbepaald. De kosten van het geding werden gecompenseerd. ING werd een dwangsom opgelegd voor het niet tijdig retourneren van de zaken van derden.

Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt ING tot teruggave van zaken die eigendom zijn van derden en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/445885 / KG ZA 26-120
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van

1.ULTRON B.V.,

te Tilburg,
hierna te noemen Ultron,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
2.
E-MO B.V.,
te ‘s-Hertogenbosch,
hierna te noemen E-Mo,
eisende partij in conventie,
3.
HF MOTO B.V.,
te Tilburg,
hierna te noemen HF,
eisende partij in conventie,
tezamen te noemen: Ultron c.s.,
advocaten: mr. H.L.J.M. van Grinsven en [naam 1] ,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
hierna te noemen ING,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. P. Smits.

1.De zaak in het kort

1.1.
ING heeft aan Ultron een kredietfaciliteit verschaft. Ultron heeft tot zekerheid voor de nakoming van de kredietovereenkomst haar bedrijfsvoorraad aan ING verpand. ING heeft het beheer van het kredietdossier overgedragen aan Vesting Finance . Die heeft aan Ultron medegedeeld dat er geen basis meer is voor voortzetting van de kredietrelatie en dat de kredietverlening aan Ultron daarom is geëindigd. Ultron is verzocht en gesommeerd om haar hele schuld bij ING van € 122.164,57 voor 1 april te betalen. Ultron heeft dat niet gedaan, waarna door ING een groot aantal zaken (waaronder scooters) die zich bevinden in het bedrijfspand waarin Ultron is gevestigd in vuistpand zijn genomen. Ultron, E-Mo en HF stellen dat daartoe ook zaken behoren die eigendom zijn E-Mo en HF en ook van Second Life Battery S.L., terwijl die niet aan ING zijn verpand. De vorderingen in conventie strekken tot teruggave van de door ING (ten onrechte) in vuistpand genomen zaken. ING verzet zich daartegen. Zij wil in reconventie ten behoeve van de executoriale veiling nog de beschikking krijgen over ontbrekende documenten en/of accu’s van de in beslag genomen zaken. De voorzieningenrechter heeft de vordering in conventie gedeeltelijk toegewezen en die in reconventie afgewezen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord tevens houdende bevoegdheidsincident en eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in het incident,
- de akte wijziging van eis,
- de producties 1 t/m 29 van Ultron c.s.,
- de producties 1 t/m 13 van ING,
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de tijdens de mondelinge behandeling gedane mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter met betrekking tot het bevoegdheidsverweer en het spoedeisend belang,
- de spreekaantekeningen van Ultron c.s.,
- de spreekaantekeningen van ING.

3.De feiten

3.1.
Ultron (startdatum: 1 december 2018) is een groothandel in fietsen, motor- en bromfietsen. Zij verkoopt vrijwel uitsluitend aan zakelijke afnemers. E-MO (startdatum: 19 mei 2020) is een detailhandel in (onder meer) motor- en bromfietsen. Zij verkoopt uitsluitend aan particuliere afnemers. HF (startdatum: 28 november 2023) is een groothandel en importeur in fietsen en motorvoertuigen. (Indirect) bestuurders van zowel Ultron, E-Mo als HF zijn [naam 2] en [naam 3] . Zowel Ultron, E-Mo als HF zijn gevestigd in het door HF gehuurde bedrijfspand aan de [adres] .De handel van de vennootschappen betreft concreet de handel in elektrische scooters en -mobielen.
3.2.
Op l8 januari 2023 heeft ING aan Ultron een kredietfaciliteit verstrekt in de vorm van
• een ING Rekening Courant Krediet met een kredietlimiet van € 101.556,-,
• een Rentevastlening van € 57,848,-; en
• een Rentevastlening van € 16,312,50,
alle geadministreerd onder [rekeningnummer]
3.3.
Tot zekerheid voor de nakoming van al hetgeen Ultron als kredietnemer aan ING
als kredietgever schuldig was of zou worden, heeft Ultron bij pandakte van 18 januari 2023 haar bedrijfsactiva aan ING verpand. De pandakte bevat een forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam.
3.4.
Op de kredietfaciliteit en de daaraan verbonden verpanding bedrijfsactiva zijn de
Algemene Kredietvoorwaarden, de Algemene Voorwaarden en de Algemene
bepalingen van Pandrecht van ING van toepassing verklaard.
3.5.
