Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- de op 31 maart 2026 ingediend producties door mr. Akça-Altun.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van drie maanden. De minderjarige verblijft bij haar vader, die samenwoont met haar oma en stiefopa. Na een escalatie in de thuissituatie is de minderjarige tijdelijk bij oma en stiefopa geplaatst, waar veiligheidsafspraken zijn gemaakt vanwege incidenten, waaronder mishandeling door stiefopa.
De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling, de vader verzet zich en betwist de zorgmeldingen. De Raad heeft het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken, maar handhaaft het verzoek tot ondertoezichtstelling. De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, mede door wisselende verblijfplaatsen, verbroken contact met de moeder en onveilige opvoedsituatie.
De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering voor drie maanden, tot 20 juni 2026. De GI zal de regie voeren en nader onderzoek doen naar passende hulpverlening en het herstel van het contact tussen moeder en kind. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.