Bij brief van 6 maart 2024 heeft ING aan Ultron meegedeeld dat het beheer van het kredietdossier namens ING is overgedragen aan Vesting Finance (een door ING ingeschakeld incassobureau) omdat:
• Ultron regelmatig een overstand op haar rekening met nummer [rekeningnummer] heeft, waardoor het risico op (financiële) schade voor ING stijgt,
• er sprake is van een afnemende bedrijfsomzet over de rekening, en
• Ultron niet tijdig aanvullende informatie aan ING aanlevert.
3.6.
Vesting Finance heeft bij brief van 18 maart 2024 aan Ultron bericht dat op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden ING heeft vastgesteld dat het risico op (financiële) schade voor haar onacceptabel is geworden, wat betekent dat er geen basis meer is voor voortzetting van de kredietrelatie, en dat op grond van de Algemene Kredietvoorwaarden van ING daarom de kredietverlening aan Ultron automatisch eindigt.
Vesting Finance heeft Ultron verzocht en gesommeerd om haar hele schuld bij ING van
€ 122.164,57 integraal (dus inclusief de tot 18 maart vervallen rente, provisies en kosten) voor 1 april te betalen.
3.7.
Ultron heeft daar niet aan voldaan. Vanaf juli 2024 zijn er geen betalingen namens Ultron meer binnengekomen bij ING. In augustus 2024 is in opdracht van ING door Nederlands Taxatie en Adviesbureau (NTAB) een taxatie verricht naar (onder andere) inventaris en voorraden van Ultron.
3.8.
In april 2025 heeft ING de bestuurders van Ultron ( [naam 3] en [naam 2] ) in hun hoedanigheid van borgen aangesproken. Dit heeft geleid tot een termijnbetaling van in totaal € 10.000,00. Per 1 december 2025 beliep de uitstaande schuld van Ultron aan ING een bedrag van € 96.924,49.
3.9.
Bij email van 4 december 2025 heeft [naam 4] , verbonden aan NTAB, aan [naam 2] geschreven dat hij graag voor 8 december 2025 voorraadoverzichten in Excel met aantallen, inkoopwaarde, verkoopwaarde etc. wil ontvangen.
3.10.
[naam 2] heeft op 8 december 2025 aan NTAB een voorraadlijst gestuurd met een totale verkoopwaarde van € 883.206,47. In de begeleidende email heeft hij geschreven
”We hebben geen weekend gehad, maar dan hebben we in ieder geval vroegtijdig de telling gemaakt en hoeven we dit niet tijdens de kerstvakantie te doen (want de telling doen we namelijk altijd einde van het jaar).“
3.11.
ING heeft op 8 december 2025 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend waarin zij heeft verzocht haar verlof te verlenen tot afgifte van de door Ultron aan haar verpande zaken, welke zich bevinden in het bedrijfspand [adres] . De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 9 december 2025 het verlof verleend.
3.12.
Op 15 december 2025 heeft de deurwaarder roerende zaken die zich in het bedrijfspand bevonden in vuistpand genomen, waaronder een groot aantal scooters, enkele houten kisten met helmen en een hefbrug. Deze zijn naar veilinginstantie FUM-veiling te Apeldoorn gebracht.
3.13.
Bij brief van 8 januari 2026 hebben de advocaten van Ultron c.s. aan ING bericht dat de deurwaarder niet alleen zaken onder zich heeft genomen van Ultron maar ook van E-Mo, HF en Second Life Battery. Als bijlage bij deze brief is het proces-verbaal van de deurwaarder overgelegd, voorzien van kleurmarkeringen om aan te geven wie volgens hen eigenaar is van de betreffende zaken.
3.14.
Naar aanleiding van deze brief heeft op 20 januari 2026 overleg plaatsgevonden tussen de advocaat van Ultron c.s. en Vesting Finance. Naar aanleiding van dit overleg heeft Vesting Finance bij email gevraagd om een toelichting waarom het voorraadoverzicht van 8 december 2025 afwijkt van de lijst van zaken die de deurwaarder op 15 december 2025 in vuistpand heeft genomen.
3.15.
Bij email van 27 januari 2026 heeft Vesting Finance aan de advocaat van Ultron c.s. geschreven dat ingeval in vuistpand genomen zaken niet toebehoren aan Ultron, aan de hand van facturen en betalingsbewijzen moet worden aangetoond wie daadwerkelijk de eigenaar is van de in vuistpand genomen objecten en dat, als mocht blijken, dat een deel van de betreffende voorraad daadwerkelijk van E-Mo dan wel HF of Second Life Battery is, die vennootschappen dan op eigen kosten na overleg met Vesting Finance de voorraad in
kwestie kan komen ophalen.
3.16.
Ultron c.s. hebben bij brief van (hun advocaat van) 6 februari 2026 een toelichting gegeven op de verschillen tussen het voorraadoverzicht van 8 december 2025 en de in vuistpand genomen zaken, bestaande uit het voorraadoverzicht van 8 december 2025 aangevuld met de inkoopwaarde van de betreffende goederen. In de begeleidende brief heeft zij geschreven:
“Het voorraadoverzicht van 8 december 2025 is destijds onder grote tijdsdruk opgesteld, omdat het NTAB verlangde dat het overzicht binnen één werkdag zou worden aangeleverd. Daarnaast was het ook niet duidelijk wat er nu precies verlangd werd. Een dergelijke termijn was eigenlijk niet haalbaar en dat heeft (achteraf gezien) gezorgd voor afwijkingen. Om u een indruk te geven van de tijdsbelasting, vindt de eindejaarstelling normaliter in de laatste kalenderweek plaats van het jaar en duurt gemiddeld minimaal anderhalve week (afhankelijk van de vooraard op dat moment
In dit overzicht is in kolom D weergegeven het aantal goederen dat op 8 december 2025 is geteld en in kolom E het aantal goederen dat op 15 december 2025 in vuistpand zijn genomen met een toelichting van de heer [naam 2] in kolom J. Deze 'verschillen' zijn tevens in het rood weergegeven. De goederen (van Ultron) die momenteel nog aanwezig zijn in haar voorraad, zijn geel gearceerd. Duidelijker en met meer bewijs kunnen we niet aanleveren en dat is ook niet nodig.”.
3.17.
Bij e-mail van eveneens 6 februari 2026 is ING gesommeerd om uiterlijk 10 februari 2026 schriftelijk te bevestigen dat zij ervoor zorgdraagt dat de goederen van HF en E-Mo, zoals beschreven in de brief van 8 januari 2026, op kosten van ING aan hen worden geretourneerd en zonder deze kosten door te belasten aan Ultron. Daarnaast is ING gesommeerd om uiterlijk 20 februari 2026 de goederen aan HF en E-Mo te retourneren.
3.18.
ING heeft bij email van 11 februari 2026 bericht bij haar standpunt, zoals weergegeven in de e-mails van 20 en 27 januari 2026 te blijven. Zij heeft Ultron tot en met 13 februari 2026 gelegenheid gegeven aan de hand van facturen en betaalbewijzen aan te tonen dat de opgehaalde voorraad in eigendom van derden is. Zij heeft daarbij medegedeeld dat als dit niet wordt aangetoond, het veilingtraject zal worden gestart. Genoemde termijn is bij email van 13 februari 2026 verlengd tot donderdag 19 februari 2026. Ultron c.s. heeft bij email van haar advocaat van 18 februari 2026 hierop gereageerd.
3.19.
Bij email van 20 februari 2026 heeft de advocaat van ING aan de advocaat van Ultron c.s. geschreven dat op grond van zijn bevindingen door E-Mo 3 rolelektro’s kunnen worden opgehaald en door Ultron 13 scooters, bestemd voor Second Life Battery. Bij de email zijn als bijlagen gevoegd de bevindingen van de advocaat en het proces-verbaal van de deurwaarder met rood omlijnde zaken.
3.20.
Vesting Finance is overgegaan tot executoriale verkoop op de veiling van 26 maart 2026 van de roerende zaken van Ultron waarover geen discussie bestaat. Deze hebben
€ 13.105,08 opgebracht.

4.Het geschil

In conventie:
4.1.
Ultron c.s. vorderen na wijziging van eis als voorlopige voorziening, samengevat:
1.
primair:ING te bevelen om, eventueel door tussenkomst van een bewaarder, de zaken die resteren na de veiling van 26 maart 2026 aan hen en Second Life Battery te retourneren in het gehuurde, zulks op straffe van een dwangsom,
subsidiair:ING te bevelen, eventueel door tussenkomst van een bewaarder, de zaken van E-Mo HF en/of Second Life Battery te retourneren in het gehuurde, zulks op straffe van een dwangsom,
2. ING te veroordelen in de kosten van de procedure.
In reconventie:
4.2.
ING vordert als voorlopige voorziening, samengevat:
Ultron te bevelen de COC-verklaringen en/of accu’s behorende tot de door de deurwaarder uitgehaalde voorraad van Ultron aan ING te hebben aangeleverd, op straffe van een dwangsom.
4.3.
Partijen hebben over en weer de vorderingen betwist. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan. Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

5.bevoegdheid en spoedeisend belang

bevoegdheid
5.1.
ING doet een beroep op de onbevoegdheid de voorzieningenrechter
van deze rechtbank om van dit geschil in kort geding kennis te nemen en daarover een voorlopig oordeel te geven. Deze zaak hoort volgens haar thuis bij de voorzieningenrechter te Amsterdam, gelet op de forumkeuze in de pandakte.
5.2.
In artikel 99 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat met betrekking tot relatieve bevoegdheid in de dagvaardingsprocedure dat tenzij de wet anders bepaalt, bevoegd is de rechter van de woonplaats van gedaagde. De wet bevat geen regeling van de relatieve bevoegdheid speciaal voor het kort geding. Uit de algemene bepaling voor kort geding (artikel 254 Rv Pro) en de bijzondere bepaling met betrekking tot executiegeschillen (438 Rv) volgt dat in geval van een spoedeisend belang het geschil voorgelegd kan worden aan de dichtstbijzijnde voorzieningenrechter. Uit inmiddels oude jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin een voorlopige voorziening moet worden getroffen, bevoegd is. Dat volgt ook uit artikel 438 Rv Pro waarin is bepaald dat geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden (lid1) en dat in geval van het verkrijgen van een voorziening bij voorraad het geschil ook kan worden gebracht in kort geding voor de voorzieningenrechter van de volgens het eerste lid bevoegde rechtbank (lid2) .
5.3.
Wat hiervoor is overwogen betekent niet dat artikel 108 Rv Pro waarin is bepaald dat als partijen bij overeenkomst een rechter hebben aangewezen, die rechter bij uitsluiting bevoegd is, geen betekenis heeft. Deze bepaling is, voor zover zij exclusiviteit voorschrijft, echter niet dwingend van toepassing. De regel dat steeds bevoegd is de voorzieningenrechter van de plaats waar de voorlopige voorziening moet worden gegeven, gaat als bijzondere regel van relatieve bevoegdheid in kort geding voor op de regeling van de relatieve bevoegdheid in artikelen 99-109 Rv die in kort geding slechts aanvullend kan worden toegepast.
5.4.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat een forumkeuzebeding de uitgangspunten voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter niet opzij kan zetten maar slechts een alternatieve bevoegdheid kan creëren. Ultron had op grond van de forumkeuze mogen kiezen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam maar dat heeft zij niet gedaan en zij was daartoe ook niet verplicht.
5.5.
Dit alles leidt tot het oordeel dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd is.
spoedeisend belang
5.6.
ING heeft het spoedeisend belang bij de vordering van Ultron c.s. betwist.
5.7.
Dit verweer wordt verworpen. Het geschil gaat over de in beslag genomen bedrijfsvoorraad van de vennootschappen, meer in het bijzonder over de handelsvoorraad. Dat is naar zijn aard al spoedeisend omdat een vennootschap zonder handelsvoorraad niet meer kan handelen. Bovendien gaat het ook om een eigendomsclaim van de vennootschappen. Het eigendom is het meest omvattende recht op een zaak. Dat brengt met zich dat als degene die eigenaar stelt te zijn van zaken die een ander onder zich heeft en die ander weigert de zaken aan de eigenaar af te geven, dit eveneens naar zijn aard spoedeisend is.

6.de beoordeling

in conventie
Teruggave zaken
6.1.
Ultron c.s. stellen met betrekking tot de primaire vordering dat FUM Veiling de zaken ver onder de inkoopwaarde heeft verkocht. Als zij deze zelf zouden hebben verkocht zou de verkoopopbrengst € 58.153,00 hoger zijn geweest, gelet op het verschil in veilingprijs en de consumentenverkoopprijs (productie 28) Als gevolg van de gestegen brandstofprijzen en de onrust in het Midden-Oosten is de vraag naar elektrische scooters geëxplodeerd. Het is daarom zowel in het belang van ING als in het belang van Ultron/E-Mo en HF dat alle in vuistpand genomen zaken worden geretourneerd, ook die waarover geen discussie bestaat.
6.2.
ING hebben aangevoerd dat de scooters minder hebben opgebracht omdat ze niet compleet zijn en dus niet courant.
6.3.
Door Ultron c.s. is niet gesteld wat de juridische grondslag is voor teruggave van alle in vuistpand genomen zaken. In de pandakte is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. De enkele stelling dat er sprake is van een lage veilingopbrengst is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende. De pandakte biedt immers de grondslag voor het in vuistpand nemen en op een executieveiling verkopen van beslagen zaken.
6.4.
Dit betekent dat de primaire vordering in conventie wordt afgewezen.
6.5.
Aan hun subsidiaire vordering leggen Ultron c.s. ten grondslag dat het merendeel van de in vuistpand genomen zaken geen eigendom zijn van Ultron, maar van E-Mo, HF of Second Life Battery S.L, welke niet zijn verpand aan ING. ING heeft deze dus ten onrechte in vuistpand genomen. Zij voeren daartoe het volgende aan. ING baseert de stelling dat alle in vuistpand genomen zaken eigendom zijn van Ultron uitsluitend op het overzicht dat [naam 2] op 8 december 2025 op verzoek toezond aan het NTAB. Op dit overzicht stonden alle zaken die zich bevonden in de bedrijfsruimte, dus ook die van HF, E-Mo en Second Life Battery S.L. Omdat door NTAB gevraagd was naar de voorraadlijsten -dus meervoud- was [naam 2] zich er niet van bewust dat hij de voorraad van HF, E-Mo en Second Life Battery niet hoefde te vermelden op het overzicht. Het NTAB wist immers dat er meerdere partijen in het gehuurde gevestigd waren. [naam 2] en [naam 3] hebben ten tijde van de beslaglegging de deurwaarder er herhaaldelijk op gewezen dat zaken van derden werden meegenomen. Ultron c.s. verwijzen in dit verband naar de door hen als productie 13 overgelegde verklaringen. Dat er zaken van E-Mo en HF in het bedrijfspand waren was ook duidelijk omdat door middel van een aangebrachte scheidingswand het achterste, door Ultron gehuurde deel, was afgescheiden van de rest.
Ten slotte hebben zij aangevoerd dat ING er niet van uit kon gaan dat de op 8 december 2025 aangeleverde lijst volledig zou kloppen. Het tellen van de voorraad duurt doorgaans één tot twee weken, zodat het niet realistisch is om binnen een termijn van vier dagen een voorraadoverzicht te moeten opmaken.
6.6.
ING betwist grotendeels dat er zaken van E-Mo en HF zijn die zich in de voorraad van Ultron bevinden. Ultron heeft niet eerder dan bij brief van 8 januari 2026 aan haar (c.q. het NTAB) kenbaar gemaakt dat een deel van de zaken in de bedrijfsruimte aan derden zou toebehoren. Voor deze brief was ING niet eens op de hoogte van het bestaan van E-Mo en HF. Zij was ook niet bekend met de (onder)huurovereenkomsten en in het bedrijfspand was ook niet zichtbaar dat dit door meerdere bedrijven werd gebruikt. Bij eerdere bezoeken in opdracht van ING door NTAB aan Ultron afgelegde bezoeken zijn door Ultron de vennootschapen E-Mo en HF nooit genoemd, laat staan dat zij als eigenaren zijn aangeduid van een deel van de in de bedrijfsruimte bevindende zaken. De voorraadlijst is door [naam 2] op 8 december zonder enig voorbehoud aangeleverd. Van enige druk daarbij was geen sprake, noch dat Ultron de bedoeling van het aanleveren van de voorraadlijst niet heeft begrepen.
6.7.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
De door [naam 2] op 8 december 2025 verstrekte voorraadlijst mocht ING redelijkerwijs als uitgangspunt te nemen. Deze lijst is door [naam 2] verstrekt naar aanleiding van een vraag door [naam 4] bij email van 4 december 2025. Het standpunt van Ultron c.s. dat [naam 2] de voorraadlijst onder druk heeft opgesteld wordt gepasseerd. Uit zijn email van 8 december 2025 blijkt niet dat door [naam 4] een ongeoorloofde druk is uitgeoefend op [naam 2] . Dat blijkt ook wel uit email van 8 december 2025 waarin hij schrijft
”We hebben geen weekend gehad, maar dan hebben we in ieder geval vroegtijdig de telling gemaakt” .Uit dit antwoord blijkt ook niet van een voorbehoud dat er mogelijk onjuiste voorraad (anders dan van Ultron) op de lijst staat. Bovendien was [naam 2] bekend met het tellen van de voorraden, want hij geeft aan dat altijd aan het einde van het jaar te doen. Aan de door Ultron c.s. overgelegde verklaringen kan in het kader van dit kort geding geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Ten eerste betreft het een tweetal partijverklaringen alsmede een verklaring van een familielid. Daarnaast worden deze verklaringen tegengesproken door het proces verbaal van beslaglegging, waarin de deurwaarder schrijft dat hij [naam 2] bevel heeft gedaan om aanwijzing te doen en ter beschikking te stellen en te laten de in de pandakte en het verzoekschrift omschreven bedrijfsuitrustingen voorraden, aan welke verplichting hij heeft voldaan. Hieruit blijkt niet van enig voorbehoud. Bovendien blijkt uit de door ING als productie 13 overgelegde verklaringen van de deurwaarder en van de medewerker van FUM dat [naam 2] ten tijde van de beslaglegging weliswaar met betrekking tot een aantal zaken heeft aangegeven dat die niet van Ultron zijn, maar dat hij daarvan toen geen bewijs of voorraadlijsten heeft overgelegd waaruit dat zou blijken.
6.8.
De stelplicht en de bewijslast van de eigendom van zaken ligt bij Ultron c.s.. Het is aan hen om met deugdelijke stellingen en bewijsstukken aannemelijk te maken dat op de voorraadlijst van 8 december 2025 zaken zijn vermeld die eigendom zijn van HF, E-Mo of Second Life Battery.
HF
6.9.
Als bewijsstuk zijn door Ultron en HF overgelegd:
A. een commercial invoice [nummer 1] van
28 augustus 2025 van Jiangsu Xinri International Trading Co., Ltd met betrekking tot de verkoop van een aantal (49) scooters ten bedrage van US$ 32.415,00. Vast staat dat HF hiervoor op 8 juli 2025 een bedrag van US$ 7.800,00 heeft aanbetaald. .
B. een commercial invoice met [nummer 2] van 25 maart 2024 van Xiaodao Electric Vehicle Co. Ltd aan HF Moto BV van US$ 34.750,00 met betrekking tot de verkoop van 50 zaken. Door HF is op 27 maart 2025 hierop een aanbetaling gedaan van US$ 3.475,00.
C. een packing list en factuur met [nummer 3] van 10 april 2024 van Xiaodao Electric Vehicle Co. Ltd (97 zaken, bestaande uit Scooters, scooteronderdelen en lithium batterijen).
D. de rood omlijnde zaken op het proces-verbaal van de deurwaarder.
6.10.
Volgens ING is met betrekking tot de scooters/zaken onder A en B. niet aangetoond dat de facturen geheel zijn voldaan. Aldus is niet aangetoond dat HF door betaling van het restant eigenaar van de betreffende scooters/zaken is geworden.
Met betrekking tot de zaken onder C heeft ING gesteld dat de packing list en factuur zijn gericht aan Ultron en dat de omstandigheid dat HF deze heeft betaald niet betekent dat zij ook eigenaar van de zaken is geworden omdat voldoening van een vordering ook verricht kan worden door een ander dan de schuldenaar.
Met betrekking tot de zaken onder D heeft zij gesteld dat deze ontbreken op de overgelegde facturen en invoices en daarom dus ook niet geclaimd kunnen worden.
6.11.
Ultron c.s. stellen in dit verband:
Ad A en B:. Bij allebei geldt dat zowel de bill of lading als de facturen op naam van HF zijn gesteld. De omstandigheid dat HF slechts een deel van de facturen heeft voldaan doet niet ter zake omdat betaling geen constitutief vereiste is voor de goederenrechtelijke eigendomsoverdracht van zaken, het is wel een aanwijzing dat HF eigenaar is van die zaken.
Ad C: Ten tijde van de bestelling beschikte HF niet over een zogenaamd “EORI”-nummer, dat nodig is om te kunnen importeren. Uit praktische overwegingen is er daarom afgesproken dat Ultron zorg zou dragen voor de invoer van de zaken. De diverse facturen voor de invoer zijn gericht aan HF en ook door haar voldaan. Ook heeft zij de volledige factuur van Xiaodao voldaan.
Ad D: Bij de email van 18 februari 2026 is als bijlage een Excel bestand gevoegd waaruit per in vuistpand genomen zaak is aangegeven op welke factuur en bill of lading deze zaak is vermeld.
Voor alle zaken onder A t/m D geldt dat deze niet stonden opgeslagen in het door Ultron gehuurde (achterste) gedeelte van de bedrijfsruimte maar in het voorste deel, waar de zaken van HF en E-Mo stonden. Op grond van artikel 3:109 en Pro 3:119 BW wordt HF vermoed eigenaar te zijn van deze zaken
6.12.
Voor eigendomsoverdracht is vereist een geldige titel (koopovereenkomst) en levering. Betaling is daarvoor niet doorslaggevend. Gelet op wat hiervoor onder 6.6. is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door Ultron c.s. overgelegde bewijsmiddelen A t/m D onvoldoende zijn om voorshands aannemelijk te maken dat er eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden aan HF nu een document van een vervoerder tot aflevering van deze zaken aan HF ontbreekt. In het verslag van NTAB van september 2024 naar aanleiding van het bezoek aan Ultron is vermeld dat Ultron scooters importeert zodat nader bewijs van eigendom van HF nodig is om de eigendom van HF in plaats van Ultron aannemelijk te doen zijn.
6.13.
Voor zover Ultron een beroep heeft gedaan op artikel 3:109 en3:119 BW geldt het volgende. Op de door ING bij productie 13 overgelegde foto’s van de bedrijfsruimte is geen scheidingswand tussen het voorste en achterste deel waarneembaar. Bovendien is gesteld noch gebleken dat ING anderszins van een (eventuele) verdeling van de bedrijfsruimte op de hoogte was of kon zijn.
6.14.
Dit alles leidt ertoe dat de vordering tot teruggave van deze zaken wordt afgewezen.
E-Mo
6.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat de rolelektro E-joy 45 met [chassisnummer 1] , de rolelektro E-quad V.2 PREMIUM (BLUE) met [chassisnummer 2] en de rolelektro E-trike 25 V.3 BLAUW met [chassisnummer 3] eigendom zijn van E-Mo.
6.16.
Ultron c.s. stellen dat ook de blauwe hefbrug en de kist met helmen die in het proces-verbaal zijn opgenomen eigendom zijn van E-Mo.
6.17.
Voor wat betreft de hefbrug stellen zij dat deze door Ultron is gekocht van de [firma] en is (door)verkocht en geleverd aan E-Mo (voorheen handelend onder de naam DB Scooters BV). Zij stellen onder verwijzing naar hun productie 23 dat een hefbrug hetzelfde is als een motorheftafel.
6.18.
ING heeft aangevoerd dat de factuur van Ultron aan DB scooters betrekking heeft op een motorheftafel in plaats van een hefbrug en dat dit mogelijk niet om dezelfde zaak gaat.
6.19.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ING in het licht van hetgeen door Ultra c.s. in aangevoerd onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat E-Mmo niet de eigenaar is van de blauwe hefbrug. Zij heeft slechts als verweer aangevoerd dat de overgelegde factuur mogelijk op een andere zaak betrekking heeft. In de bevindingen bij de email van 20 februari 2020 heeft de raadsman bovendien aangegeven dat hij zich wellicht vergist op dit punt.
6.20.
Met betrekking tot de kist met helmen stellen Ultron c.s. dat de inkoopfacturen zijn gericht aan E-Mo en dat zij als detailhandel - en niet importeur of groothandel - de enige partij is die helmen inkoopt en verkoopt aan de consument. ING heeft dit niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken. De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat de kist met helmen aan E-Mo is geleverd en dat zij daarvan eigenaar is. Zoals hiervoor is overwogen is betaling niet doorslaggevend.
6.21.
Wat hiervoor is overwogen betekent dat de onder 6.15 genoemde scooters, de hefbrug en de kist met helmen aan E-Mo onterecht in vuistpand zijn genomen en dus moeten worden geretourneerd. De vordering tot teruggave van deze zaken wordt toegewezen.
Second Life Battery
6.22.
Ultron heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij een volmacht heeft van Second Life Battery om deze procedure mede namens haar te voeren. De volmacht is door ING betwist en Ultron heeft die niet zelfstandig overgelegd.
6.23.
Ultron heeft ook gesteld dat zij nog aan Second Life Battery diverse zaken die nu in vuistpand genomen zijn heeft verkocht. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van Ultron aldus dat zij belang heeft bij teruggave van de zaken om deze aan Second Life Battery te kunnen afgeven.
6.24.
ING heeft te kennen geven daarmee te kunnen instemmen, waarbij zij een voorbehoud maakt met betrekking tot de batterijopladers, omdat die niet op de facturen vermeld staan.
6.25.
Ultron heeft gesteld dat de batterijopladers bij de elektrische scooters horen en niet zomaar gebruikt kunnen worden voor andere scooters. ING heeft dit niet, althans niet voldoende (gemotiveerd) weersproken. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat ING ook deze ten onrechte in vuistpand heeft genomen nu zij heeft erkend dat de scooters eigendom zijn van Second Life Battery. Deze moeten daarom eveneens worden geretourneerd.
conclusie met betrekking tot de conventie
6.26.
De vordering in conventie wordt toegewezen voor wat betreft E-Mo met betrekking tot de onder 6.14 genoemde scooters, de hefbrug en de kist met helmen en voor wat betreft Ultron met betrekking tot de aan Second Life Battery verkochte scooters en batterijopladers.
Aan ING zal daarvoor een redelijk te achten termijn worden gegeven van 14 dagen na betekening van dit vonnis.
6.27.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de kosten voor teruglevering voor rekening van ING moeten komen, nu Ultron c.s. hun thans juist bevonden standpunt al voor het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding aan ING/Vesting Finance kenbaar hebben gemaakt. Het is ING die aldus onrechtmatig handelt door zaken die eigendom zijn van een derde zonder recht of titel onder zich te houden. Het verlof van de voorzieningenrechter betrof enkel zaken van Ultron. ING heeft voor eigen rekening en risico het verlof tenuitvoergelegd. De lijst van 8 december 2025 doet daar niet aan af omdat, zoals gezegd, al voor de dagvaarding de eigendom gemotiveerd door derden werd geclaimd.
6.28.
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 500,00 per dag of dagdeel dat ING daar niet aan voldoet met een maximum van € 25.000,00. De wettelijke rente over de dwangsom wordt afgewezen. Of wettelijke rente verschuldigd wordt moet in een eventueel executiegeschil aan de orde komen.
in reconventie
6.29.
ING stelt dat zij Ultron meerdere malen heeft gevraagd om de nog ontbrekende zogenaamde COC-verklaringen en/of accu’s van de door de deurwaarder uitgehaalde activa van Ultron aan te leveren. Zonder deze documenten c.q. scooter-onderdelen zijn de scooters niet goed te verkopen en zullen deze bij een executoriale veiling minder opleveren.
6.30.
Ultron stelt dat haar onduidelijk is welke accu’s ontbreken, nu er geen overzicht is overgelegd. Evenmin is duidelijk welke COC-verklaringen nog ontbreken, omdat niet alle chassisnummers bekend zijn. Zij is bereid deze af te geven als de chassisnummers in kaart zijn gebracht.
6.31.
De vordering in reconventie wordt als te onbepaald afgewezen. De voorzieningenrechter gaat er wel vanuit dat Ultron haar medewerking zal verlenen aan de afgifte van de ontbrekende accu’s en COC-verklaringen als zij weet welke nog gemist worden. Het is immers ook in haar belang dat bij de executieveiling een zo hoog mogelijke opbrengst wordt behaald.
de proceskosten in conventie en in reconventie
6.32.
Omdat partijen in conventie en in reconventie over en weer (gedeeltelijk) in het (on)gelijk zijn gesteld zal de voorzieningenrechter de kosten van dit geding compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
beveelt ING om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, eventueel door tussenkomst van een bewaarder, op haar kosten aan E-Mo te retourneren:
- de rolektro E-joy 45 met [chassisnummer 1] ,
- de rolektre E-quad V.2 PREMIUM (BLUE) met [chassisnummer 2] en - de rolektro E-trike 25 V.3 BLAUW met [chassisnummer 3]
- de blauwe heftbrug,
- de krat met helmen,
7.2.
beveelt ING om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, eventueel door tussenkomst van een bewaarder, op haar kosten aan Ultron te retourneren de zaken die bestemd zijn voor Second Life Battery
-De witte FD Motors scooter met [chassisnummer 4] ;
-De witte FD Motors scooter met [chassisnummer 5] ;
-De witte FD Motors scooter met [chassisnummer 6] ,
-De zwarte FD Motors scooter met [chassisnummer 7] ;
-De zwarte FD Motors scooter met [chassisnummer 8] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 9] ,
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 10] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 11] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 12] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 13] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 14] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 15] ;
-De zwarte FD Motors F3 scooter met [chassisnummer 16] ;
met bijbehorende batterijopladers,
7.3.
bepaalt dat ING een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij hier niet aan voldoet, met een maximum van € 25.000,0,
7.4.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
7.6.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
7.7.
wijst de vordering af,
7.8.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.,
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.